ECLI:NL:TDIVTC:2026:10 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage VTC 2023/61 VTC 2023/62
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2026:10 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-02-2026 |
| Datum publicatie: | 04-08-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Hond. Dierenartsen wordt verweten dat zij met betrekking tot een hond in hun onderzoek, diagnosestelling en behandeling zijn tekortgeschoten. [Klachten ongegrond] |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam], klager,
tegen
dierenarts [naam], beklaagde 1, zaaknr. 2023/61,
dierenarts [naam], beklaagde 2, zaaknr. 2023/62,
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Klager is verschenen met dhr. [naam belanghebbende]. Beklaagden zijn eveneens verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagden wordt verweten dat ze met betrekking tot de hond van klager in hun onderzoek, diagnosestelling en behandeling tekort zijn geschoten.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klager, een Duitse herder (reu) met de naam [naam hond] (hierna; de hond), tien jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze tuchtprocedures hebben geleid.
3.2. Beklaagden zijn beiden als dierenartsen werkzaam bij de universiteitskliniek, beklaagde 1 tevens als supervisor, waar de hond van klager uiteindelijk naartoe is verwezen na eerdere onderzoeken en behandelingen bij andere klinieken. Het voortraject laat zich als volgt schetsen.
3.3. In februari 2023 is de hond elders gediagnosticeerd met een kwaadaardige tumor, een hemangiosarcoom (HSA) stage III in de milt, met uitzaaiingen in de lever. De milt is operatief verwijderd en vervolgens is de hond gedurende enkele maanden behandeld met experimentele immunotherapie en een chemokuur bij een oncoloog van een dierenziekenhuis in [plaatsnaam 1].
3.4. Op donderdag 6 juli 2023 is klager met de hond naar een dierenziekenhuis in [plaatsnaam 2] gegaan, omdat de hond niet wilde lopen en eten, had gebraakt en koorts had. Er zijn röntgenfoto’s gemaakt en er is bloedonderzoek verricht. Hierna is Cerenia toegediend. Bij verergering van de klachten moest door klager contact worden opgenomen. Op vrijdag 7 juli 2023 heeft klager contact gehad met deoncoloog in [plaatsnaam 1], die geadviseerd zou hebben de medicatie tijdelijk te stoppen en dat, als het niet beter zou gaan in het weekend, de hond opgenomen moest worden. Toen de gezondheidssituatie van de hond in de avond verslechterde, heeft klager de hond naar het dierenziekenhuis in [plaatsnaam 2] gebracht. Er zijn opnieuw röntgenfoto’s gemaakt en er is aanvullend bloedonderzoek verricht. Een verslikkingspneumonie werd het meest waarschijnlijk geacht. De hond is in een zuurstofkooi geplaatst en kreeg antibiotica toegediend. Aan klager is aangegeven dat bij geen verbetering tot euthanasie zou moeten worden overgegaan. Klager wilde dat zijn hond mechanisch geventileerd zou worden om eventueel nog verder onderzoek te kunnen doen en is doorverwezen naar de kliniek waar beklaagden werkzaam zijn. Vooraf is besproken dat de rit daar naartoe voor de hond risicovol was.
3.5. Op zaterdag 8 juli 2023 is de hond opgenomen in de kliniek van beklaagden. De hond is klinisch onderzocht door een collega spoedarts. De medische gegevens uit [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 1] zijn opgevraagd. De röntgenfoto’s zijn beoordeeld, waarbij is geconcludeerd dat er sprake was van een afwijkend longpatroon, een broncho- interstitieel patroon (afwijkingen in zowel de luchtwegen als het omringende longweefsel). Het beeld kon passen bij een pneumonie, maar ook bij metastasen ten gevolge van de HSA-tumor. Er is bloedonderzoek verricht. De zuurstofspanning was tijdens de autorit gedaald van 6,5 naar 6 en de hond had een Body Condition score van 3 uit 9. Op dat moment, zo concludeerde de spoedarts, was de hond er zodanig slecht aan toe dat het niet zinvol was om hem te intuberen en mechanisch te ventileren voor nader onderzoek. De hond heeft antibiotica en eetlustopwekkende medicatie gekregen en is in een zuurstofkooi geplaatst. Ondanks de medicatie en zuurstof bleef de hond in het weekend benauwd en heeft hij vrijwel niets gegeten. De optie euthanasie is door de spoedarts benoemd.
3.6. Op maandag 10 juli 2023 omstreeks 8.00 uur is de hond klinisch onderzocht door beklaagde 2. De medische situatie was op dat moment verder verslechterd ten opzichte van het moment van opname. Beklaagde 2 heeft de in [plaatsnaam 2] gemaakte röntgenfoto’s besproken met collega’s van de afdeling Diagnostische Beeldvorming. Geconcludeerd is dat het radiologisch beeld niet duidde op een verslikkingspneumonie. Mede omdat de hond ondanks behandeling met vloeistoftherapie, plaatsing in een zuurstofkooi en de toediening van antibiotica (sinds 7 juli 2023) een verslechtering liet zien, concludeerden beklaagden dat een verslikkingspneumonie onwaarschijnlijk was. Metastasen konden niet worden uitgesloten. Er is opnieuw bloedonderzoek verricht, dat een afwijkend beeld liet zien. Er was sprake van een zeer lage arteriële zuurstofspanning en ernstige hypoxemie. Beklaagde 2 heeft overleg gevoerd met de behandelend oncoloog uit [plaatsnaam 1] en met een specialist oncologie binnen de eigen kliniek en ten slotte met beklaagde 1. Beklaagden kwamen tot de conclusie dat gezien de kritische toestand van de hond in combinatie met de waarschijnlijke diagnose, beademing en behandeling in het kader van het welzijn van de hond feitelijk geen reële optie meer betrof.
3.7. Beklaagde 2 heeft klager omstreeks 11.00 uur telefonisch laten weten dat de hond zich in een klinisch zeer kritieke toestand bevond en sterk hypoxemisch was ondanks de zuurstofsuppletie en de antibiotica en dat er een significant risico bestond op acuut overlijden. Op de kliniek hebben klager en beklaagde 2 later het gesprek voortgezet. Beklaagde 2 heeft aan klager uiteindelijk nog drie opties benoemd: 1. een CT-scan voor een differentiatie bronchopneumonie/metastasen vanuit de HSA in de longen, met het risico op overlijden tijdens de anesthesie, 2. antibiotica voortzetten en hopen op verbetering en 3. euthanasie.
3.8. Klager heeft beklaagde 2 nog gevraagd naar andere opties, zoals een CRP-bepaling, CT-scan, Broncho-alveolaire lavage en intubatie, maar deze opties zijn afgewezen. Klager heeft verzocht om een gesprek met de supervisor, beklaagde 1, en heeft beklaagde 2 gevraagd om in afwachting van de uitkomst van dat gesprek de euthanasiemiddelen alvast gereed te leggen voor het geval de hond dreigde te gaan stikken. Korte tijd later werd klager bij de hond geroepen, die verder achteruit was gegaan. Bij het openen van de zuurstofkooi was de hond er slecht aan toe en had hij een trage ademhalling. Klager gaf toestemming voor euthanasie en na het toedienen van het eerste inleidende injectie met premedicatie is de hond reeds overleden.
3.9. Klager heeft nog enkele keren per e-mail zijn onvrede over de gang van zaken bij de kliniek van beklaagden geuit, maar dit heeft niet geleid tot voor hem bevredigende antwoorden. Medio september 2023 heeft klager de onderhavige klachten ingediend.
4. HET VERWEER
Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagden zijn tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klager, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenartsen beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot zijn opgetreden. In het veterinair tuchtrecht geldt verder als uitgangspunt dat een dierenarts alleen voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk is en niet voor het veterinair handelen van collegae.
5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagden, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
5.4. Niet in geschil is dat de hond bij aankomst op de kliniek van beklaagden reeds in een kritieke toestand verkeerde, met een lage zuurstofspanning. Voor het college is voldoende aannemelijk geworden dat een eventuele behandeling enkel levensverlengend zou kunnen zijn en tot uitstel van overlijden zou kunnen leiden.
5.5. De eerste klacht houdt in dat er een verkeerde diagnose is gesteld. Het college stelt vast dat de waarschijnlijkheidsdiagnose verslikkingspneumonie niet door beklaagden, maar door het dierenziekenhuis in [plaatsnaam 2] is gesteld en dat deze diagnose nadien door beklaagden niet werd onderschreven. Dat de slechte gezondheidssituatie werd veroorzaakt door metastasen kon niet worden uitgesloten. Zoals voldoende is toegelicht, kon die diagnose echter niet definitief worden bevestigd omdat de hond voor nadere diagnostiek in een te slechte conditie verkeerde. Dit valt beklaagden niet aan te rekenen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.6. De tweede klacht betreft de in de ogen van klager gestelde twijfelachtige verklaring van beklaagde 2, die inhield dat de levensverwachting van een hond met HSA maximaal drie maanden betreft. Dit is gemotiveerd tegengesproken en gelet op hetgeen ter zitting is besproken acht het college het niet waarschijnlijk dat beklaagde 2 dit op die wijze heeft gezegd. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.
5.7. De derde klacht betreft het niet willen verrichten van een CRP-bepaling (het meten van de hoeveelheid C-reactief proteïne). In de stukken en ter zitting is door beklaagde 2 toegelicht dat de kliniek de apparatuur daarvoor niet in huis had en een CRP-bepaling door een extern laboratorium gedaan zou moeten worden, wat 1 à 2 weken kon duren. Hiernaast deelt het college het standpunt van beklaagde 2 dat een CRP-bepaling geen directe diagnostische meerwaarde zou hebben gehad. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.8. De vierde klacht betreft het niet willen uitvoeren van een Broncho-alveolaire lavage. Beklaagde 2 heeft uitgelegd dat bij een lavage, cellen en vocht uit de luchtwegen worden gehaald voor cel en bacteriologisch onderzoek. Eventuele metastasen zijn niet middels dit onderzoek vast te stellen. Bronchitis is dat wel, maar de afwijkingen van de bronchiën werden niet gezien als primaire oorzaak van de problemen met de zuurstofwisseling. Bacteriologisch onderzoek zou niet op korte termijn resultaten opleveren en de hond had al enkele dagen antibiotica toegediend gekregen zonder resultaat. Daarnaast zou nader onderzoek zeer belastend en levensbedreigend zijn voor de hond. Beklaagde 2 heeft naar het oordeel van het college afdoende toegelicht dat er een groot risico op overlijden bestond en dat niet aannemelijk was dat het onderzoek extra relevante informatie zou opleveren. Het college verklaart ook dit klachtonderdeel ongegrond.
5.9. De vijfde klacht betreft het niet willen intuberen van de hond, zelfs als een CT-scan metastasen zou kunnen uitsluiten. Het college acht echter begrijpelijk dat beklaagden wilden voorkomen dat de hond nog extra zou lijden door extra handelingen te verrichten. Zij zagen een erg benauwde in een kritieke situatie verkerende hond met een zeer slechte prognose. Verbetering was niet te verwachten en nadere diagnostiek was risicovol en zou evenmin uitkomst bieden. Beklaagden hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat euthanasie in het belang van het welzijn van de hond voor hen per saldo de enige reële en meest diervriendelijke optie betrof en dat intuberen het lijden enkel onnodig zou hebben verlengd.
5.10. Het college kan zich overigens wel voorstellen dat, omdat beklaagde 2 toch nog meerdere opties zonder prioritering heeft besproken met klager, bij hem de gedachte heeft kunnen postvatten dat er nog kansen waren. In zijn algemeenheid merkt het college hierover op dat het voor een eigenaar wellicht de voorkeur heeft dat een duidelijke prioritering wordt aangegeven met betrekking tot de verschillende opties, met bijbehorende realistische prognoses. Indien de behandelend dierenarts geen enkele zinvolle behandeling ziet, is het aan te bevelen om ook duidelijk kenbaar te maken dat euthanasie de beste optie voor het dier zelf is. Dat dit laatste door beklaagden op goede gronden werd voorgestaan is voor het college echter voldoende gebleken. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.
5.11. De zesde klacht betreft het niet willen intuberen met als reden dat de hond een HSA-tumor had. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, concludeert het college dat niet de tumor als zodanig de doorslag heeft gegeven om niet te intuberen, maar de zeer kritieke en zwakke conditie van de hond en het gebrek aan een reëel toekomstperspectief. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.
5.12. De zevende klacht betreft het meer algemeen schenden van de zorgplicht.
Beklaagden hebben aangevoerd dat hun zorgplicht niet inhoudt dat zij gehouden zijn om iedere mogelijke behandeling uit te voeren en deze plicht zich bovendien richt tot het dier, waarbij zinloos medisch handelen en onnodig lijden dient te worden vermeden. De hond heeft zuurstof en antibiotica toegediend gekregen en sederen kon leiden tot de dood. Voor het college is voldoende beargumenteerd dat in de gegeven omstandigheden gedaan is wat binnen het redelijke nog mogelijk en reëel was. Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond.
5.13. Beklaagde 1 wordt ook apart nog verweten dat hij heeft geweigerd om de hond nog te intuberen. Gelet op hetgeen hiervoor over de beslissing om niet te intuberen is overwogen, is deze klacht eveneens ongegrond.
6. DE BESLISSING
Het college:
In de zaaknummers 2023/61 en 2023/62:
verklaart de klachten ongegrond.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst Mak, drs. A.C.M. van Heuven- van Kats en drs. J.W.J. Nienhuis-Koppes en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.