ECLI:NL:TDIVTC:2026:15 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/89

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:15
Datum uitspraak: 22-01-2026
Datum publicatie: 01-09-2026
Zaaknummer(s): VTC 2024/89
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Hond. Klacht ziet op een door een dierenarts vermeend onjuist uitgevoerde euthanasie van een hond. [Klacht ongegrond.]

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam],                                                                      klaagster,

tegen

dierenarts [naam],                                                   beklaagde.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2025. Beide partijen zijn verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten met betrekking tot de hond van klaagster in haar behandeling te zijn tekortgeschoten door een onjuist uitgevoerde euthanasie.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Berner Sennen (reu) met de naam [naam hond] (hierna; de hond), 7 jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2. Op donderdag 10 juli 2024 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met de kliniek van beklaagde voor het maken van een afspraak. De hond had aanhoudende diarree en er was sprake van gewichtsverlies. Klaagster had een voorkeur voor haar vaste dierenarts, wat niet mogelijk bleek, maar gelet op de ernst van de klachten is voor de volgende dag een afspraak ingepland van 15 minuten voor controle en overleg. Klaagster stelt dat zij bij het maken van de afspraak reeds euthanasie aan de orde heeft gesteld. 

3.3. Die volgende dag is klaagster met haar hond op het spreekuur geweest van beklaagde, die als invaller werkzaam was op de kliniek. Klaagster gaf aan dat de hond niet meer at, regelmatig diarree had en in een week tijd 2,5 kilogram was afgevallen. Beklaagde heeft een klinisch onderzoek verricht. De hond woog 40,8 kilo en was daarmee 8 kilo afgevallen sinds het laatst bekende gewicht uit juli 2023. De hond had verder een Body Condition Score van 2/9 en een Muscle Condition Score van 3-4/4. Beklaagde heeft twee opties voorgesteld: verdere diagnostiek zoals een echo en een bloedonderzoek (een tumor stond hoog op de DDX-lijst) of euthanasie. Klaagster koos voor het laatste. Besloten werd de euthanasie direct uit te voeren.

3.4. In de spreekkamer heeft beklaagde bij de hond per injectie intramusculair Zoletil toegediend en vervolgens een braunule in de voorpoot geplaatst. Klaagster wilde de hond na de euthanasie mee naar huis nemen en daarom is besloten het euthanasiemiddel in de auto van klaagster toe te dienen. Klaagster en beklaagde hebben de hond naar de auto gebracht en in de achterbak getild. Vervolgens heeft beklaagde 10 ml Euthasol toegediend via de braunule. Na het toedienen ervan gooide de hond zijn kop in de  lucht in en jankte eenmalig. Vervolgens zakte de hond in. Beklaagde heeft vastgesteld dat de hond was overleden.

3.5. Een week later heeft klaagster per e-mail aan beklaagde laten weten dat zij niet tevreden was over hoe het euthanasieproces was verlopen. Beklaagde heeft hierop gereageerd. Begin oktober 2024 heeft klaagster de onderhavige klacht ingediend.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

5.4. Klaagster stelt dat zij op het moment van het maken van de afspraak al had aangegeven dat zij een consult wilde voor een euthanasie. Beklaagde was hier ten tijde van het bewuste consult niet van op de hoogte en heeft hierover in haar verweer gesteld dat voor euthanasie van een dier normaalgesproken 30 minuten wordt ingepland en dat in dit geval slechts 15 minuten waren gereserveerd. Het college kan niet vaststellen of het beklaagde te verwijten valt dat er weinig tijd beschikbaar was voor de euthanasie. Tevens stelt het college vast dat klaagster blijkens haar eigen stellingen voorbereid was op de euthanasie van de hond, zodat de beoordeling zich beperkt tot de wijze waarop de euthanasie is uitgevoerd.

5.5. Beklaagde heeft ter zitting toegelicht dat de toegediende Zoletil (REG NL 115916) een pre-narcosemiddel is en geen slaapmiddel. Het middel zorgt ervoor dat niet alleen de braunule pijnloos geplaatst kan worden, maar heeft ook de bedoeling om ervoor te zorgen dat het te euthanaseren dier in het verdere proces geen pijn zal ervaren. Beklaagde heeft toegelicht dat dieren er slaperig van kunnen worden, maar dat de pre-narcose niet bedoeld is om in slaap (dus volledig buiten bewustzijn) te komen. Het college stelt vast dat beklaagde in lijn heeft gehandeld met de bijsluiter van het middel Euthasol (REG NL 119241). Volgens de bijsluiter hoeft er geen premedicatie gegeven te worden indien het middel, zoals hier bij de hond, intraveneus wordt toegediend. Overigens is onduidelijk gebleven of de hond daadwerkelijk pijn heeft geleden. De bijwerkingen zoals die zich hebben voorgedaan -opwinding in de vorm van de kop omhoog gooien en een jankgeluid-  zijn geen onbekende, maar zeldzame bijwerkingen bij euthanasie, die zich kunnen voordoen zonder dat daar per definitie verwijtbaar onjuist handelen van de dierenarts aan ten grondslag hoeft te liggen. Er kan voor meer sedatie worden gekozen om de kans op bijwerkingen zoals vocaliseren te verminderen. Beklaagde heeft ter zitting aangegeven dat zij in het vervolg hoger zal doseren. Als voor de door beklaagde toegepaste euthanasiewijze wordt gekozen, is het overigens wel van belang aan de eigenaar te laten weten dat het dier niet eerst volledig buiten bewustzijn raakt. Klaagster had verwacht dat de tweede injectie gegeven zou worden nadat de hond volledig slapende zou zijn.

5.6. Het college merkt op dat in deze casus is gebleken hoe belangrijk de communicatie vooraf is, om de verwachtingen van de eigenaar met betrekking tot de euthanasie te managen. Voor het college geeft echter de doorslag dat, hoewel de euthanasie op een andere manier misschien mooier was verlopen, beklaagde niet foutief heeft gehandeld. De klacht wordt ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst Mak, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats en drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.