ECLI:NL:TDIVTC:2026:17 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/24 VTC 2024/37 VTC 2024/38
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:17 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-01-2026 |
| Datum publicatie: | 01-09-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Klachten waarbij drie dierenartsen wordt verweten, samengevat, met betrekking tot een Labrador Retriever te zijn tekortgeschoten in hun onderzoek, diagnosestelling, behandeling, medicatieverstrekking en informatievoorziening. [Klachten ongegrond.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaken van
[naam], klaagster,
tegen
de dierenartsen [naam], beklaagde 1, zaak 2024/24
[naam], beklaagde 2, zaak 2024/37
[naam], beklaagde 3, zaak 2024/38.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft in de zaken kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. Gelet op de onderlinge samenhang tussen de zaken heeft de mondelinge behandeling gelijktijdig plaatsgevonden op 31 juli 2025. Klaagster en beklaagde 1 waren aanwezig. Beklaagden 2 en 3 hebben zich voor de zitting afgemeld. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHTEN
Het college heeft ter zitting in afstemming met klaagster, de klachten als volgt samengevat;
Dierenarts [naam], beklaagde 1, wordt verweten dat zij;
1. een verkeerde diagnose heeft gesteld;
2. een onjuiste behandeling heeft verricht (onnodige en foutieve operatietechnieken);
3. onvoldoende onderzoek heeft gedaan;
4. medicatie heeft afgegeven zonder de hond te zien; en
5. meerdere keren onjuiste informatie heeft gegeven.
Dierenarts [naam], beklaagde 2, wordt verweten dat zij;
1. de verkeerde diagnose heeft gesteld door een onvolledig of niet goed uitgevoerde echo;
2. een onjuiste behandeling heeft ingezet (verkeerde medicatie voorgeschreven); en
3. onvoldoende onderzoek heeft gedaan.
Dierenarts [naam], beklaagde 3, wordt verweten dat hij;
1. samen met zijn collega’s een verkeerd behandelplan heeft opgesteld;
2. het patiëntendossier niet heeft willen verstrekken; en
3. een onjuiste behandeling heeft verricht (wondverzorging).
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster met de naam [naam hond] (hierna: de hond), een Labrador Retriever (teef), 9 jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze tuchtprocedures hebben geleid.
3.2. Op zaterdag 4 november 2023 is klaagster, die al jarenlang de praktijk van beklaagden bezocht met diverse honden, met de hond op consult geweest bij beklaagde 1. Klaagster gaf aan dat de hond niet wilde eten, braakte en haarzelf niet leek, waarbij zij zelf dacht aan schijndracht. Beklaagde 1 heeft de hond klinisch onderzocht. Daaruit kwamen geen bijzonderheden. Zij is uitgegaan van een buikgriep en heeft hiervoor Prevomax en een ontstekingsremmer per injectie toegediend. Voor de zekerheid is in verband met de buikklachten tevens een antibioticumkuur (Stomorgyl-20) voorgeschreven. Daarmee zou ook een eventuele baarmoederontsteking kunnen worden tegengegaan.
3.3. Op maandag 6 november 2023 is klaagster wederom voor een consult naar de praktijk gekomen, omdat de hond niet wilde eten, sloom was en weinig dronk en plaste. Beklaagde 2 heeft een klinisch onderzoek verricht waarbij enkel lichte gevoeligheid van de buik is geconstateerd. Er was geen sprake van uitvloeiing uit de vulva, het melklierpakket was minimaal opgezet met een klein beetje melkproductie. De schijndracht was niet ernstig genoeg om de klachten te verklaren. Zij heeft vervolgens een echografisch onderzoek verricht om de baarmoeder in beeld te brengen en daarbij als enig zichtbare afwijking een massa in de baarmoeder aangetroffen. Er werd gedacht aan endometritis of een tumor. Vervolgens is een bloedonderzoek gedaan. Hierna heeft zij aan klaagster geadviseerd de afwijkende baarmoeder zo snel mogelijk te laten verwijderen.
3.4. Op dinsdag 7 november 2023 heeft beklaagde 1 de baarmoeder van de hond operatief verwijderd. Tijdens de operatie werd de massa gesignaleerd en kleine cystes op beide hoornen van de baarmoeder. De hond heeft pijnstillende medicatie toegediend gekregen en nogmaals Prevomax. Tevens is nogmaals Stormogyl-20 voorgeschreven voor vier dagen. Bij de recovery bleek de hond diarree te hebben en is Diarstop voorgeschreven. Klaagster is bijgepraat over de operatie en heeft de verwijderde baarmoeder met het gezwel gezien. Een advies om de verwijderde baarmoeder voor pathologisch onderzoek in te sturen is door klaagster afgewezen.
3.5. Op woensdag 8 november 2023 heeft klaagster contact opgenomen met de praktijk omdat het nog niet beter ging met de hond, die problemen had met eten, drinken en braakte waardoor ze de medicatie niet binnen hield. In overleg met beklaagde 3 is afgesproken dat de hond naar de praktijk zou worden gebracht voor een dagopname. Beklaagde 1 was die dag in beginsel de behandelend dierenarts en heeft de hond onderzocht en aan een infuus gelegd. Zij had die dag echter ook spreekuur en andere afspraken. Gedurende de dag hebben beklaagde 1 en beklaagde 3 overleg gehad over de behandeling. De hond heeft een injectie Prevomax, een injectie Metomotyl, een injectie met een ontstekingsremmer en een vitamine B-complex toegediend gekregen. Bij ontslag uit de praktijk heeft klaagster ter maagbescherming zakjes Sucralfaat granules mee gekregen en Zitac Vet 100 mg. Tevens zijn vier injecties ontstekingsremmende medicatie, vier injecties antibiotica en twee injecties Prevomax tegen de misselijkheid aan klaagster meegegeven.
3.6. Op donderdag 9 november 2023 heeft klaagster uit eigen beweging de hond naar een bevriende dierenarts in [het buitenland] gebracht, waar de hond klinisch is onderzocht. Klaagster stelt dat deze dierenarts constateerde dat de hond een opgezette buik had die pijnlijk was bij palpatie. Er zijn röntgenfoto’s en CT-scan gemaakt die zijn beoordeeld door een externe radioloog. Deze radioloog heeft geen ileusbeeld waargenomen. Vervolgens heeft de hond een buikoperatie ondergaan, om te achterhalen wat de oorzaak van de ziekteverschijnselen was. Klaagster heeft gesteld dat de dierenarts bij de operatie erg geïnfecteerde darmen aantrof die volledig open stonden en een grote volledige vergroeide obstructie (ileus) met een forse hoeveelheid ontlasting erin. Ze stelt dat de dierenarts haar heeft verteld dat de afsluiting zeker al een week of langer aanwezig moet zijn geweest.
3.7. Op vrijdag 10 november 2023 heeft klaagster met de praktijk gebeld om aan te geven dat de hond in [het buitenland] was geopereerd en op maandag 13 november 2023 heeft zij met beklaagde 3, tevens praktijkeigenaar, een gesprek gehad. Op 16 november 2023 is de hond overleden in de kliniek van de dierenarts in [het buitenland]. Er is geen sectie verricht.
3.8. Eind december heeft klaagster gesproken met beklaagde 1 en 2, maar dit heeft de bij haar bestaande onvrede niet kunnen wegnemen. In februari 2024 heeft klaagster de onderhavige klachten ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op die verweren zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagden zijn tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of hij of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.
5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagden, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
Inhoudelijk
Met betrekking tot dierenarts [naam], beklaagde 1
5.4. Klacht 1. Voor wat betreft de diagnosestelling tijdens het consult op 4 november 2023 heeft beklaagde voldoende aannemelijk gemaakt dat er nog geen sprake was van een definitieve, maar van een waarschijnlijkheidsdiagnose en dat zij daar naar heeft gehandeld. Dat zij als eerste stap een symptomatische behandeling heeft ingesteld op basis van een mogelijke gastro-enteritis acht het college op grond van de ziekteverschijnselen verdedigbaar. Wanneer de ingestelde medicamenteuze behandeling geen effect zou sorteren, kon het behandelplan worden bijgesteld. Beklaagde heeft ter zitting toegelicht het antibioticum Stomorgyl te hebben ingezet voor het maagdarmkanaal en dat deze medicatie zijdelings tevens effectief kon zijn voor zover er toch in de richting van een baarmoederontsteking moest worden gedacht. Ook is aangegeven contact op te nemen als de hond zou blijven braken, ondanks het gebruik van Prevomax. Het college deelt het standpunt van beklaagde 1 dat er toen nog geen directe aanleiding was voor nader onderzoek. Deze klacht is ongegrond.
5.5. Klacht 2. Behalve dat de daags erop genomen beslissing tot het operatief verwijderen van de baarmoeder in samenspraak met dierenarts [naam], beklaagde 2, is genomen, valt te begrijpen dat het operatief verwijderen van de baarmoeder als geïndiceerd werd gezien, gelet op de via echografisch onderzoek ontdekte afwijkende baarmoeder. Ter zitting heeft beklaagde 1 verder gedetailleerd toegelicht hoe zij de operatie heeft uitgevoerd en welke technieken daarbij zijn gebruikt. Gelet op het in het geding gebrachte fotomateriaal en het besprokene ter zitting kan door het college slechts worden vastgesteld dat zij daarbij één kleine missnede heeft gemaakt. Dit is naar het oordeel van het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar geweest en heeft geen invloed gehad op de verdere operatie. Het college is van oordeel dat de klachten betrekking hebbend op de beslissing tot opereren, de operatie en de postoperatieve nazorg niet kunnen slagen.
5.6. Klacht 3. Dit betreft met name het onvoldoende doorpakken of een te afwachtend aangenomen houding gedurende de opname op de praktijk op 8 november 2023, de dag na de operatie. Voor zover de klacht betrekking zou hebben op het niet beoordelen van het darmpakket, heeft beklaagde 1 ter zitting beschreven hoe zij een dag eerder tijdens de baarmoederoperatie ook de darmen uit het lichaam van de hond heeft gehaald en in zijn geheel bevoeld heeft en dat ook de maag is beoordeeld. Daarbij zijn geen onregelmatigheden ontdekt. Deze verklaring is in lijn met de bevindingen van de nadien betrokken radioloog. Naar het oordeel van het college is verder niet onlogisch en verdedigbaar geweest dat werd vermoed dat de terugval op 8 november verband hield met het nog onvoldoende hersteld zijn van de operatie een dag eerder en het de ‘naweeën’ waren van die operatie en de narcose en mogelijk enteritis. De hond had postoperatief diarree gekregen en weinig eetlust, reden waarom er licht verteerbaar voedsel is voorgeschreven en er is besloten de medicatie per injectie toen te dienen om er zeker van te zijn dat deze daadwerkelijk zou kunnen inwerken. Voor zover nog is geklaagd over het feit dat tijdens de opname de hond onnodig dwangmatig zou zijn gevoerd, is voldoende aannemelijk gemaakt dat aan de hond, die geen eetlust had, enkel wat recovery worst is gevoerd op de tong, die de hond zelfstandig doorslikte en niet uitspuugde. Gedurende de opname knapte de hond op en was ze er volgens beklaagden bij haar ontslag fitter en veel beter aan toe (ze liep goed en was vrolijk) dan bij aankomst op de praktijk die dag. Verder gaf klaagster er na de dagopname zelf de voorkeur aan om de hond mee naar huis te nemen en comfortabel te houden in de veilige thuisomgeving, wat overigens mede lijkt te zijn ingegeven doordat er op de praktijk geen (begeleide) nachtopvang was. De praktijk beschikte verder niet over een CT-scan en klaagster heeft in een gesprek met beklaagde 1 aangegeven eventueel naar een andere dierenarts te gaan die deze mogelijkheid wel had, waar beklaagde 1 achter kon staan. De behandeling gedurende de dagopname is in de gegeven omstandigheden aanvaardbaar geweest. Deze klacht wordt ongegrond verklaard.
5.7. Klacht 4. De klacht betreft het afgeven van medicatie zonder de hond te zien. Het college begrijpt dat deze klacht ziet op de ochtend van 8 november 2023, toen klaagster telefonisch meldde dat het nog niet beter met de hond ging, waarbij volgens haar werd aangeboden dat zij een injectie antibraakmiddel kon afhalen. Uiteindelijk heeft klaagster later die dag de hond naar de praktijk gebracht voor opname en heeft beklaagde 1 de hond gezien voordat er medicatie is ingezet. Deze feiten staan niet ter discussie. Deze klacht is ongegrond.
5.8. Klacht 5. Beklaagde 1 heeft gemotiveerd weersproken dat zij onjuiste informatie heeft gegeven over de medische situatie en de behandeling van de hond. Gelet hierop en zonder aanvullende bewijs van de zijde van klaagster, kan de klacht op dit punt niet gegrond verklaard worden. Waar het de verstrekte medicatie betreft heeft beklaagde 1 toegelicht dat deze op 8 november 2023 door beklaagde 3 is voorgeschreven, maar dat haar naam op de sticker van de verpakking is vermeld, omdat de collega’s in het administratiesysteem hun notities hebben gemaakt en daarbij verder zijn gegaan in het bestaande consult, waardoor zij als de behandelend dierenarts vermeld is blijven staan. Het systeem plaatst dan automatisch haar naam op het etiket, net zolang totdat er een nieuw consult in het systeem wordt aangemaakt. Dit betekent dus nog niet dat zij zelf die medicatie heeft verstrekt. Het college acht deze verklaring geloofwaardig. Klacht 5 is ongegrond.
5.9. Samenvattend worden de klachten tegen beklaagde 1 ongegrond verklaard.
Met betrekking tot dierenarts [naam], beklaagde 2
5.10. Klacht 1. Het college stelt vast dat door beklaagde 2 bij het echografisch onderzoek op 7 november 2023 is geconstateerd dat er sprake was van een afwijkende linker baarmoederhoorn met een erg verdikte wand, zonder dat er vocht in de baarmoeder zat. Overigens bleek uit de echo ook dat de dunne en dikke darm er niet afwijkend uitzagen. Het ontbreekt aan bewijs om vast te kunnen stellen dat waar de hond uiteindelijk aan overleden is -naar klaagster heeft gesteld aan de gevolgen van een darmobstructie- door beklaagde is gemist bij haar echo-onderzoek. Op basis van de CT-scan en de röntgenfoto die enkele dagen later in [het buitenland] zijn gemaakt en zijn beoordeeld door een radioloog is geen ileusbeeld geconstateerd, wat impliceert dat dit ook eerder niet te zien is geweest. Daarmee kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is geweest van een incorrect uitgevoerd echo-onderzoek. Het college acht deze klacht ongegrond. Dat de baarmoeder achteraf bezien mogelijk niet alle klachten heeft veroorzaakt doet hier niet aan af.
5.11. Klacht 2. Beklaagde wordt verweten dat zij op de dag voor de operatie het gebruik van Stormogyl-20 niet heeft beëindigd, nu dit antibioticum volgens klaagster niet geschikt is bij een baarmoederontsteking. Beklaagde 1 heeft ter zitting echter benadrukt dat de medicatie is voorgeschreven voor het maag/darmkanaal. Hierdoor was er geen reden deze medicatie voortijdig af te breken. Het college kan deze redenering volgen. Meer algemeen geldt dat de medicatie die gedurende het behandeltraject is ingezet op zichzelf passend was bij wat op dat moment aan ziekteverschijnselen is waargenomen en is ook niet gebleken dat er met betrekking tot de doseringen niet binnen de geldende marges is gehandeld. Deze klacht wordt ongegrond verklaard.
5.12. Klacht 3 betreft het onvoldoende onderzoek doen, nadat het eerste bloedonderzoek enkele meetfouten aangaf. Klaagster stelt zich op het standpunt dat het hele onderzoek opnieuw had moeten worden gedaan. Beklaagde 2 heeft toegelicht dat zij de gebleken meetfouten met betrekking tot de hemoglobine, MCH en RDW heeft geïnterpreteerd als een artefact op de hemoglobine, wat vaker voorkomt. De elektrolyten gaven een hoog kalium aan en geen natrium waarde. Zij heeft daarom een deel van het onderzoek herhaald. De herhaalde onderzoeksresultaten bleken binnen de referentiewaardes te liggen. In combinatie met de klinische en radiologische bevindingen mocht beklaagde hiermee naar het oordeel van het college op dat moment volstaan. Deze klacht wordt ongegrond verklaard.
5.13. Samenvattend oordeelt het college de klachten tegen beklaagde 2 ongegrond.
Met betrekking tot dierenarts [naam], beklaagde 3
5.14. Klacht 1 betreft het in samenspraak met collega’s opstellen van het behandelplan. Zoals uit het voorgaande blijkt is het behandelplan met name door beklaagde 1 en 2 opgesteld, waarbij beklaagde 3 heeft aangegeven zich daarin te kunnen vinden. Het verwijderen van de baarmoeder is overigens een standaardbehandeling bij de diagnostische bevindingen die uit het echografisch onderzoek naar voren zijn gekomen.
5.15. Klacht 2 betreft het niet willen verstrekken van het patiëntendossier. Dit betreft geen veterinaire handeling en is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
5.16. Klacht 3. Onjuiste behandeling. Het college stelt vast dat ter zitting een ander verhaal naar voren is gekomen dan eerder in de stukken beschreven. Beklaagde 3 heeft schriftelijk aangegeven dat de hond tijdens de dagopname op 8 november 2023 onder zijn aandacht is gebracht en dat hij heeft vastgesteld dat de buikwond er goed uitzag, dat de ingezette behandeling met medicatie effect had, dat het klinisch beter met de hond ging en dat er geen reden was voor interventie van zijn kant. Hij stelt die dag betrokken te zijn geweest, maar geen feitelijke medische handelingen bij de hond te hebben verricht. Ter zitting heeft beklaagde 1 verklaard dat beklaagde 3 de medicatie op 8 november 2023 heeft voorgeschreven, omdat zij op dat moment spreekuur had. Voor zover de klacht betreft dat er geen bijsluiter bij de medicatie zat, is door het college niet vast te stellen door wie dit is nagelaten en kan dit ook een assistente zijn geweest. Hoewel het niet juist is om medicatie zonder bijsluiter af te geven, is niet duidelijk geworden of beklaagde 3 dit heeft nagelaten en hiervoor verantwoordelijk is geweest. Deze klacht wordt ongegrond verklaard.
5.17. Samenvattend oordeelt het college ook de klachten tegen beklaagde 3 ongegrond.
6. DE BESLISSING
Het college:
In de zaken met de nummers 2024/24, 2024/37 en 2024/38:
verklaart de klachten ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst Mak, drs. A.C.M. van Heuven- Van Kats en dr. Y. Elte en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.