ECLI:NL:TDIVTC:2026:18 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/30
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:18 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-03-2026 |
| Datum publicatie: | 01-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | VTC 2024/30 |
| Onderwerp: | Paarden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Paard. Beklaagde wordt verweten dat zij met betrekking tot de behandeling van het paard van klaagster geen operatie heeft voorgesteld nadat was gebleken dat een conservatieve behandeling in verband met koliekklachten niet aansloeg. [Klacht ongegrond.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam] klaagster,
tegen
dierenarts [naam], beklaagde.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. S.A. Wensing. Beklaagde is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. H.A. Blok. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten dat zij met betrekking tot de behandeling van het paard van klaagster geen operatie heeft voorgesteld nadat was gebleken dat een conservatieve behandeling in verband met koliekklachten niet aansloeg.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om het paard (ruin) met de naam [naam paard] (hierna: het paard), eigendom van een vennootschap waarvan klaagster directeur is. Klaagster houdt zich al ruim 40 jaar professioneel bezig met paarden. Het paard was tien jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.
3.2. Het paard verbleef voor training en verkoop bij een stalhouder. Op maandag 28 september 2023, omstreeks 13.00 uur, heeft de stalhouder klaagster bericht dat het paard beginnende koliek had, die niet verbeterde na het stappen. De stalhouder heeft klaagster toestemming gevraagd om een dierenarts in te schakelen. Omstreeks 13.15 uur is een collega van beklaagde langsgekomen, die een klinisch en rectaal onderzoek heeft verricht. De diagnose was een entrapment over de milt-nierband met obstipatie van het colon. Het paard is met behulp van een neussonde gelaxeerd met water en paraffine en er is intraveneus Buscopan en Flunixine toegediend. Het paard was daarna ongeveer vier uur rustig, maar werd hierna weer onrustig en in overleg is besloten het paard naar de kliniek te brengen.
3.3. Omstreeks 18.00 uur kwam het paard aan op de kliniek van beklaagde. Beklaagde heeft een klinisch onderzoek verricht. Het paard was vrij rustig, had geen koorts en roze slijmvliezen, weinig darmgeluiden en een verhoogde hartslag. Er is een rectaal onderzoek, een echografisch onderzoek en een bloedonderzoek verricht. Beklaagde kwam tot dezelfde diagnose als eerder op de dag door haar collega was gesteld. Beklaagde heeft aan de stalhouder aangegeven dat in de meeste gevallen deze situatie kan herstellen door veel beweging in combinatie met pijnstilling. Dit wordt conservatief behandelen genoemd. Indien de situatie niet door de conservatieve behandeling zou oplossen zou chirurgie nodig zijn. In het bijzijn van beklaagde heeft de stalhouder omstreeks 18.30 uur gebeld met klaagster. Vast staat dat met instemming van klaagster is besloten tot een conservatieve behandeling, dat klaagster niet rechtstreeks heeft gesproken met beklaagde en dat de kosten van een eventuele operatie niet aan de orde zijn geweest.
3.4. Bij het op stal zetten werd het paard onrustig en is door beklaagde Butorfanol en Detomidine toegediend. Nadat deze sedatie was uitgewerkt is het paard ieder uur gestapt en gelongeerd. Omstreeks 20.00 uur is het paard klinisch onderzocht en had het geen koorts. Ongeveer een uur later werd het paard onrustiger en is Flunixine en Spasmipur toegediend. Omstreeks 22.00 uur heeft een nieuw bloedonderzoek plaatsgevonden en ongeveer een uur later opnieuw een rectaal onderzoek. Uit dit onderzoek bleek dat het colon nog steeds over de nier-miltband lag en dat er gas en obstipatie voelbaar was. Besloten werd opnieuw te laxeren met electrolyten. Er vond overleg plaats met de stalhouder, die de bevindingen doorgaf aan klaagster. Omstreeks 24.00 uur had het paard iets gemest tijdens het longeren. Omstreeks 2.00 uur in de nacht heeft beklaagde nogmaals een klinisch onderzoek verricht waarbij het paard een temperatuur van 38,5 °C had, een polsslag van 60/min en een ademhaling van 40/min. Het paard had iets gemest. Er is opnieuw Spasmipur toegediend. Omstreeks 3.30 uur is het paard opnieuw gesedeerd met Detomidine en Butorfanol, omdat het paard weer oncomfortabel werd. Ongeveer twee uur later begon het paard te zweten en te trillen. De polsfrequentie bedroeg 68/min en de temperatuur liep op tot 39,8°C. Beklaagde heeft een rectaal onderzoek, een bloedonderzoek en een echografisch onderzoek verricht. Er bleek sprake van een grote hoeveelheid vrij vocht in de buik en het paard raakte in shock. Beklaagde heeft de stalhouder gebeld die onmiddellijk kwam. Via de stalhouder is omstreeks 6.20 uur contact opgenomen met klaagster, waarbij is gemeld dat beklaagde adviseerde om het paard te laten inslapen. Klaagster gaf hier toestemming voor en het paard is geëuthanaseerd in het bijzijn van de stalhouder.
3.5. Later in de ochtend heeft beklaagde de patiëntenkaart doorgestuurd aan klaagster. Begin oktober 2023 heeft klaagster per e-mail haar onvrede aan beklaagde geuit over de behandeling van het paard. Een aansprakelijkheidsstelling door klaagster voor de geleden schade is afgewezen. Hierna heeft klaagster de onderhavige tuchtklacht ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van het paard van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.
5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
5.4. Het college stelt vast dat niet in geschil is dat op 28 september 2023 omstreeks 18.30 uur na overleg met klaagster is besloten het paard conservatief te behandelen en dat de conditie van het paard dit op dat moment ook toeliet.
5.5. Klaagster verwijt beklaagde dat zij op het moment dat duidelijk werd dat de conservatieve behandeling niet aansloeg, niet met haar persoonlijk contact heeft opgenomen en niet heeft voorgesteld alsnog te opereren. Echter had klaagster de stalhouder aangewezen als de contactpersoon bij de opname. Nu de stalhouder degene was die het paard namens klaagster bij de kliniek aanbood, zijn naam ook vermeld stond als gemachtigd begeleider op het intakeformulier met alleen zijn telefoonnummers, was het een bewuste keuze van klaagster om alle communicatie via de tussenpersoon te laten verlopen. Beklaagde was hierdoor niet gehouden klaagster zelf persoonlijk te benaderen. Daarnaast had klaagster ook zelf contact kunnen opnemen met de kliniek, wat niet is gebeurd.
5.6. Het college overweegt ten aanzien van de vraag of klaagster sowieso geen operatie wilde, dat beklaagde bij haar verweerschrift uitgedraaide schermopnames van de telefoon van de stalhouder heeft overgelegd, waarop te zien is op welke tijdstippen hij contact heeft gehad met klaagster, met door de stalhouder opgestelde transcripties van de telefoongesprekken. Deze zijn in repliek niet weersproken door klaagster, die op dat moment al werd bijgestaan door een juridisch gemachtigde. Eerst tijdens de hoorzitting heeft klaagster de weergave van de telefoongesprekken weersproken. Beklaagde heeft echter geloofwaardig verklaard dat zij tijdens het gesprek dat de stalhouder die middag omstreeks 18:30 uur met klaagster had, zij direct naast de stalhouder stond en dat gesprek heeft gehoord, waarbij klaagster zei dat chirurgie geen optie was en dat ze de dierenarts niet hoefde te spreken. Het college trekt de juistheid van de in het geding gebrachte transcripties niet in twijfel.
5.7. Tijdens het bewuste telefoongesprek omstreeks 18.30 uur, heeft de stalhouder het voorstel van beklaagde tot conservatief behandelen aan klaagster doorgegeven. Klaagster reageerde blijkens de transcripties als volgt: “Oké, probeer het maar, maar opereren is geen optie. De waarde van het paard is niks meer daarna en we krijgen hem niet meer verkocht dan. De revalidatie is ook lang en het risico is te groot dat het niet goed komt.”
5.8. Het college is van oordeel dat klaagster een operatie daarmee zelf bewust heeft afgewezen en dat beklaagde daarop mocht afgaan. Anders dan klaagster stelt heeft zij de beslissing over een operatie niet laten afhangen van de vraag of de conservatieve behandeling aansloeg of niet. Bovendien was het klaagster bekend dat een groot deel van de paarden herstelt met een conservatieve behandeling, maar een deel niet. Uitgaande van een door klaagster bewust gemaakte keuze en nu beklaagde op grond van het telefoongesprek wat zij had gehoord mocht concluderen dat klaagster duidelijk geen operatie wilde, ook niet bij een verslechtering van de prognose, is naar het oordeel van het college niet verwijtbaar geweest dat beklaagde nadien niet alsnog actief een koliekoperatie heeft voorgesteld. Overigens was de kliniek wel daartoe uitgerust, met een operatiekamer en chirurgen.
5.9. Ter zitting heeft klaagster haar klacht uitgebreid met het verwijt dat beklaagde ook bij de conservatieve behandeling niet zou hebben gehandeld zoals de ‘Leidraad Acute koliek’ (Sloet en Jacobs, TvD, 2003) voorschrijft en dat door het nalaten van diverse stappen uit die leidraad het paard is komen te overlijden. Naar het oordeel van het college heeft beklaagde voldoende onderzoek verricht om de diagnose vast te stellen. Gelet op de patiëntverslaglegging en de toelichting van beklaagde ter zitting. heeft het college er geen twijfel over dat de conservatieve behandeling naar behoren is uitgevoerd. Klaagster heeft geen deskundigenverklaring overgelegd die zou kunnen leiden tot een andere conclusie. De inhoud van de pleitnota van de gemachtigde van klaagster wordt door het college niet als zodanig gezien.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst - Mak, drs. A.C.M. van Heuven - van Kats en dr. Y. Elte en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.