ECLI:NL:TDIVTC:2026:19 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/118

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:19
Datum uitspraak: 12-03-2026
Datum publicatie: 01-09-2026
Zaaknummer(s): VTC 2024/118
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Hond. Beklaagde wordt verweten dat zij met betrekking tot de hond van klaagster ten onrechte een tweede orthopedischeoperatie heeft verricht zonder voorafgaand onderzoek naar de oorzaak van de breuk van het bij de eerste operatie ingebrachte implantaat in het linker enkelgewricht. [Klacht ongegrond.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam] ,                                                                          klaagster,

tegen

dierenarts [naam]                                                          beklaagde.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Beklaagde is zonder voorafgaande afmelding niet verschenen. Klaagster was aanwezig met haar partner. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten dat zij met betrekking tot de hond van klaagster ten onrechte een tweede orthopedischeoperatie heeft verricht zonder voorafgaand onderzoek naar de oorzaak van de breuk van het bij de eerste operatie ingebrachte implantaat in het linker enkelgewricht.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een kruising (teef) met de naam [naam hond] (hierna: de hond), afkomstig uit [land]. Haar exacte leeftijd is niet bekend, maar volgens klaagster was ze ongeveer 9 jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2. Door een voorgaande praktijk is bij de hond halverwege 2021 artrose aan de ellebogen gediagnosticeerd, waarvoor de hond sindsdien pijnstilling kreeg. Vanaf eind 2022 is de hond patiënt bij de praktijk van beklaagde in behandeling voor artrose en problemen met het lopen.

3.3. Klaagster merkte op enig moment dat de hond eerder vermoeid raakte, bij het wandelen vaker ging liggen en vocht vasthield in beide enkels van de achterpoten. In verband met de opgezwollen enkels heeft zij in maart 2024 contact opgenomen met de praktijk waar beklaagde werkzaam is. Er is een röntgenonderzoek, een CT-scan en een bloedonderzoek verricht.

3.4. Eind maart 2024 heeft er over de onderzoeksresultaten een gesprek plaatsgevonden waarbij is uitgelegd dat er sprake was van slijtage aan de enkelgewrichten, die ondersteuning nodig hadden. Aan klaagster zijn twee opties voorgelegd: óf voor beide pootjes een op maat gemaakte brace óf een operatie waarbij met metalen platen de beide enkelgewrichten worden vastgezet (artrodese). Klaagster koos voor een operatie. Deze is op 15 april 2024 door beklaagde uitgevoerd, volgens beklaagde zonder complicaties. Na de operatie is de hond aan klaagster mee naar huis gegeven met op schrift gestelde strikte nazorginstructies.

3.5. Klaagster stelt dat de hond vanaf de operatie de linker achterpoot bleef ontzien. In de patiëntenkaart staat met betrekking tot het eerste controleconsult op 19 april 2024 vermeld dat de hond al goed kon lopen met de twee spalken, dat ze haar linker poot optilde in stilstand en dat de hond vrij door het huis rondliep. Nadat partijen vervolgens telefonisch en per e-mail contact hadden gehad over slijtageplekken op de spalkjes, zijn er op 3 mei 2024 röntgenfoto’s gemaakt. Daaruit bleek dat de plaat in de linker poot was gebroken en dat in de rechter poot enkele schroeven waren afgebroken. Aan klaagster zijn toen drie opties voorgelegd: amputatie, euthanasie of zo snel mogelijk een nieuwe operatie aan het linker enkelgewricht om de gebroken plaat te vervangen. Klaagster koos voor het laatste. Diezelfde middag vond de tweede operatie plaats waarbij het gebroken implantaat door beklaagde is vervangen door een nieuw implantaat.

3.6. De hond bleek na de tweede operatie toch weer moeilijker te kunnen lopen, vooral met de linker achterpoot  In mei en juni 2024 hebben meerdere nacontroles plaatsgevonden bij collega’s van beklaagde. Begin juni 2024 is implantaat falen beiderzijds vastgesteld. Uit nadien verricht weefselonderzoek bleek sprake van twee multiresistente bacteriën. Na de verschillende opties, waaronder euthanasie, te hebben afgewogen, heeft klaagster uiteindelijk gekozen voor een behandeling met een specifiek antibioticum (Marbocyl) en, als de infectie daarmee kon worden bestreden, voor het operatief verwijderen van de implantaten. Het traject heeft er uiteindelijk toe geleid dat de hond, zij het met behulp van een aangemeten rolstoel en braces, weer in staat is om langere stukken te lopen.

3.7. Klaagster heeft haar onvrede aan beklaagde geuit over de behandeling van de hond. Een door klaagster geëiste schadevergoeding is afgewezen. Hierna heeft zij de onderhavige klacht bij het tuchtcollege ingediend.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of hij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

5.4. De klacht betreft de beslissing van beklaagde tot een tweede operatie om de gebroken plaat in het linker enkelgewricht te vervangen zonder dat de oorzaak van de breuk is onderzocht en ontstekingen en infecties zijn uitgesloten die kunnen hebben geleid tot het falen van het implantaat. Klaagster heeft gesteld dat een directe collega van beklaagde tegen haar heeft gezegd dat een breuk van een implantaat in 99% van de gevallen het gevolg is van een infectie. Ter zitting heeft klaagster verklaard ze tot aan die tweede operatie van 3 mei 2024 tevreden was over beklaagde en over die voorgaande periode geen klachten heeft. 

5.5. Beklaagde betwist dat haar collega gezegd zou hebben dat de breuk het gevolg van een infectie zou zijn. Ter ondersteuning is een verklaring van haar collega overgelegd. Beklaagde stelt verder dat klaagster bij beide nazorgafspraken aangaf dat de hond vrij rond liep, ook in de tuin, terwijl het nazorgprotocol strikte benchrust voorschreef, waarbij de hond slechts enkele keren per dag maximaal 5 à 10 minuten uit de bench mocht. Gelet hierop en omdat er geen wonden of tekenen van een infectie zichtbaar waren, zocht zij de oorzaak van de breuk in het niet naleven van het nazorgprotocol. Klaagster betwist dat zij de nazorginstructies niet heeft gevolgd.

5.6. Gelet op de tegenspraak daarover is voor het college niet vast te stellen of klaagster de nazorginstructies al dan niet heeft gevolgd en wat de collega van beklaagde over de oorzaak van debreuk tegen klaagster gezegd zou hebben. Dat de plaat in de linker achterpoot twee weken na de eerste operatie door een infectie is gebroken acht het college onwaarschijnlijk. Beklaagde heeft uitgelegd dat voorafgaande aan die eerste operatie een volledig laboratoriumonderzoek is uitgevoerd naar beide enkelgewrichten om de oorzaak van de klachten te achterhalen en dat daarbij geen bacteriën zijn aangetroffen.

5.7. Voorafgaand aan de tweede operatie stelt beklaagde dat ook is gekeken naar de oorzaak van de breuk in relatie tot een eventuele infectie. Op basis van haar eigen waarneming en de beschikbare informatie en kennis daarover kwam beklaagde tot de conclusie dat er geen tekenen waren die wezen op een infectie. Beklaagde heeft er verder op gewezen dat er tijdens de operaties steriel is gewerkt, dat bij iedere orthopedische operatie pre- en postoperatief intraveneus antibiotica wordt toegediend en dat bij operaties met implantaten (en met name bij een artrodese), zeven dagen na de operatie zo nodig een breed spectrum antibioticumbeleid wordt gevolgd.

5.8. Of de plaat is gebroken door verkeerde druk of de manier waarop de plaat is vastgeschroefd is voor het college achteraf niet meer te achterhalen, noch staat vast dat er voorafgaand aan de tweede operatie reeds sprake was van een infectie. Hoe het ook zij en ongeacht de reden van de breuk, doorslaggevend acht het college dat het noodzakelijk was en prioriteit had om het gebroken materiaal sowieso te verwijderen en dat er in die zin geen andere keuze was. Het college kan beklaagde verder volgen waar zij heeft gesteld dat met een operatie zo snel mogelijk stabiliteit moest worden verkregen om te voorkomen dat de rechterenkel overbelast zou raken Dit betekent dat beklaagde niet ten onrechte voor de tweede keer heeft geopereerd. Ten overvloede wordt overwogen dat, voor zover klaagster beklaagde verwijt dat zij op 3 mei 2024 de later ontstane en middels bacteriologisch onderzoek ontdekte infectie niet heeft voorzien of kunnen voorkomen, beklaagde voorafgaande aan en tijdens de tweede operatie geen tekenen van een infectie heeft waargenomen. Ook bij veterinair correct handelen zijn infecties nadien niet altijd te voorkomen. De klacht wordt ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en dr. Y. Elte en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.