ECLI:NL:TDIVTC:2026:13 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/55

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:13
Datum uitspraak: 26-01-2026
Datum publicatie: 01-09-2026
Zaaknummer(s): VTC 2024/55
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Gegrond met boete
Inhoudsindicatie: Hond. Dierenarts wordt verweten bij de invulling en afgifte van een dierenpaspoort voor een door klager aangekochte pup nalatig te hebben gehandeld. Klacht gegrond. Volgt geldboete van € 2.000, waarvan € 1.500 voorwaardelijk. (Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld).

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam],                                                                      klager,

tegen

dierenarts [naam],                                                    beklaagde.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 juli 2025. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mw. [naam], de moeder van klager. Beklaagde is zonder voorafgaande afmelding niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt, in hoofdzaak en samengevat, verweten bij de invulling en afgifte van een dierenpaspoort voor een door klager aangekochte pup niet overeenkomstig de zorgvuldige beroepsuitoefening te hebben gehandeld.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om een Toy poedel (teef) (hierna; de pup), die iets meer dan drie maanden oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.

3.2. Twee à drie weken voor de aankoop van de pup hadden klager en de verkoopster volgens klager telefonisch afgesproken dat hij eerst naar de pup zou komen kijken en dat hij de pup na aankoop vervolgens na zijn tweeweekse vakantie zou komen ophalen. Klager heeft foto’s van de pup toegestuurd gekregen. Hij stelt dat hem was verzekerd dat het een in Nederland geboren pup betrof. Volgens klager heeft de verkoopster de gemaakte afspraak telefonisch gewijzigd en hem kenbaar gemaakt dat het enkel mogelijk was de pup direct bij het eerste bezoek mee te nemen, omdat ze naar [plaatsnaam] zou verhuizen. Het dierenpaspoort van de pup zou later volgen vanwege ontbrekende vaccinaties.

3.3. Op 8 maart 2024 heeft beklaagde de pup op verzoek en op kosten van de verkoopster klinisch onderzocht, waarbij een kleine onderbeet is geconstateerd. Deze onderbeet is niet vermeld in het paspoort. Volgens het paspoort zijn de vaccinaties Nobivac DHP en Nobivac L4 aan de pup toegediend. Beklaagde heeft een chip ingebracht, een dierenpaspoort ingevuld en naar zijn zeggen de pup geregistreerd op het UBN (Uniek Bedrijfsnummer) van de verkoopster.

3.4. Op zaterdag 9 maart 2024 heeft klager, vergezeld van zijn moeder, de pup van de verkoopster gekocht, betaald en direct meegenomen. Er was volgens klager geen moederhond bij de verkoopster aanwezig. Op maandag 12 maart 2024 heeft de moeder van klager het dierenpaspoort van de pup ontvangen.

3.5. Vanwege de vakantie van klager heeft zijn moeder de zorg voor de pup op zich genomen en de pup op 28 maart 2024 naar de eigen dierenarts gebracht voor de herhaalvaccinaties. De eigen dierenarts stelde vast dat de hond een onderbeet had en dat de vaccinatiestickers in het dierenpaspoort niet overeenkwamen met de in het paspoort aangevinkte rondjes met betrekking tot de bijbehorende nummers van de vaccinaties.

3.6. Klager heeft de koopovereenkomst ontbonden en de hond op 10 april 2024 bij een nevenvestiging van de praktijk van beklaagde gebracht, waar de verkoopster de hond nadien heeft opgehaald. Ten tijde van de hoorzitting had klager nog geen terugbetaling van het aankoopbedrag van de verkoopster ontvangen.

3.7. Eind april 2024 is de onderhavige klacht ingediend. Ter zitting heeft de moeder van klager zich op het standpunt gesteld dat beklaagde meewerkt aan illegale hondenhandel en dat zij heeft gehoord dat de verkoopster regelmatig honden uit het buitenland haalt en dat beklaagde daarvan op de hoogte is.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klager, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, dan wel of hij op andere wijze is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

Inhoudelijk

5.4. Het college stelt voorop er ambtshalve mee bekend te zijn dat er inmiddels een nieuw Europees dierenpaspoort is geïntroduceerd, waarin de rubriek met betrekking tot de klinische onderzoeksbevindingen niet meer voorkomt. Dit omdat het tot dan gangbare Europees huisdierenpaspoort niet bleek te voldoen aan de EU-wetgeving en het Europees gezelschapsdierenpaspoort per saldo uitsluitend dient als officieel identificatie- en reisdocument[1]. De thans nog in omloop zijnde ‘oude’ paspoorten blijven echter geldig en het ‘oude’ model van het Europees huisdierenpaspoort mag nog steeds worden uitgegeven als dat voorradig is bij praktijken en leveranciers.[2] In casu is nog sprake van een ‘oud’ model van het Europese gezelschapsdierenpaspoort (format 528-NL-Letter gevolgd door 5 cijfers).

5.5. Klager verwijt beklaagde dat hij in het dierenpaspoort niet de geconstateerde onderbeet heeft vermeld. Beklaagde heeft in verweer aangevoerd dat het een minimale onderbeet betrof die hij in overleg met de verkoopster niet heeft vermeld in het paspoort, omdat er volgens de verkoopster niet gefokt zou worden met de pup. Beklaagde heeft in de rubriek ‘Klinisch onderzoek en controles’ bij alle onderdelen (ogen, oren, ogen, gebit, lymfeknopen, ademhaling, hart en spijsvertering) de hokjes met een 1 aangekruist, wat overeenkomt met ‘goed’, dus ook ten aanzien van het gebit van de pup. Er is verder niets genoteerd in het veld waarin opmerkingen naar aanleiding van het klinisch onderzoek kunnen worden vermeld.

5.6. Het college overweegt dat, als nog een (oud) Europees dierenpaspoort wordt opgemaakt en daarin klinische onderzoeksbevindingen worden vermeld, dan ook alle bij een gezondheidsbeoordeling geconstateerde relevante afwijkingen behoren te worden genoteerd. Een potentiële koper van het dier moet erop kunnen vertrouwen dat de bevindingen correct, volledig en naar waarheid zijn ingevuld. Deze verlaat zich immers op de deskundigheid en onafhankelijkheid van de dierenarts die de gezondheidsbeoordeling heeft gedaan. Ook de onderbeet, zoals deze uit de in het geding gebrachte foto blijkt, is in de visie van het college een dergelijke relevante afwijking c.q. bijzonderheid, ook al hoeft die niet per definitie van invloed te zijn op het welzijn en de gezondheid van het dier. Dit gold hier temeer nu beklaagde blijkens zijn verweer de pup niet geschikt achtte om mee te fokken, terwijl klager stelt dat hij dit juist wel wilde gaan doen. Dat beklaagde, zoals hij stelt, de afwijking wel mondeling heeft gemeld aan de verkoopster in de verwachting dat zij de (potentiële) koper op de hoogte zou stellen, biedt niet de garantie dat die informatie een koper ook daadwerkelijk bereikt. Het college acht dit onderdeel van de klacht gegrond.

5.7. Ten tijde van het consult bij beklaagde was de pup al enkele maanden oud, niet gevaccineerd en gechipt en had geen paspoort. Klager heeft toegelicht dat hij begrepen had dat beklaagde bij de verkoopster aan huis de pup had onderzocht, gechipt en gevaccineerd en eerst daarna het paspoort op de kliniek heeft ingevuld. Om die reden had de verkoopster op de dag van overdracht het paspoort nog niet ter beschikking. Ter zitting is verklaard dat de hond nog steeds niet is geregistreerd.

5.8. De regels met betrekking tot het chippen en registreren van honden zijn met ingang van 1 november 2021 verscherpt met als doel het tegengaan van illegale hondenfok en -handel. Het college verwijst naar de bijlage gehecht aan deze uitspraak, met daarin relevante regelgeving zoals geldend in de hier in het geding zijnde periode. De strengere regels eisen meer van dierenartsen bij de registratie van honden, met name van honden zonder een transponder, waarbij van een dierenarts wordt verwacht dat hij controleert of hij beschikt over alle gegevens die nodig zijn voor een correcte registratie.

5.9. In het paspoort is de geboortedatum van de pup, 28 november 2023, genoteerd. Dit brengt mee dat beklaagde, toen hij het paspoort van de hond opmaakte, wist althans had behoren te weten dat de pup gelet op die geboortedatum al op uiterlijk 20 januari 2024 gechipt en geregistreerd had moeten worden. Aangezien de pup niet tijdig was gevaccineerd en geregistreerd en beklaagde in zijn dupliek heeft gesteld dat het land van herkomst hem niet precies bekend was, had dit bij hem in ieder geval vraagtekens behoren op te roepen.  

5.10. Met betrekking tot het verwijt dat beklaagde heeft nagelaten hiervan melding te maken bij de NVWA, overweegt het college dat het aanbeveling verdient om in een situatie als hier aan de orde een dergelijke melding te doen, maar dat daartoe geen wettelijke verplichting bestaat. In de omstandigheid dat beklaagde dat in dit geval niet heeft gedaan, ziet het college onvoldoende aanleiding om hem dit in deze tuchtprocedure aan te rekenen.

5.11. Beklaagde heeft in zijn verweerschrift gesteld dat hij de hond heeft geregistreerd op het UBN van de verkoopster. Het college heeft het registratienummer gecontroleerd en vastgesteld dat de hond niet geregistreerd is. Hieruit volgt dat noch beklaagde, noch klager – die dit binnen twee weken na het verkrijgen van de pup had moeten doen –, noch de verkoopster – nadat zij de pup terug had ontvangen – de pup heeft geregistreerd.

5.12. Beklaagde is niet verantwoordelijk voor het handelen van klager en de verkoopster. Beklaagde is er wél verantwoordelijk voor dat hij voorafgaande aan het chippen van de hond verifieert of de verkoopster beschikt over een UBN met de vermelding van ‘diersoort Hond’. Zonder UBN met vermelding ‘diersoort Hond’ kan een pup niet gechipt en geregistreerd worden en kan dus ook geen paspoort uitgegeven worden. Beklaagde was wellicht bekend met het UBN van de verkoopster vanwege haar paarden, maar voor de ‘diersoort Hond’ is een aanvullende registratie op dat UBN noodzakelijk. Beklaagde had derhalve eerst het UBN van de verkoopster goed moeten verifiëren. De constatering door het college dat ten tijde van de zitting geen sprake was van registratie van de hond op het UBN van de verkoopster, impliceert dat beklaagde de pup niet heeft geregistreerd. Beklaagde heeft er geen bewijs van aangeleverd dat hij dit wel heeft gedaan. Terzijde overweegt het college dat het ontbreken van de registratie ook een gevolg zou kunnen zijn van een registratie die na controle is afgewezen. Daarnaast is  mogelijk dat beklaagde de medewerking van verkoopster – die had moeten zorgen voor de registratie van de ‘diersoort Hond’ op haar UBN – nodig had, maar niet heeft gekregen. Echter heeft beklaagde hierover in de stukken niets naar voren gebracht en is hij niet ter zitting verschenen om duidelijkheid te verschaffen over (het ontbreken van) de registratie van de pup. Dit komt voor zijn risico. Het college gaat ervan uit dat beklaagde niet voor de vereiste registratie heeft zorggedragen en rekent hem dit tuchtrechtelijk ernstig aan.

5.13. Beklaagde wordt voorts het toedienen van onjuiste vaccinaties dan wel het onjuist registreren van de vaccinaties verweten. Indien een dierenarts wordt geconfronteerd met een pup die nog niet de vaccinaties heeft gekregen die het dier gelet op zijn leeftijd al gekregen had moeten hebben, ligt het voor de hand dat de dierenarts een vaccinatieschema opstelt om ervoor te zorgen dat de pup alsnog de vaccinaties krijgt. Het college is van oordeel dat beklaagde in de gegeven situatie met het aangepaste schema geen vreemde of onjuiste keuze heeft gemaakt. Het is mogelijk om die reden dat beklaagde aan de verkoopster heeft aangegeven dat de vervolg-entingen bij hem konden worden verricht, waarvan de kosten overigens al door de verkoopster vooruit waren betaald. Het college acht verder niet aannemelijk dat er door beklaagde verkeerde vaccinaties zijn toegediend, indachtig de vaccinatiestickers in het paspoort. Wel is er een fout gemaakt bij het omcirkelen van de bijbehorende nummers van die vaccinaties. Dit is slordig geweest, maar niet zodanig verwijtbaar dat dit tuchtrechtelijk dient te worden gesanctioneerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat dit geen onderdeel is dat gelamineerd moet worden en nog kan worden gecorrigeerd. Dit klachtonderdeel wordt daarom ongegrond verklaard.

Slotsom

5.14. Op grond van het voorgaande wordt de klacht gegrond verklaard voor zover beklaagde de onderbeet van de hond niet in het hier gebruikte dierenpaspoort heeft vermeld en voor zover niet is aangetoond dat de pup, zoals beklaagde stelt, op de UBN van de verkoopster is geregistreerd. Dit tegen de achtergrond van de verscherpte regels met betrekking tot de registratie van honden sinds november 2021 en nu deze pup al te oud was voor de eerste vaccinaties, geen paspoort had, er klaarblijkelijk geen moederhond bekend was en de herkomst onduidelijk. Door de onzorgvuldige werkwijze van beklaagde wordt het risico geschapen dat daarmee wordt bijgedragen aan het faciliteren van eventuele illegale hondenhandel. Dat hiervan daadwerkelijk sprake is geweest is overigens niet bewezen. Het college acht na te melden maatregel passend en geboden.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht gegrond zoals omschreven onder 5.14;

legt beklaagde een geldboete op van € 2.000, waarvan € 1.500 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel c, juncto het vijfde en zesde lid, van de Wet dieren, waarbij de proefperiode ingaat vanaf de dag dat deze uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst Mak, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats en dr. Y Elte en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.

BIJLAGE

  • Ingevolge artikel 3.30, tweede lid, Besluit houders van dieren juncto artikel 2.9, vijfde lid, Besluit diergeneeskundigen kunnen uitsluitend dierenartsen een volledige registratie doen alsmede een identificatie van een hond die een houder overgedragen heeft gekregen zonder injecteerbare transponder of identificatiedocument of indien de hond voor het eerst in Nederland is gebracht;
  • Ingevolge artikel 3.31 Besluit houders van dieren is het een persoon niet toegestaan om een hond van een houder te verkrijgen zonder een transponder, een identificatiedocument en een registratie;
  • Ingevolge artikel 5b.43, eerste lid, onder a, Regeling houders van dieren dient een injecteerbare transponder bij een hond uiterlijk zeven weken na de geboorte te worden aangebracht
  • Ingevolge artikel 7.7 Regeling diergeneeskundigen geldt dat, voordat een injecteerbare transponder bij een hond wordt aangebracht, de houder van de hond zich met zijn registratienummer identificeert bij de aanbrenger van de injecteerbare transponder;
  • Ingevolge artikel 5b.73a Regeling houders van dieren registreert de dierenarts die een identificatiedocument voor een hond heeft afgegeven binnen twee werkdagen de gegevens in verband met de identificatie van de hond in het door de minister aangewezen elektronisch portaal;
  • Ingevolge artikel 5b.68b, tweede lid, Regeling houders van dieren worden bij de registratie, bedoeld in artikel 3.30, tweede lid, onder a, Besluit houders van dieren, de gegevens vermeld, bedoeld in 7.8 tweede en derde lid, Regeling diergeneeskundigen, te weten op basis van het tweede lid: a. de datum waarop de injecteerbare transponder is aangebracht; b. de identificatiecode van het dier; c. het nummer dat degene die de injecteerbare transponder heeft aangebracht heeft verkregen bij de registratie, bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van het Besluit houders van dieren; en d. het praktijkadres van degene die de injecteerbare transponder heeft aangebracht, en op basis van het derde lid: a. dat de registratie een hond betreft; en b. het registratienummer van de houder van de hond;
  • Ingevolge artikel 5b.68a, vierde lid, Regeling houders van dieren registreert de opvolgend houder binnen twee weken na de overdracht van de hond bij de minister via het elektronisch portaal: a. de naam en het adres van de houder;  b. de datum van overdracht, c. de identificatiecode van de hond en d. het registratienummer van de houder, voor zover verstrekt;
  • Artikel 5b.68b Regeling houders van dieren ziet op de registratie van een hond die is verkregen zonder injecteerbare transponder of identificatiedocument of de registratie van een geïmporteerde hond. Het derde lid verplicht de dierenarts de volgende gegevens te vermelden: a. de datum waarop de hond in Nederland is gebracht, b. de identificatiecode van de hond, c. het registratienummer van de houder, d. het nummer dat de dierenarts heeft verkregen bij de inschrijving in het register, e. het praktijkadres van de dierenarts, f. de identificatiecode van het identificatiedocument van de hond, h. het nummer van het gezondheidscertificaat, indien beschikbaar, en i. het land van herkomst van de hond.

[1] Verordening (EU) Nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 en de

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2013/577 van de Commissie.

[2] https://www.rvo.nl/onderwerpen/identificatie-en-registratie-honden/houders-van-honden