ECLI:NL:TDIVTC:2026:12 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/61
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:12 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-01-2026 |
| Datum publicatie: | 01-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | VTC 2024/61 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Dierenarts wordt verweten met betrekking tot een hond in haar onderzoek, diagnosestelling en behandeling te zijn tekortgeschoten. [Klacht ongegrond.] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam], klaagster,
tegen
dierenarts [naam], beklaagde.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Klaagster is verschenen met haar partner. Beklaagde is eveneens verschenen met haar gemachtigde, mr. T.A.M. van Oosterhout. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagde wordt verweten met betrekking tot de hond van klaagster in haar onderzoek, diagnosestelling en behandeling te zijn tekortgeschoten.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Pomeriaan (reu) met de naam [naam hond] (hierna; de hond), twee jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid.
3.2. Op dinsdagochtend 4 juni 2024 is de partner van klaagster met de hond naar de kliniek van beklaagde gegaan. Klaagster zelf verbleef op dat moment in het buitenland. De hond is vrijwel direct naar de spreekkamer van beklaagde gebracht. De partner vertelde dat de hond op de zondag ervoor wat diarree had met zwarte ontlasting. Op maandag is de hond meerdere keren buiten geweest. In de nacht van maandag op dinsdag heeft de hond diarree gekregen die niet leek te stoppen. Ook had de hond gebraakt. Beklaagde heeft een klinisch onderzoek verricht. Daarbij werd geen verhoogde lichaamstemperatuur vastgesteld. Ook heeft zij een Giardia-test gedaan, die negatief was. Omdat de hond geen tekenen van uitdroging liet zien en de buik soepel was, heeft beklaagde besloten de hond symptomatisch te behandelen in verband met hemorragische enteritis. Ze heeft tevens geadviseerd die dag geen eten aan de hond te geven om het maag-darmkanaal tot rust te laten komen. Als het slechter zou gaan met de hond, moest weer contact worden opgenomen, zo is aan de partner geadviseerd.
3.3. Later die dag heeft de partner telefonisch contact opgenomen en gesproken met een paraveterinair, waarbij hij aangaf dat de hond was gaan hijgen en om de 10 minuten wat bloederige ontlating verloor. De hond had niet meer gebraakt en was niet slomer dan die ochtend. Het leek dus iets beter te gaan. Na overleg met beklaagde heeft de paraveterinair de partner van klaagster geadviseerd om de medicatie de kans te laten krijgen om aan te slaan en dat bij twijfel contact moest worden opgenomen.
3.4. Klaagster heeft in repliek gesteld dat haar partner later op die dag nogmaals zou hebben gebeld, waarbij hij heeft aangegeven dat hij moeite had met het toedienen van de medicatie. Het enige advies dat volgens haar aan hem werd gegeven was om het nogmaals te proberen en de medicatie toe te dienen met wat voedsel. Beklaagde betwist dat de partner van klaagster die middag een tweede keer naar de kliniek heeft gebeld.
3.5. Op woensdagochtend 5 juni 2024 heeft de partner van klaagster in de ochtend telefonisch aan de kliniek gemeld dat de hond geen diarree meer had, maar dat hij niet dronk of at en een droog neusje had. De paraveterinair heeft na overleg met beklaagde een afspraak gemaakt voor 10.40 uur. Voor het afgesproken tijdstip is de partner bij de kliniek aangekomen, met de hond levenloos in zijn armen. Omdat hij aangaf dat de hond even ervoor stuiptrekkingen had gehad, heeft beklaagde de hond direct in de spreekkamer geprobeerd te reanimeren door toediening van zuurstof, hartcompressies en het intracardiaal toedienen van adrenaline en vervolgens atropine. Dit heeft niet mogen baten en de hond is overleden. Diezelfde dag heeft beklaagde telefonisch contact gehad met klaagster om de gebeurtenissen toe te lichten. Ook heeft beklaagde voorgesteld om de hond in te sturen voor pathologisch onderzoek.
3.6. Uit het pathologisch onderzoek is gebleken dat er verschijnselen van een darmstoornis waren en aanwijzingen voor necrotiserende enteritis (darmontsteking) door een infectie met Clostridium perfringens.
3.7. Klaagster heeft nog enkele keren met beklaagde gemaild omdat zij de doodsoorzaak niet begreep. Daarop heeft beklaagde een toelichting gegeven. Medio juli 2024 heeft klaagster de onderhavige klacht ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.
5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
5.4. De eerste klacht houdt in dat de ziekteverschijnselen van de hond zijn onderschat en dat de hond opgenomen had moeten worden en aan een infuus had moeten worden gelegd. Het college overweegt dat beklaagde een klinisch onderzoek heeft verricht en dat er geen aanwijzingen waren voor uitdroging of koorts, terwijl de buik van de hond soepel aanvoelde. Beklaagde heeft een test gedaan om Giardia, een veel voorkomende infectie bij honden die diarree veroorzaakt, uit te sluiten. Ze heeft een injectie tegen het braken toegediend (Prevomax), medicatie meegegeven om de diarree te stoppen (AA-Diarstop Pasta) en om een infectie van het maag-darmkanaal te bestrijden (Metrovis). Gelet op de klinische onderzoeksbevindingen is naar het oordeel van het college verdedigbaar geweest dat beklaagde als eerste stap heeft gekozen voor een symptomatische behandeling en om het effect van de medicatie af te wachten. De medicatie was verder passend bij de ziekteverschijnselen en het college kan volgen dat beklaagde geen directe aanleiding zag om de hond direct op te nemen en aan een infuus te leggen. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.
5.5. Niet in geschil is dat er hierna rond de middag telefonisch contact is opgenomen door de partner, omdat de hond hijgde en ontlasting verloor. Anderzijds had de hond niet meer gebraakt en was hij niet slomer geworden. Daarover heeft klager contact gehad met een paraveterinair van de kliniek, die in overleg met beklaagde heeft geadviseerd om nog even af te wachten om te bezien of de medicatie effect zou sorteren. Gelet op de nog kort verstreken tijdspanne na het bezoek aan de kliniek was dit een op dat moment te begrijpen advies dat niet verwijtbaar is geweest, temeer nu tevens is aangegeven dat er bij twijfel opnieuw contact moest worden opgenomen.
5.6. Ter zitting is verklaard dat het de partner niet gelukt was het tablet Metrovis toe te dienen en dat hij heeft geprobeerd een halve tablet door de pasta AA-Diarstop te mengen. Hij wilde later nog een keer een halve tablet proberen. Dat was volgens de partner de reden van het tweede telefoontje naar de kliniek in de middag van 4 juni 2024, om aan te geven dat het hem niet lukte de medicatie toe te dienen. Beklaagde betwist dat er een tweede telefoongesprek is geweest, dat zij daar niets vanaf weet en daarover ook niets staat vermeld in de patiëntenkaart, terwijl ieder telefoongesprek nauwgezet wordt geregistreerd. Nu is weersproken dat er die dag een tweede telefoongesprek heeft plaatsgevonden en dit van de zijde van klaagster ook niet nader is onderbouwd, is dit voor het college niet verifieerbaar. Daarmee is niet vast te stellen dat beklaagde nalatig handelen – niet acteren op het tweede telefoontje - kan worden verweten. Wat wel vast staat is dat de partner van klaagster in de ochtend van 5 juni 2024 naar de kliniek heeft gebeld. Hij kon toen meteen met de hond komen, die echter al levenloos was bij aankomst in de kliniek.
5.7. Het tweede verwijt behelst dat beklaagde een onjuiste diagnose heeft gesteld, omdat zij uit is gegaan van hemorragische enteritis, terwijl de patholoog achteraf heeft geconcludeerd dat de hond is overleden aan Clostridium perfringens. Het college overweegt dat hemorragische enteritis geen diagnose betreft, maar een symptoom wat onder andere door een bacterie zoals Clostridium perfringens veroorzaakt kan worden. Van het stellen van een diagnose is daarmee geen sprake geweest. Het voert naar het oordeel van het college te ver om te concluderen dat voor beklaagde voorzienbaar was dat de onderliggende oorzaak van de diarree de genoemde bacterie was. Beklaagde heeft verder terecht opgemerkt dat haar behandelwijze niet anders zou zijn geweest, indien zij daarvan wel had geweten. Als gezegd is de verkozen behandeling in de gegeven situatie verdedigbaar en aanvaardbaar geweest. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.
5.8. De derde klacht betreft het niet terug laten komen van de hond toen de partner van klaagster, naar is gesteld, op dinsdag voor de tweede keer naar de kliniek belde. Dit klachtonderdeel is hiervoor reeds besproken. Voor het college staat niet vast dat dit tweede telefoongesprek heeft plaatsgevonden en dus ook niet dat beklaagde daarop ten onrechte niet zou hebben geacteerd. Dit klachtonderdeel slaagt niet.
5.9. De vierde klacht ziet op het feit dat er geen bloeddruk is gemeten bij de hond. Het college overweegt dat het opmeten van de bloeddruk bij een eerste consult waarbij sprake is van (bloederige) diarree, niet vereist of gebruikelijk is. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.10. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. DE BESLISSING
Het college:
verklaart de klacht ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst Mak, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats en drs. J.W.J. Nienhuis-Koppes en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.