ECLI:NL:TDIVTC:2026:1 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2024/117

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2026:1
Datum uitspraak: 12-02-2026
Datum publicatie: 04-08-2026
Zaaknummer(s): 2024/117
Onderwerp: Paarden
Beslissingen:
  • Gegrond met waarschuwing
  • Ongegrond
Inhoudsindicatie: Paard. Dierenarts wordt verweten met betrekking tot een paard in zijn onderzoek, diagnosestelling en behandeling te zijn tekortgeschoten. [Klacht op een onderdeel gegrond, volgt een waarschuwing. Overige klachtonderdelen ongegrond].

HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Uitspraak in de zaak van   

[naam],                                                                                              klager,

tegen

dierenarts [naam],                                                                           beklaagde,

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Klager is verschenen met zijn echtgenote, Beklaagde is eveneens verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten met betrekking tot het paard van klager in zijn onderzoek, diagnosestelling en behandeling te zijn tekortgeschoten.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om het paard van klager, een Schwarzwälder Fuchs (merrie) met de naam [naam paard] (hierna; het paard), 13 jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid. Uit de patiëntenkaart blijkt dat het paard eerder door collega’s van beklaagde is gezien, te weten op 13 augustus 2024 vanwege hoestklachten en op 12 oktober 2024 vanwege een pijnlijk been. Beide keren is opgemerkt dat het paard fors overgewicht had.

3.2. Op vrijdag 15 november 2024 heeft klager het paard naar de praktijk van beklaagde gebracht voor eenbronchoscopie vanwege langdurig hoesten en een afwijkend geluid tijdens inspanning. Het paard heeft geen hoefijzers, maar draagt zogenoemde hoefschoenen. Alvorens dit onderzoek uit te voeren heeft beklaagde het paard laten stappen en draven. Beklaagde merkte op dat het paard kort en niet comfortabel liep. Ook concludeerde beklaagde dat het paard een Body Condition Score van 5 uit 5 had en daarmee te zwaar was.

3.3. Beklaagde heeft vervolgens het paard op basis van het geschatte gewicht gesedeerd met 0,4 ml Detogesic (REG NL 10466) en 0,4 ml Torbugesic (REG NL 110896) en daarna een praam op de neus van het paard gezet. Klager is bij het uitvoeren van de bronchoscopie aanwezig gebleven. Het paard was tijdens de behandeling rustig. Hiernaast is een mestonderzoek verricht. Beklaagde stelde als waarschijnlijkheidsdiagnose dat er sprake was van een permanente DDSP (dorsale verplaatsing van het zachte gehemelte). Beklaagde heeft klager twee opties voorgehouden: óf een CT-scan van het hoofd om de diagnose te bevestigen en om te zien of zich een onderliggend probleem voordeed vanwege de bolling van het zachte gehemelte, eventueel gevolgd door een hersteloperatie, óf het paard 14 dagen behandelen met een antibioticum, Doxylin 50% (REG NL 8753) om de dreigende ontsteking van de luchtwegen en longen te behandelen. Klager koos voor de optie Doxylin en kreeg een pot van 250 gram mee. Beklaagde heeft ter zitting toegelicht dat zijn inschatting van het gewicht van het paard bij weging is bevestigd en dat het paard 650 kilogram woog. Beklaagde heeft ook geadviseerd om verder onderzoek te verrichten met betrekking tot de voorvoeten, omdat het paard gevoelige voeten leek te hebben en hij heeft klager de mogelijkheid voorgehouden om het eerst met ijzers te proberen. Na de behandeling met Doxylin is klager niet meer met het paard teruggekomen bij beklaagde voor een vervolgconsult.

3.4. Eind november 2024 heeft klager de onderhavige tuchtklacht ingediend. Bij het aanvullende klaagschrift wat daarop nog is gevolgd, heeft klager een rapport van de universiteitskliniek in [plaatsnaam] toegevoegd, waar het paard op 6 en 10 december 2024 op consult is geweest en een orthopedisch onderzoek, röntgenonderzoek, echografisch onderzoek en een endoscopie heeft ondergaan. De universiteitskliniek concludeerde onder meer na de endoscopie (zonder sedatie) dat sprake was van een permanente DDSP. Omdat het paard hiervan weinig last leek te hebben, werd een operatie nog niet direct noodzakelijk geacht. Wel werd geadviseerd, ook in verband met de orthopedische klachten, om het paard af te laten vallen.

3.5. Ter zitting zijn de klachten van klager die zien op het handelen van collega’s van beklaagde ingetrokken.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde is tekortgeschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van het paard, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het diergeneeskundig handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of deze in de specifieke omstandigheden van het geval als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.3. Vooraf wordt tevens opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die door het college als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtmaatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

5.4. In het eerste klachtonderdeel wordt beklaagde met zoveel woorden verweten geen goede anamnese te hebben afgenomen althans niet conform afspraak te hebben gehandeld en een advies te hebben gegeven waar niet om was verzocht. Het college stelt vast dat beklaagde wist dat klager met het paard naar de praktijk was gekomen vanwege hoestklachten en een bronchoscopie. Beklaagde heeft zich ingelezen in de patiëntenkaart, heeft vragen aan klager gesteld over het hoesten en heeft het paard zien lopen. Tijdens het lopen viel op dat het paard zeer kort liep op de voor- en achterbenen (‘op eieren lopen’). Beklaagde heeft advies gegeven over de hoestklachten (CT-scan of antibioticumkuur). Het eveneens gegeven orthopedisch advies om nader onderzoek te doen naar de gevoelige voorvoeten, is naar het oordeel van het college een begrijpelijk en in het belang van het paard verstrekt extra advies geweest. Dat klager niet gekomen was voor orthopedisch advies maakt dit niet anders. Van een dierenarts mag verwacht worden dat hij, als er andere verschijnselen opvallen die verdere aandacht nodig hebben, hiervan melding aan een eigenaar maakt. Dit onderdeel van de klacht is ongegrond.

5.5. Het tweede klachtonderdeel betreft de volgens klager ongefundeerde conclusie van beklaagde dat het paard een BCS had van 5 uit 5. Klager betwist de conclusie zelf niet, maar wel de wijze waarop die tot stand is gekomen, nu volgens klager palperen en wegen daarvoor noodzakelijk is. Het college overweegt dat, anders dan klager stelt, palpatie van het ribbengebied niet altijd nodig is voor het vaststellen van een BCS. In dit geval was uit de patiëntenkaart al gebleken dat de twee voorgaande dierenartsen geconstateerd hadden dat het paard fors overgewicht had en was het voor het verrichten van de scopie niet van belang om de exacte BCS te weten. Dit onderdeel van de klacht is ongegrond.

5.6. Het derde klachtonderdeel betreft het onnodig longeren en het daarmee onnodig belasten van het paard dat al gevoelige voeten had.Het college overweegt dat klager bij beklaagde kwamomdat het paard al langdurig hoestte enbijgeluiden maakte, met name bij inspanning. Beklaagde achtte longeren daarom aangewezen om het betreffende geluid zelf te kunnen horen. Dat dit wellicht enigszins belastend voor het paard is geweest, doet er niet aan af dat begrijpelijk is geweest dat beklaagde het bijgeluid eerst zelf wilde horen, alvorens een scopie uit te voeren. In dat licht bezien is de keuze van beklaagde om het paard te laten stappen en draven correct geweest, waarbij komt dat beklaagde heeft gesteld dat het longeren plaats vond op een zachte ondergrond en niet langer duurde dan nodig was om het bijgeluid te horen. Dit onderdeel van de klacht is ongegrond.

5.7. Voor wat betreft het vierde klachtonderdeel, de sedatie, heeft beklaagde ter zitting toegelicht hoe hij tot de toegepaste dosering is gekomen. Uitgaande van een gewicht van 650 kilogram en nu onweersproken is gesteld dat het paard rustig was tijdens het onderzoek en geen neiging had een reactie te geven, noch om te gaan zitten of liggen, duidt dit er op dat er door beklaagde correct is gedoseerd. Sedatie werd door beklaagde nodig geacht in verband met de veiligheid van mens en paard. Het college acht dit een begrijpelijke keuze. Hoewel dit geen onderdeel van de klacht is, merkt het college op dat door sedatie mogelijk wel verslapping van het keelgebied kan optreden, wat mogelijk een ander beeld zou kunnen opleveren. Dit blijkt echter niet het geval te zijn geweest, nu op de universiteitskliniek nadien tot dezelfde conclusie -DDSP- is gekomen na een endoscopie die aldaar zonder sedatie is uitgevoerd. Dit klachtonderdeel wordt eveneens ongegrond verklaard.

5.8. Het vijfde klachtonderdeel betreft het onnodig gebruik van een praam. Het gebruik van een praam leidt tot het vrijkomen van endorfinen en is in dat opzicht een manier om het paard rustiger te houden. Hoewel het gebruik ervan naast sedatie niet is vereist of voorgeschreven, is dit niet foutief. Het rustig kunnen uitvoeren van een bronchoscopie is in het belang van het paard en voor de veiligheid van mens en dier. Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

5.9. Het zesde klachtonderdeel, het geven van verkeerde informatie, heeft betrekking op een voorgeschreven anthelminthicum en een babyhaler en betreft het handelen van een andere dierenarts en kan beklaagde niet worden toegerekend.

5.10. Het laatste, zevende, klachtonderdeel betreft het voorschrijven van Doxycycline zonder het leveren van een bijsluiter. Doxylin 50% (REG NL 8753) is geregistreerd voor het gebruik bij (niet herkauwende) kalveren, varkens en kippen, maar niet voor paarden. Ter zitting heeft beklaagde toegelicht dat hij het eerste keuze middel TMP/S (Trimethoprim/sulfonamide) bij dit paard geen goede optie vond, omdat hij voedselresten had gezien bij de bronchoscopie en vreesde voor een verslikpneumonie en dat hij slechte ervaringen heeft bij dit soort patiënten (bacteriën in een mucopurulente omgeving). Het dagelijks injecteren van Gentamicine/Penicilline was volgens beklaagde in praktische zin geen haalbare optie, nu dit UDD-medicatie (uitsluitend door dierenartsen toe te dienen) betreft. Beklaagde ging er overigens bij het voorschrijven van de antibioticumkuur vanuit dat hij klager nadien opnieuw zou spreken over het eventuele vervolg (een CT-scan). Het college acht de argumentatie om voor het antibioticum Doxylin te kiezen verdedigbaar en veterinair niet onjuist. Dit laat echter onverlet dat beklaagde wel met klager had moeten communiceren dat dit antibioticum niet geregistreerd is voor paarden en had hij het off-label-gebruik schriftelijk moeten toelichten in de patiëntverslaglegging. Ook had beklaagde een bijsluiter aan klager moeten verstrekken. Beklaagde heeft erkend dat hij klager niet heeft geïnformeerd over het gebruik van een niet voor paarden geregistreerd middel, dat hij daarover ook geen toelichting heeft genoteerd in de patiëntenkaart en dat hij (abusievelijk) geen bijsluiter heeft meegegeven. Het college acht de klacht in zoverre gegrond.

5.11. Samenvattend acht het college klachtonderdeel 7 deels gegrond. Na te melden maatregel wordt door het college passend geacht.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart klachtonderdeel 7 deels gegrond, zoals beschreven onder 5.10;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren;

verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. J.A.M. van Gils, drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak en drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.