ECLI:NL:TDIVTC:2025:48 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2023/72 2023/73
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVTC:2025:48 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-11-2025 |
| Datum publicatie: | 04-06-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Katten |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Kat. Dierenartsen worden verweten dat zij zich te afwachtend hebben opgesteld en onvoldoende hebben ondernomen qua onderzoek en behandeling van een kat, die slecht herstelde van een gebitsbehandeling en enkele dagen later is overleden. [Klacht 2023/72 ongegrond] [ Klacht 2023/73 gegrond met waarschuwing]. |
HET VETERINAIR TUCHTCOLLEGE
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Uitspraak in de zaak van
[naam klaagster] en [naam klager] , klagers,
tegen
dierenarts [naam beklaagde sub 1], beklaagde in zaaknummer 2023/72,
dierenarts [naam beklaagde sub 2], beklaagde in zaaknummer 2023/73,
hierna tezamen: beklaagden
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. DE PROCEDURE
Het college heeft kennisgenomen van de klaagschriften, de verweren en de conclusies van repliek en dupliek. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 mei 2025. Klagers en beklaagden waren daarbij aanwezig. Na de zitting is uitspraak bepaald.
2. DE KLACHT
Beklaagden wordt verweten, in hoofdzaak en zakelijk weergegeven, dat zij zich te afwachtend hebben opgesteld en onvoldoende hebben ondernomen qua onderzoek en behandeling van de kat van klagers, die slecht herstelde van een gebitsbehandeling en enkele dagen later is overleden.
3. DE VOORGESCHIEDENIS
3.1. Het gaat in deze zaak om de kat van klagers, een Europese korthaar met de naam [naam kat] (hierna de kat), die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid ongeveer vijf jaar oud was.
3.2. Op vrijdag 30 juni 2023, omstreeks 8.30 uur, zijn klagers conform afspraak met de kat naar de kliniek van beklaagden gekomen voor een gebitsreiniging. Dierenarts beklaagde sub 1 heeft een pré-anesthetisch onderzoek verricht, waaruit geen bijzonderheden naar voren kwamen. Daarop is de kat onder narcose gebracht en is de ingreep uitgevoerd, bestaande uit een tandheelkundige beoordeling van het gebit, het verwijderen van tandsteen en polijsten. Ook zijn met een mobiele telefoon enkele foto’s gemaakt. De ingreep is zonder complicaties verlopen en ook het herstel tijdens de recovery verliep goed. Omstreeks 14.30 uur hebben klagers bericht ontvangen dat de kat kon worden opgehaald. Bij vertrek uit de kliniek zijn nazorginstructies verstrekt. De lichaamstemperatuur van de kat bedroeg op dat moment 38.3°C.
3.3. Ter zitting hebben klagers toegelicht dat zij de kat bij thuiskomst op bed hebben gelegd en geprobeerd hebben haar warm te houden. De kat kon haar kop optillen, maar was sloom en voelde koud/klammig aan, had een onrustige ademhaling en wilde niets eten of drinken. Omdat klagers zich zorgen maakten, hebben zij die avond contact opgenomen met de spoeddienst. De spoeddienst heeft hen doorverbonden met dierenarts beklaagde sub 1, die hen heeft uitgenodigd met de kat naar de kliniek te komen. Dierenarts beklaagde sub 1 heeft een algemeen klinisch onderzoek verricht, waaruit geen bijzonderheden naar voren kwamen, behoudens een lage lichaamstemperatuur van 37.2°C. Vervolgens heeft hij klagers de keuze voorgehouden tussen opname in de eigen kliniek of elders dan wel de situatie in de thuisomgeving af te wachten. Klagers hebben voor deze laatste optie gekozen. Daarbij is afgesproken dat een collega-dierenarts de volgende ochtend zou bellen hoe het met de kat ging en dat klagers eventueel eerder contact zouden opnemen, indien daartoe aanleiding was.
3.4. In de nacht van vrijdag op zaterdag hebben klagers nogmaals de spoeddienst van de kliniek gebeld, omdat verbetering uitbleef. Zij hebben contact gehad met dierenarts beklaagde sub 1 die heeft benadrukt dat het belangrijk was de kat warm te houden. Verder heeft hij klagers uitgenodigd naar de kliniek te komen en nogmaals gewezen op de mogelijkheid van opname in de eigen kliniek of een kliniek met 24/7-zorg. Hiervan hebben klagers afgezien.
3.5. Op zaterdagochtend 1 juli 2023 was de gezondheidssituatie van de kat verder verslechterd. Klagers hebben omstreeks 08.00 uur de kliniek gebeld en zijn uitgenodigd direct met de kat langs te komen. Dierenarts beklaagde sub 2 heeft een algemeen klinisch onderzoek verricht waaruit onder meer naar voren kwam dat de kat een ondertemperatuur had. Dierenarts beklaagde sub 2 heeft de kat opgenomen en in een zuurstofkooi geplaatst en zich -als eerste stap- gericht op het opwarmen van de kat met behulp van een warmtemat. In de uren daarna trad een duidelijke verbetering op. De kat was levendiger, liep rond met haar staart omhoog, gaf kopjes en de lichaamstemperatuur verbeterde naar 37,8°C. De kat wilde echter nog altijd niet eten en ademde sneller dan normaal (ademhaling 100; pols 160). Daarop heeft dierenarts beklaagde sub 2 besloten om de kat extra zuurstof te geven en een infuus aangelegd voor de toediening van vocht en er is, vanaf zaterdagavond, overgegaan tot dwangvoeding.
3.6. Op zondag 2 juli 2023 heeft dierenarts beklaagde sub 2 de kat nogmaals onderzocht. De kat bleek zich niet meer op de warmtemat te bevinden waardoor de lichaamstemperatuur weer was gedaald tot 36.5°C. Ook had de kat nog altijd een hoge ademfrequentie (ademhaling 100, pols 184). Dierenarts beklaagde sub 2 heeft wederom geprobeerd de kat op te warmen met gebruik van een warmtemat en een kruik. Omstreeks 12.15 uur is een bloedonderzoek gedaan. Daaruit kwam naar voren dat de nierwaarden sterk verhoogd waren. De toediening van vocht middels een infuus werd voortgezet. Ook is eenmalig Gabapentine gegeven.
3.7. Op maandag 3 juli 2023 heeft een collega van beklaagden omstreeks 8.20 uur geconstateerd dat de kat benauwd was, vocht achter de longen had en dat er roze vocht uit de neus kwam. Zij heeft direct Furosemide gegeven en vervolgens klagers gebeld met de mededeling dat het niet goed ging met de kat. Klagers zijn direct naar de kliniek gekomen, maar de kat is overleden voordat zij arriveerden.
3.8. Na het overlijden van de kat is sectie verricht. In het sectieverslag wordt onder meer vermeld dat sprake was van een acute hartspierdegeneratie en circulatiestoornis, dat de nieren bleek en gezwollen waren, dat de longen rood en bont waren, dat er lokaal een kleine bloeding aanwezig was op de trachea en dat de trachea schuimig lichtrood vocht bevatten.
3.9. In de periode na het overlijden van de kat zijn er diverse contacten geweest tussen klagers en (de kliniek van) beklaagden. Deze contacten hebben de bij klagers bestaande onvrede over de aan de kat verleende zorg niet kunnen wegnemen. Hierna zijn klagers de onderhavige tuchtprocedure gestart.
4. HET VERWEER
Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op die verweren zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.
5. DE BEOORDELING
Vooraf
5.1. In het geding is de vraag of beklaagden zijn tekortgeschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de kat van klagers, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.
5.2. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat een dierenarts alleen voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk kan worden gehouden en niet voor het veterinair handelen van collega-dierenartsen. Daarnaast kan niet worden geklaagd over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert of deze bejegent, tenzij de zorg voor het dier hieronder heeft geleden.
5.3. Voorafgaande aan de inhoudelijke bespreking van de klacht wordt verder opgemerkt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klagers minder geloof verdient dan dat van beklaagden, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtrechtelijke maatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.
Inhoudelijk
Zaak 2023/72, tegen dierenarts beklaagde sub 1
5.4. Op vrijdag 30 juni 2023 heeft dierenarts beklaagde sub 1 bij de kat een gebitsreiniging onder narcose uitgevoerd. Klagers hebben geen klachten aangevoerd over de wijze waarop de ingreep of de recovery op de kliniek is verlopen.
5.5. Thuisgekomen verliep het herstel niet zoals vooraf was verwacht. Na contact via de spoeddienst en dierenarts beklaagde sub 1, heeft deze de kat naar de praktijk laten komen voor een klinisch onderzoek. Uit de patiëntenkaart volgt dat de kat een polsfrequentie had van 170 slagen per minuut, een lichaamstemperatuur van 37.2°C, roze vochtige slijmvliezen, een (bekend) bultje op de rug, geen afwijkingen met betrekking tot de lymfeknopen en de turgor, een CRT beneden de 1 en dat de hart-en longgeluiden rein en normaal waren.
5.6. Gelet op die onderzoeksbevindingen kan het college volgen dat dierenarts beklaagde sub 1 ervan uit is gegaan dat de kat naar alle waarschijnlijkheid nog kampte met de naweeën van de narcose eerder die dag en is begrijpelijk gehandeld door klagers de keuze voor te leggen tussen i) opname in de eigen kliniek (zonder nachtbewaking), ii) opname in een verder weg gelegen dierenziekenhuis met 24/7-zorg of iii) bezien of de kat in de thuissituatie zou herstellen. Uitgaande van de klinische onderzoeksbevindingen was de gezondheidssituatie van de kat op dat moment niet van dien aard dat opvang in de thuissituatie geen realistische optie betrof of dat met klem had moeten worden aangedrongen op opname in een dierenziekenhuis met 24/7-zorg. Het college wijst erop dat een kliniek niet verplicht is te voorzien in de mogelijkheid tot nachtopvang met fysiek aanwezig personeel. Van belang is dat de zorg voor het dier 24/7 is gewaarborgd en dat dierenartsen duidelijk zijn over de zorg die op de eigen kliniek wordt verleend, zodat diereigenaren een gedegen afweging kunnen maken. In de onderhavige situatie is die duidelijkheid naar het oordeel van het college gegeven en zijn de verschillende opties voorgelegd, waarna klagers ervoor hebben gekozen de kat mee naar huis te nemen.
5.7. In de nacht is er nogmaals contact geweest tussen klagers en dierenarts beklaagde sub 1, omdat de kat klagelijk was gaan miauwen c.q. kreunen, onrustig was, af en toe kort op het bed rondliep om zich vervolgens weer te laten vallen en nog altijd niet goed herstelde. Klagers hebben niet betwist dat dierenarts beklaagde sub 1 met hen de mogelijkheden heeft besproken van i) langskomen op de kliniek voor een beoordeling en eventueel opname, ii) de situatie nog een aantal uren in de thuissituatie af te wachten of iii) opname in een dierenziekenhuis met nachtbewaking. Dit waren naar het oordeel van het college passende en begrijpelijke voorstellen. Klagers hebben er om hen moverende redenen voor gekozen de situatie thuis af te wachten. Dierenarts beklaagde sub 1 treft hierin geen tuchtrechtelijk verwijt.
5.8. Op grond van het voorgaande wordt de klacht tegen dierenarts beklaagde sub 1 ongegrond verklaard.
De zaak 2023/73 tegen dierenarts beklaagde sub 2
5.9. Op zaterdagochtend 1 juli 2023 heeft dierenarts beklaagde sub 2 de kat onderzocht. Daaruit kwam naar voren dat de kat een temperatuur had van 36.2°C, vlot liep maar op de behandeltafel sloom was en een verscherpte ademhaling had. Dierenarts beklaagde sub 2 heeft ter zitting verklaard dat zij als eerste stap de kat wilde opwarmen en haar daarom heeft opgenomen en op een warmtemat heeft gelegd. Uit het feit dat zij de kat echter in een zuurstofkooi heeft geplaatst, leidt het college af dat de verscherpte ademhaling ook een punt van aandacht en zorg was. In dat verband had het naar het oordeel van het college in de rede gelegen direct aanvullend onderzoek te doen in de vorm van bijvoorbeeld een bloedonderzoek en/of een röntgenologisch onderzoek van de thorax. Later die dag is de kat wat opgeknapt, maar weigerde zij nog altijd te eten en had zij nog altijd een verhoogde ademhaling (100). Op dat moment had naar het oordeel van het college zeker nader onderzoek moeten plaatsvinden. Het college wijst er in dit verband op dat het toedienen van een vochtinfuus aan een benauwde kat risico’s met zich brengt. Daarom is het van belang te trachten tijdig duidelijkheid te krijgen over eventuele onderliggende ziekteverschijnselen. In zoverre is niet in overeenstemming met de zorgvuldige beroepsuitoefening gehandeld.
5.10. Klagers verwijten dierenarts beklaagde sub 2 tevens dat zij zich op zaterdagochtend niet goed in het dossier had ingelezen. Dierenarts beklaagde sub 2 heeft ter zitting toegelicht dat klagers ’s-ochtends belden en direct zijn uitgenodigd met de kat naar de kliniek te komen. In de tussentijd heeft zij het dossier snel doorgenomen en contact gehad met dierenarts beklaagde sub 1, die verslag heeft gedaan van de gebeurtenissen sinds vrijdagochtend. Gelet hierop kan naar het oordeel van het college niet worden geconcludeerd dat dierenarts beklaagde sub 2 het verwijt treft dat zij zich onvoldoende heeft voorbereid op het consult.
5.11. Op grond van het voorgaande acht het college de klacht tegen dierenarts beklaagde sub 2 (gedeeltelijk) gegrond, te weten voor zover zij op zaterdag 1 juli 2023 geen althans niet tijdig aanvullend onderzoek heeft verricht. Na te melden maatregel acht het college passend en geboden.
6. DE BESLISSING
Het college:
in de zaak met nummer 2023/72, tegen dierenarts beklaagde sub 1:
verklaart de klacht ongegrond,
in de zaak met nummer 2023/73, tegen dierenarts beklaagde sub 2:
verklaart de klacht gegrond, zoals hiervoor onder 5.11 omschreven en geeft de dierenarts daarvoor een waarschuwing als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.
Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. A.C.M. van Heuven-van Kats en drs. M.J. Wisse en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.