ECLI:NL:TDIVTC:2026:16 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/22 VTC 2024/36
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:16 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-01-2026 |
| Datum publicatie: | 01-09-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Klachten tegen een paraveterinair en een dierenarts. De paraveterinair wordt verweten dat zij de pup van klaagster onjuist heeft vastgehouden met verstikking en de dood tot gevolg. De dierenarts wordt verweten verantwoordelijk te zijn voor de verstikking en het overlijden van de pup en een verkeerde diagnose te hebben gesteld. [Klachten ongegrond]. |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaken van
[naam] klager,
tegen
paraveterinair [naam] beklaagde 1, zaaknr. 2024/22
dierenarts [naam] beklaagde 2, zaaknr. 2024/36
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft in de zaken kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. Vanwege de onderlinge samenhang tussen de zaken heeft de mondelinge behandeling gelijktijdig plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Namens klager waren aanwezig [naam partner] (verder: klaagster), [naam medestander 1] en [naam medestander 2]. Beklaagden waren eveneens aanwezig. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHTEN
Het college heeft ter zitting in afstemming met klaagster, de klachten als volgt samengevat;
Paraveterinair, beklaagde 1, wordt verweten dat zij;
1. de pup zodanig vasthield dat deze verstikte met de dood tot gevolg;
Dierenarts, beklaagde 2, wordt verweten dat hij;
1. verantwoordelijk is voor de verstikking van de pup met de dood tot gevolg; en
2. de verkeerde diagnose heeft gesteld.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de pup van klager met de naam [naam hond] (hierna: de pup), een Nova Scottia Duck Tolling Retriever (teef), die bijna 11 weken jaar oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze tuchtprocedures hebben geleid.
3.2. Op maandag 4 september 2023 heeft klager de pup, die hij en zijn familie op dat moment nog maar twee weken in hun bezit hadden, naar de praktijk van beklaagden gebracht voor de vaccinaties. De dierenarts heeft een klinisch onderzoek verricht. Daarbij wilde de dierenarts ook de oren controleren op mogelijke oormijt. De pup wilde echter niet stil zitten op de behandeltafel. Daarom heeft de dierenarts aan de paraveterinair gevraagd om de pup vast te houden. Dat vond de pup niet aangenaam. De controle duurde ongeveer 10 seconden. Er was geen oormijt te zien. De pup werd vervolgens op de grond gezet om bij te komen en liep enkele minuten rond van de spreekkamer naar de wachtkamer, waar ze onder de bank kroop. De vaccinaties waren toen nog niet toegediend.
3.3. Omdat de pup erg sloom leek en wat leek te hijgen, is ze opgepakt en weer op de behandeltafel gezet voor nader onderzoek. De dierenarts constateerde dat de pup een blauwe tong had en slapjes aanvoelde en heeft besloten zuurstof toe te dienen. Samen met de paraveterinair heeft de dierenarts de pup aan de zuurstofgenerator gelegd met een kapje. Toen de situatie niet verbeterde is de pup geïntubeerd. Ook heeft de dierenarts een injectie met corticosteroïden toegediend.
3.4. De pup is vervolgens ruim 5 uur op de praktijk gebleven in een ruimte aangrenzend aan de spreekkamer, waar de pup is gemonitord en de vitale functies regelmatig zijn gecontroleerd. Ook zijn enkele keren de longen leeg geklopt. Klager en zijn partner zijn afwisselend bij de pup gebleven. De dierenarts heeft meerdere keren aangegeven dat het slecht ging met de pup. Op enig moment trad een verdere verslechtering op. De dierenarts dacht dat de pup dood zou gaan en heeft adrenaline toegediend. Dit heeft niet mogen baten. Kort hierna is de pup overleden.
3.5. Ter zitting is toegelicht dat de kliniek niet beschikt over ECG-apparatuur of een warmtemat. Klaagster stelt dat de pup in een zuurstofkooitje heeft gelegen, maar beklaagden hebben aangegeven dit niet meer te weten.
3.6. De dierenarts vermoedde dat de dood mogelijk was veroorzaakt door een longbloeding. In overleg is de pup voor sectie naar het Veterinair Pathologisch Diagnostisch Centrum in [plaatsnaam] gestuurd. De conclusie van de patholoog luidt: “Een juveniele vrouwelijke hond met een geringe, subacute alveolitis in de longen. De oorzaak en de klinisch relevantie hiervan is niet duidelijk. De afwijkingen lijken te mild om tot acute hypoxie en de dood te hebben geleid. De precieze doodsoorzaak is derhalve niet duidelijk. Er zijn geen aanwijzingen voor trauma of verstikking waargenomen.”.
3.7. Klager heeft beklaagden schriftelijk laten weten hen verantwoordelijk te houden voor het overlijden van de pup. Een toelichting van de dierenarts heeft hierin geen verandering gebracht. Begin februari 2024 zijn de onderhavige klachten ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op die verweren zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagden zijn tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts en als paraveterinair hadden behoren te betrachten ten opzichte van de pup van klager, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts althans de paraveterinair beter had gekund, maar of hij of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.
5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare informatie door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagden, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
Met betrekking tot de paraveterinair
5.4. Klager stelt dat de paraveterinair de pup dusdanig hardhandig in een houdgreep hield dat de pup is verstikt met de dood tot gevolg. De paraveterinair heeft ter zitting beschreven hoe zij de pup heeft gefixeerd. Naar het oordeel van het college is dit een gangbare en op zichzelf verantwoorde manier van vasthouden geweest en heeft zij voldoende zorgvuldigheid betracht. Het college weegt verder mee dat de hond slechts zeer korte tijd is gefixeerd, dat de pup na de fixatie nog heeft rondgelopen en nog 5,5 uur heeft geleefd. Indien sprake zou zijn geweest van een traumatische fixatie, dan zou dit bij de sectie naar voren zijn gekomen. De patholoog heeft in het sectierapport duidelijk aangegeven dat er geen aanwijzingen voor een trauma of verstikking waren. Dit brengt mee dat er geen oorzakelijk verband is aangetoond tussen de dood van de pup en de wijze waarop ze is vastgehouden door de paraveterinair. De klacht tegen de paraveterinair wordt ongegrond verklaard.
Met betrekking tot de dierenarts
5.5. Klager stelt zich op het standpunt dat de dierenarts medeverantwoordelijk is voor de verstikking van de pup door de verkeerde handelwijze van de paraveterinair. Los van de vraag of de dierenarts hiervoor verantwoordelijk kan worden gehouden, is hiervoor reeds geoordeeld dat niet is gebleken dat het fixeren door de paraveterinair op een onverantwoorde manier is gebeurd, zodat er geen aanleiding was voor de dierenarts om in te grijpen. Daarmee is de grondslag met betrekking tot dit klachtonderdeel voor de dierenarts komen te vervallen.
Het college heeft verder geen aanmerkingen op de verleende zorg nadat het slechter ging met de pup.
5.6. De tweede klacht betreft het stellen van de verkeerde diagnose. Het college begrijpt dat klager hiermee doelt op het vermoeden dat de dierenarts heeft uitgesproken nadat de pup was overleden, waarbij hij dacht aan een longbloeding. Dit betreft dus niet een diagnose maar een geuit vermoeden en is als zodanig niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ter zitting heeft de dierenarts toegelicht dat gesproken is over sectie om de doodsoorzaak vast te stellen, juist omdat daarover geen duidelijkheid bestond. Het college acht deze klacht ongegrond.
5.7. Voor wat betreft het niet opmaken van een patiëntenkaart heeft de dierenarts ter zitting toegelicht dat hij er niet meer aan toegekomen is vanwege de drukte op die dag en hij het achteraf opstellen niet zinvol was omdat de pup al was overleden. Het college heeft in meerdere tuchtuitspraken het belang van een patiëntenkaart onderstreept. Een patiëntenkaart dient overigens met name als geheugensteun voor de dierenarts zelf of voor opvolgend dierenartsen. Strikt genomen bestaat er echter geen wettelijk vastgelegde plicht tot het opmaken van een patiëntenkaart. Nu in dit geval niet is gebleken van het bewust willen achterhouden van feiten en het ontbreken van verslaglegging hier ook geen consequenties meer heeft gehad voor de pup zelf, ziet het college in dit specifieke geval onvoldoende aanleiding om beklaagde hier tuchtrechtelijk voor te moeten sanctioneren. Het college benadrukt daarbij wel dat sterk wordt aanbevolen en ook gebruikelijk is om, ook als zich een situatie zoals hier heeft voorgedaan, een patiëntenkaart of andere vorm van verslaglegging op te maken.
5.8. Samenvattend acht het college ook de klacht tegen de dierenarts ongegrond.
6. DE BESLISSING
Het college:
In de zaken met de nummers 2024/22 en 2024/36:
verklaart de klachten ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst (enkel in de zaak met betrekking tot de dierenarts), drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats, drs. J.W.J. Nienhuis-Koppes en mw. J.E.G.J. Mullink-Koffrie (enkel in de zaak met betrekking tot de paraveterinair) en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.