ECLI:NL:TDIVTC:2026:2 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/93

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:2
Datum uitspraak: 12-02-2026
Datum publicatie: 04-08-2026
Zaaknummer(s): 2024/93
Onderwerp: Katten
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Kat. Dierenarts wordt verweten met betrekking tot een kat in haar onderzoek, diagnosestelling en behandeling te zijn tekortgeschoten. [Klacht ongegrond]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam],                                                                                              klaagster,

tegen

dierenarts [naam],                                                                            beklaagde,

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Klaagster heeft zich schriftelijk voor de zitting afgemeld. Beklaagde is verschenen met haar gemachtigde, mr. I.E. Boissevain. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten met betrekking tot de kat van klaagster in haar onderzoek, diagnosestelling en behandeling te zijn tekortgeschoten.  

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de kat van klaagster, een Noorse Boskat (vrouwelijk) met de naam [naam kat] (hierna; de kat), 17 jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2. Klaagster is in augustus 2021 voor het eerst met de toen 14-jarige kat bij de praktijk van beklaagde geweest in verband met een te snel werkende schildklier (hyperthyreoïdie). De praktijk heeft de kat hiervoor in behandeling gehad. Hierna is de kat in verband hiermee bij een kliniek is België met radioactief jodium behandeld in december 2021 en april 2022.

3.3. Ongeveer 2,5 jaar na dat laatste bezoek aan de praktijk, op woensdag 4 september 2024, is klaagster met de kat op het spreekuur van beklaagde gekomen. De kat wilde sinds twee dagen niet eten of drinken en was lusteloos. Beklaagde heeft een klinisch onderzoek verricht en onder andere het volgende geconstateerd: een Body Condition Score van 1-2 uit 9, een vertraagde turgor, plakkerige slijmvliezen, ogen die diep in de kassen lagen, een doffe vacht, gingivitis en een massa van 1 cm doorsnede in de hals. De kat was zeer mager en soporeus. Beklaagde concludeerde dat de kat in extreem slechte conditie verkeerde en stervende was. Zij adviseerde om óf alle registers open te trekken (bloedonderzoek, infuustherapie, opname, opwarmen ect.) óf om over te gaan tot euthanasie, maar niets daartussen.

3.4.  Klaagster wilde geen volledige behandeling meer (volgens beklaagde vanwege het financiële plaatje) maar ook geen euthanasie (volgens beklaagde om religieuze redenen). Klaagster wilde wel een infuusbehandeling. Hierin is beklaagde niet meegegaan. Met klaagster is gesproken over een bloedonderzoek ter bevestiging van de ernst van de situatie. Beklaagde heeft bloed afgenomen en klaagster is met de kat naar huis gegaan. Beklaagde gaf aan dat zij bereid was na 17.00 uur op de praktijk te blijven voor het euthanaseren van de kat. Ook heeft zij de contactgegevens van twee andere dierenartsenpraktijken aan klaagster verstrekt. Volgens beklaagde wilde klaagster thuis eerst nog afscheid nemen van de kat, terwijl klaagster stelt dat zij de kat mee naar huis heeft meegenomen omdat zij elders een second opinion wilde.

3.5. Omstreeks 17.00 uur op dezelfde dag heeft beklaagde telefonisch de resultaten van het bloedonderzoek met klaagster besproken. Aangezien daaruit onder meer een slechte nierfunctie was gebleken, is aangedrongen op euthanasie diezelfde avond. Beklaagde heeft daarbij laten weten een melding aan de instanties te zullen doen als de kat niet geëuthanaseerd zou worden. Klaagster had op dat moment geen afspraak met een andere dierenartsenpraktijk. Na het telefoongesprek heeft beklaagde een melding gedaan bij meldpunt 144. Diezelfde avond heeft klaagster bezoek gehad van de politie. De kat is niet in beslag genomen.

3.6. Klaagster stelt dat zij op donderdag 5 september 2024 met de kat naar een andere dierenarts is gegaan, die de kat heeft onderzocht en die euthanasie niet onmiddellijk noodzakelijk vond. Na uitvoerig overleg, zo stelt klaagster, is uiteindelijk toch gekozen voor euthanasie en deze is ter plaatse uitgevoerd. Klaagster heeft voorafgaande aan dat bezoek aan de opvolgend dierenarts niet aan beklaagde verzocht om de patiëntenkaart door te sturen naar de opvolgend dierenartsenpraktijk of naar haarzelf.

3.7. Medio oktober 2024 heeft klaagster de onderhavige klacht ingediend. De brief die klaagster nog heeft geschreven in verband met haar afmelding voor de hoorzitting, is tijdens de zitting aan beklaagde overhandigd en besproken.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de kat van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat , wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

5.4. In de eerste klacht wordt beklaagde verweten onvoldoende onderzoek te hebben verricht. Klaagster stelt dat het onderzoek amper 5 minuten duurde en dat beklaagde direct al met het advies tot euthanasie kwam. Beklaagde betwist dat zij onvoldoende onderzoek heeft verricht en stelt dat klaagster 45 minuten bij haar is geweest. Naar het oordeel van het college is uit de patiëntenkaart, het verweer en hetgeen ter zitting is besproken voldoende gebleken dat beklaagde een volledig algemeen onderzoek heeft verricht en ook de medische historie van de 17 jaar oude kat heeft meegewogen in haar beoordeling. Daarnaast heeft beklaagde een bloedonderzoek aangeboden om haar bevindingen te bevestigen en dit onderzoek ook verricht. Daarmee is voldoende onderzoek verricht voordat beklaagde tot haar advisering kwam. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.5. De tweede klacht betreft het weigeren van een (infuus)behandeling. Niet in geschil is dat beklaagde twee opties aan klaagster heeft voorgehouden: óf alle registers open trekken óf euthanasie, maar niets daartussen. Klaagster stelt dat door de dehydratie de bloedwaarden een verkeerd beeld gaven en een vochtinfuus daarom nodig was. Beklaagde stelt daartegenover dat enkel hydrateren onvoldoende zou leiden tot een verlichting van de klachten, gelet op de zeer slechte algemene conditie van de kat. Anders dan klaagster meent, speelt volgens beklaagde dehydratie slechts een beperkte rol bij de gemeten hoge creatine- en ureumwaarden. De symptomen PUDP (veel plassen en drinken), uitdroging (dehydratie) en gewichtsverlies in combinatie met de resultaten van het bloedonderzoek wezen op een onomkeerbare verslechterde nierfunctie. Het geven van een infuus zou in dat geval volgens beklaagde slechts leiden tot een verlenging van een lijdensweg.

5.6. Het college overweegt dat beklaagde heeft aangeboden alle registers open te trekken -waarvan dan overigens ook hydratie onderdeel zou uitmaken-, maar dat klaagster om haar moverende redenen geen volledige behandeling wilde, maar enkel een vochtinfuus. Het college kan beklaagde verder volgen in hetgeen zij heeft gesteld over invloed van dehydratatie op de verlichting van de klachten en op de uitkomsten van het bloedonderzoek en dat enkel een infuusbehandeling weinig zinvol was. Het college acht dit onderdeel van de klacht ongegrond.

5.7. De derde klacht betreft het stellen een onjuiste diagnose en dat beklaagde ten onrechte heeft geconcludeerd dat onmiddellijke euthanasie geboden was. Het college kan zich gelet op de beschreven klinische onderzoeksbevindingen en de resultaten van het bloedonderzoek verenigen met de conclusie van beklaagde dat de kat in een zeer slechte conditie verkeerde en stervende was. Deze conclusie is volgens de eigen stellingen van klaagster de volgende dag feitelijk ook bevestigd door de opvolgend dierenarts. De klacht ziet ook meer op de vraag of de euthanasie direct aangewezen was of dat daarmee nog kon worden gewacht. Uit de stukken volgt dat de kat niet comateus, maar soporeus was en haar kop en staart nog lichtjes kon optillen. Het college concludeert hieruit dat de kat bij bewustzijn was en leed. Ook is voldoende gebleken dat de kat geen reëel toekomstperspectief had, met een zeer slechte prognose. Naar het oordeel van het college heeft beklaagde op goede gronden gemeend dat het lijden van de kat niet langer door mocht gaan en dat zij daarom heeft aangedrongen op euthanasie diezelfde dag. Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond.

5.8. De vierde klacht betreft het weigeren van een second opinion. Beklaagde heeft dit weersproken. Volgens beklaagde heeft zij geen second opinion geweigerd en zelfs telefoonnummers gegeven van andere dierenartsenpraktijken, maar had de discussie over een andere dierenarts enkel betrekking op de vraag waar en door wie de euthanasie zou worden uitgevoerd. Gelet op de tegenspraak hierover tussen partijen, kunnen de feiten hieromtrent door het college niet worden vastgesteld en wordt dit klachtonderdeel afgewezen.

5.9. De vijfde klacht betreft het doen van een melding bij de politie . Dit betreft geen veterinair handelen van beklaagde, zodat het college hierover geen uitspraak zal doen.

5.10. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. J.A.M. van Gils, drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak en drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.