ECLI:NL:TDIVTC:2026:11 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2024/62 VTC 2024/65

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:11
Datum uitspraak: 22-01-2026
Datum publicatie: 01-09-2026
Zaaknummer(s):
  • VTC 2024/62
  • VTC 2024/65
Onderwerp: Honden
Beslissingen:
  • Gegrond met waarschuwing
  • Ongegrond
Inhoudsindicatie: Hond. Klachten tegen twee dierenartsen over het onderzoek en de behandeling van een hond met braakklachten. [Klacht 2024/62 ongegrond]. [Klacht 2024/65 gegrond met waarschuwing]. 

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam] ,                                                                                  klager,

tegen

dierenarts [naam],                                                              beklaagde 1, zaaknummer 2024/62

en

dierenarts [naam],                                                               beklaagde 2., zaaknummer 2024/65

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft in de zaken kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2025. Klager is verschenen met zijn echtgenote en dhr. [naam belanghebbende]. Beklaagden zijn eveneens verschenen, tezamen met gemachtigde mr. I.E. Boissevain. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagden wordt verweten dat zij onvoldoende onderzoek hebben gedaan en een onjuiste behandeling hebben ingezet met name door geen echografisch onderzoek uit te (laten) voeren naar de oorzaak van de gezondheidsklachten die de hond van klager had.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klager met de naam [naam hond] (hierna; de hond), een Duitse Dog (teef), die twee jaar oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid.

3.2. Beklaagden zijn beiden als dierenarts werkzaam bij dezelfde praktijk (hierna: de praktijk), waar ook andere dierenartsen werkzaam zijn.

3.3. Op woensdag 24 januari 2024 is klager met de hond op consult geweest bij een dierenarts die praktijkgenoot is van beklaagden, omdat de hond sinds de vorige avond en nacht meermaals had gebraakt. Klager heeft aangegeven dat de hond vaak objecten op at. Zo had ze de vorige dag nog op randen van een houten pollepel gekauwd. De collega van beklaagden heeft de hond klinisch onderzocht en daarbij ook de buik gepalpeerd. Medicatie in de vorm van Prevomax en Cerenia is besproken, maar in overleg met klager is besloten het nog even aan te zien en nog geen medicatie in te zetten. De volgende dag is er telefonisch contact geweest tussen klager en deze collega. Daarbij is aangegeven dat het goed ging, dat de hond alles binnen hield, goed at en dronk en levendig was.

3.4. Op vrijdag 26 januari 2024 is klager met de hond op consult geweest bij beklaagde 2, omdat de hond braakte en niet meer at. Beklaagde 2 heeft een anamnese afgenomen en een klinisch onderzoek verricht en daarbij ook de buik gepalpeerd. De hond was slomer ten opzichte van het vorige consult en voelde zich duidelijk niet lekker. Met betrekking tot de waarschijnlijkheidsdiagnose is uitgegaan van ‘obstructie/ gastro-enteritis’ en er is geadviseerd tot een bloed- en urineonderzoek en het maken van een röntgenfoto om te bezien of er sprake was van een obstructie. Het urineonderzoek toonde geen afwijkingen aan. Het bloedonderzoek wees op een ontstekingsbeeld, maar was weinig specifiek. Later op de dag hebben beklaagden met een collega – nadat beklaagde 1 de buik van de hond nogmaals heeft gepalpeerd – ventrodorsaal (VD) en dorsoventraal (DV) röntgenfoto’s gemaakt, waarbij de VD-opname niet goed is gelukt. Er was geen corpus alienum (vreemd object) te zien, maar dit kon nog niet worden uitgesloten. Een echografisch onderzoek was op dat moment niet te realiseren op de praktijk en er is tussen beklaagde 1 en klager gesproken over het elders laten maken van een echo. Hiervan is door klager afgezien en beklaagde 1 heeft Prevomax (antibraakmiddel) en Cerenia (tegen misselijkheid) toegediend en een Cerenia-tablet voorgeschreven. Zij heeft daarbij, zo heeft zij in verweer toegelicht, aangegeven dat de hond met de medicatie sterk moest opknappen, dat hij moest gaan eten en levendig zijn, dat het braken moest stoppen en dat, als dat niet het geval was, de praktijk meteen op de hoogte moest worden gebracht.

3.5. Op zaterdag 27 januari 2024 heeft klager aan beklaagde 1 laten weten dat het beter ging met de hond. De hond at en dronk goed en had normale ontlasting. Op maandag 29 januari 2024 heeft klager telefonisch een update gegeven aan een collega van beklaagden. Op verzoek heeft hij wat ontlasting voor een Giardia-test naar de praktijk gebracht. Op de gang trof klager beklaagde 2 aan en heeft hem een stukje zacht plastic getoond dat met de ontlasting was  meegekomen. Beklaagde 2 heeft op verzoek van klager twee tabletten Cerenia voorgeschreven. Op dinsdag 30 januari 2024 is er telefonisch contact geweest tussen klager en een paraveterinair waarbij klager liet weten dat het weer minder ging met de hond en zijn op zijn verzoek nogmaals twee tabletten Cerenia voorgeschreven, wederom door beklaagde 2. Op woensdag 31 januari 2024 heeft  klager telefonisch gemeld dat het de goede kant op ging met de hond. Op donderdag 1 februari 2024 is namens een collega gebeld naar klager om te informeren hoe het ging. Klager gaf aan dat het beter ging, maar dat de hond wel weer had gebraakt.

3.6. Op vrijdag 2 februari 2024 is klager zonder afspraak met de hond naar de praktijk gekomen. Beklaagde 1 constateerde dat de situatie zorgelijk was, heeft een stortinfuus aangesloten en een collega gevraagd om meteen een echo te maken, omdat ze zelf op dat moment spreekuur had. Op de echo was vrij vocht in de buik te zien en een aantal openstaande stukken darm met een soort opstroping en op enkele stukken een flinke slagschaduw. De collega dacht aan een lichaamsvreemd object en de hond is naar een tweedelijnskliniek verwezen voor een exploratieve laparotomie. Zo konden de maag en darmen in beeld worden gebracht om de oorzaak van de klachten te achterhalen. Na enige vertraging is de hond daar gearriveerd en vrijwel direct geopereerd. Tijdens de operatie zijn in de darm twee pootjes van een pluche beest aangetroffen, die aan elkaar verbonden waren met een draad. Hoewel de operatie op zichzelf succesvol is verlopen, kreeg de hond enkele uren later interne bloedingen, zodanig ernstig dat is besloten tot euthanasie.

3.7. Klager heeft per e-mail zijn onvrede geuit over het handelen van beklaagden. Namens beklaagden is per e-mail een toelichting gegeven en een gesprek aangeboden. Eind juli 2024 zijn de onderhavige klachten ingediend.

4. HET VERWEER

Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op hun verweren zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagden zijn tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klager, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of hij of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagden, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

Inhoudelijk met betrekking tot dierenarts [naam], beklaagde 1

5.4. Het college stelt vast dat beklaagde in feite slechts tweemaal betrokken is geweest bij het onderzoek en de behandeling van de hond. Voorafgaand aan het maken van de röntgenfoto op vrijdag 26 januari 2024 heeft zij de buik van de hond gepalpeerd. Gelet op de klinische onderzoeksbevindingen, de uitkomsten van het bloed- en urineonderzoek en de röntgenfoto, heeft beklaagde aan klager nog wel aangeboden elders een echo te laten maken. Van de zijde van klager is daar niet voor gekozen en na afstemming met klager is besloten op dat moment enkel medicatie toe te dienen. Het college acht het te billijken dat beklaagde in dit stadium (nog) geen echo-onderzoek heeft laten uitvoeren, temeer omdat er nog sprake was van darmpassage. Daarbij heeft beklaagde tevens benadrukt dat het met de medicatie wel snel beter moest gaan en als dat niet het geval was, er direct weer contact moest worden opgenomen. Daarvan uitgaande heeft beklaagde naar het oordeel van het college op die dag niet verwijtbaar nalatig gehandeld. 

5.5. De eerst daarop volgende keer dat beklaagde bij de behandeling van de hond betrokken is geweest was op 2 februari 2024, toen de hond in een zorgelijke toestand naar de praktijk is gebracht. Beklaagde heeft toen adequaat gereageerd door de hond direct aan een stortinfuus te leggen en over te dragen aan een collega om een echo te maken. Na beoordeling daarvan is de hond verwezen voor een laparotomie bij een tweedelijnskliniek. Naar het oordeel van het college heeft beklaagde ook die keer niet onjuist of onzorgvuldig gehandeld. De klacht tegen haar wordt ongegrond verklaard.

Inhoudelijk met betrekking tot dierenarts [naam], beklaagde 2.

5.6. Beklaagde heeft de hond op vrijdag 26 januari 2024 (bij het tweede bezoek van de hond aan de praktijk) onderzocht, waarbij hij de buik van de hond heeft gepalpeerd en bloed-, urine- en röntgenonderzoek heeft geadviseerd, welke onderzoeken hebben plaatsgevonden.

5.7. Beklaagde heeft, zonder de hond te hebben gezien, zowel op maandag 29 als op dinsdag 30 januari 2024 twee tabletten Cerenia voorgeschreven. Ter zitting is gevraagd waarom niet eerst een nader onderzoek zoals een echo is uitgevoerd, zoals op de vrijdag ervoor was besproken. Beklaagde 2 heeft toegelicht dat klager die maandag had aangegeven dat het beter ging met de hond en dat er ontlasting was (die ook was meegenomen voor de Giardia-test). Het college overweegt dat het meegeven van twee tabletten Cerenia op maandag wellicht nog te rechtvaardigen is geweest, maar voor wat betreft de dinsdag oordeelt het college hier anders over. Beklaagde stelt dat klager toen niet met de hond naar het spreekuur wilde komen, maar dit is weersproken. Of beklaagde 2 al dan niet aan klager duidelijk heeft gemaakt dat ook als er enige ontlasting is, er toch nog sprake kan zijn van een obstructie, is ter zitting evenmin duidelijk geworden. Het college is van oordeel dat, ongeacht of klager al dan niet met de hond naar het spreekuur wilde komen, beklaagde niet opnieuw Cerenia had mogen voorschrijven zonder de hond eerst te hebben gezien en nader onderzocht. Cerenia kan immers de symptomen van een obstructie maskeren en tot dan was een obstructie nog niet uitgesloten. Beklaagde had meer de regie behoren te houden er erop moeten staan dat de hond naar de praktijk moest komen zodat hij de medische situatie zelf kon inschatten en beoordelen, zo nodig met de mededeling dat anders medicatie zou worden geweigerd. De vraag of echografisch onderzoek nodig was had niet aan klager mogen worden overgelaten en beklaagde is te lichtvaardig meegegaan in diens verzoek op dinsdag om nogmaals Cerenia voor te schrijven. Dit is niet overeenkomstig de zorgvuldige beroepsuitoefening geweest. De klacht tegen beklaagde 2 is in zoverre gegrond. Na te melden maatregel wordt door het college passend en geboden geacht.

6. DE BESLISSING

Het college:

in de zaak met nummer 2024/62:

verklaart de klacht tegen de dierenarts [naam] ongegrond;

in de zaak met nummer 2024/65:
 

verklaart de klacht tegen de dierenarts [naam] gegrond;

geeft deze dierenarts daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en drs. M.E.A. Cuppens-Joosten en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.