ECLI:NL:TDIVBC:2026:7 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VBC 2026/07 VBC 2026/08
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVBC:2026:7 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-08-2026 |
| Datum publicatie: | 04-08-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Verwerpt het beroep |
| Inhoudsindicatie: | Klachten van een diereigenaar tegen twee dierenartsen over de behandeling van een hond. Klaagster kwam met de hond in de praktijk van de dierenartsen, waar geconstateerd werd dat de hond er zeer slecht aan toe was. De dierenartsen hebben in de omstandigheden aanleiding gezien de politie in te schakelen. De hond is vervolgens met toestemming van de officier van justitie in beslag genomen en hierna geëuthanaseerd. Klaagster maakt de dierenartsen verwijten over de diagnosestelling, het inschakelen van de politie en het weigeren van een second opinion. De klachten zijn in eerste aanleg ongegrond verklaard, klaagster heeft beroep ingesteld. Het Veterinair Beroepscollege ziet op basis van het onderzoek in beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen dan het Veterinair Tuchtcollege en neemt de overwegingen van het Veterinair Tuchtcollege die hebben geleid tot de ongegrondverklaring van de klachten over. De beroepen worden verworpen. |
Zaaknummers: Datum uitspraak:
VBC 2026/07 en VBC 2026/08 4 augustus 2026
Uitspraak op het beroep van:
[appellante], wonende te [plaats],
appellante,
tegen de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 12 februari 2026 in zaaknrs. 2024/85 en 2024/115 in het geding tussen:
appellante
(klaagster in eerste aanleg)
en
drs. [naam] dierenarts te [plaats] (hierna: dierenarts 1) en
drs. [naam], dierenarts in diezelfde plaats (hierna: dierenarts 2).
1. Verloop van de procedure
Bij uitspraak van 12 februari 2026 heeft het Veterinair Tuchtcollege de klachten van
appellante tegen de dierenartsen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante op 9 april 2026 beroep ingesteld. De dierenartsen hebben
een verweerschrift ingediend. Het Veterinair Beroepscollege heeft de zaak ter zitting
behandeld op 10 juli 2026, waar partijen zijn verschenen.
2. Voorgeschiedenis
2.1 Het Veterinair Beroepscollege gaat bij de beoordeling uit van de volgende
feiten en omstandigheden.
2.2 Het gaat in deze zaak om de hond van appellante, een Golden Retriever (teef) met de naam [naam], die 12 à 13 jaar oud was ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze klacht hebben geleid. Op 2 september 2024 omstreeks 16.30 uur is appellante met de hond naar de praktijk van de dierenartsen gekomen met de dierenambulance, omdat ze, naar eigen zeggen, niet beschikte over eigen vervoer. Appellante was niet eerder bij deze praktijk geweest. De reden voor het bezoek was volgens appellante dat er al twee dagen maden over de hond liepen en de dierenwinkel waar zij was geweest, haar had geadviseerd naar een dierenarts te gaan. Appellante stelt dat zij het plan had om de hond te laten behandelen in een dierenziekenhuis en enkel naar de praktijk van de dierenartsen was gekomen voor een inschatting van wat de hond bij het dierenziekenhuis te wachten zou staan.
2.3 Dierenarts 2 heeft een klinisch onderzoek verricht en constateerde dat de hond koorts had (40,5 °C), niet overeind kon komen, niet kon lopen, een vieze, natte vacht had, een grote massa boven het linker oog had, een chronische oorontsteking waar pus uitliep en een wond aan de achterhand met smettende wond had waar maden uit liepen. Omdat dierenarts 2 nog maar kort werkzaam was bij de praktijk, besloot zij haar meer ervaren collega dierenarts 1 erbij te betrekken. Deze heeft de hond nogmaals nagekeken en vanwege de geconstateerde opgezette buik een echografisch onderzoek uitgevoerd, waarbij onder andere een massa voor de blaas en afwijkingen van de blaas zelf zijn geconstateerd. Dierenarts 1 heeft appellante twee opties gegeven: óf opname en intensieve behandeling waarbij de prognose gereserveerd was, óf euthanasie. Appellante liet hierop weten dat zij haar hond niet wilde laten opnemen of euthanaseren, maar mee naar huis wilde nemen. Volgens de dierenartsen liet appellante weten geen geld voor behandeling te hebben. De dierenartsen concludeerden dat de hond er zeer slecht aan toe en leed en dat het mee naar huis geven van de hond niet verantwoord was. De politie is gebeld om te bemiddelen.
2.4 In afwachting van de komst van de politie is de hond pijnstillende en koortsverlagende
medicatie toegediend. De politie heeft ter plaatse vergeefs geprobeerd tussen partijen te bemiddelen. De hond is in beslag genomen door de politie met toestemming van de officier van justitie. Appellante verloor op dat moment de zeggenschap over haar hond en de hond is op de praktijk gebleven. Appellante is in de gelegenheid gesteld afscheid van haar hond te nemen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt en is met achterlating van de hond naar huis gegaan. De dierenartsen kregen later in de middag toestemming van de officier van justitie om te handelen zoals zij het beste voor de hond achtten. De dierenartsen hebben de hond ongeveer twee uur na binnenkomst geëuthanaseerd, wat in hun visie geïndiceerd was gelet op de conditie, de leeftijd, de slechte prognose en om de hond een verdere lijdensweg te besparen. De hond is een dag later op de praktijk opgehaald door de dierenambulance en (collectief) gecremeerd.
2.5 Appellante stelt dat zij haar hond had willen meenemen voor een second opinion bij een dierenziekenhuis en heeft daartoe een brief overgelegd waaruit blijkt dat zij in de avond van 2 september 2024 contact heeft opgenomen met dat dierenziekenhuis. De dierenartsen betwisten dat appellante tijdens het bezoek aan hun praktijk over een second opinion heeft gesproken.
3. Procedure in eerste aanleg
De klachten
3.1 Appellant verwijt de dierenartsen – kort gezegd – dat zij met betrekking
tot haar hond zijn tekortgeschoten in de diagnosestelling, dat ten onrechte een melding
is gedaan bij de politie die heeft geleid tot inbeslagname en euthanasie en dat een
second opinion is geweigerd.
De beslissing van het Veterinair Tuchtcollege
3.2 Het Veterinair Tuchtcollege heeft geoordeeld de dierenartsen in de gegeven
situatie correct hebben gehandeld en heeft de klachten ongegrond verklaard.
4. Gronden van beroep en verweer
Beroepsgronden
4.1 Appellante is het niet eens met de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege.
Het Veterinair Beroepscollege begrijpt het standpunt van appellante voor zover dat
ziet op het diergeneeskundig handelen van de dierenartsen aldus – samengevat en zakelijk
weergegeven – dat het Veterinair Tuchtcollege de voorgeschiedenis onjuist heeft weergegeven.
Appellante wilde geen cliënt worden bij de praktijk van de dierenartsen. Zij wilde
enkel een indicatie van wat de hond mankeerde, niet meer en niet minder. Daarna wilde
zij de hond weer mee terugnemen en zou behandeling plaatsvinden in het dierenziekenhuis.
Dit heeft appellante ook gemeld. Zonder achtergrondinformatie concludeerden de dierenartsen
dat de hond verwaarloosd was. De sfeer was onplezierig, en omdat dierenarts 1 de
hond niet meer wilde teruggeven, heeft appellante verzocht om bemiddeling van de politie.
De politie was zeer onaangenaam en appellante gaf geen toestemming voor euthanasie.
Verweer
4.2 De dierenartsen verwijzen voor hun verweer naar hetgeen zij in eerste aanleg naar voren hebben gebracht. Volgens de dierenartsen hebben zij beiden naar eer en geweten gehandeld en met de intentie om de hond te helpen. Zij zien niet in hoe zij anders hadden kunnen handelen.
5. Beoordeling van het beroep
5.1 Het Veterinair Beroepscollege stelt voorop dat in deze tuchtprocedure tegen de dierenartsen enkel wordt geoordeeld over het diergeneeskundig handelen van de dierenartsen met betrekking tot de hond. Uit de redactie van de klacht en de mondelinge behandeling op zitting komt een beeld naar voren dat de bezwaren van appellante zich in belangrijke mate tevens richten op het optreden van de justitiële autoriteiten met betrekking tot de hond, alsook met betrekking tot een andere hond van appellante. Die gedragingen liggen echter in deze procedure niet ter beoordeling voor.
5.2 De argumenten die appellante in beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. Het Veterinair Tuchtcollege is hierop in de overwegingen 5.5 tot en met 5.7 van de uitspraak van 12 februari 2026 gemotiveerd ingegaan en heeft op goede gronden de klachten ongegrond geoordeeld. Het Veterinair Beroepscollege ziet op basis van het onderzoek in beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen en neemt de overwegingen van het Veterinair Tuchtcollege die hebben geleid tot de ongegrondverklaring van de klachten dan ook over.
5.3 Dit betekent dat de beroepen ongegrond zijn en dat als volgt wordt beslist.
6. Beslissing
Het Veterinair Beroepscollege verwerpt de beroepen.
Aldus gewezen op 4 augustus 2026 door mr. E.A. Minderhoud (voorzitter), mr. J.C.W. Rang,
mr. J.D. Streefkerk (jurist-leden), drs. E.C. de Ruijter, drs. F.R. Kahlmann (dierenarts-leden),
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Moeke als secretaris.