We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TDIVBC:2026:6 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VBC 2025/12

ECLI: ECLI:NL:TDIVBC:2026:6
Datum uitspraak: 26-06-2026
Datum publicatie: 26-06-2026
Zaaknummer(s): VBC 2025/12
Onderwerp: Honden
Beslissingen: Verwerpt het beroep
Inhoudsindicatie: klacht van een diereigenaar tegen een dierenarts over de behandeling van een hond. De klacht is in eerste aanleg ongegrond verklaard, klaagster komt in beroep.  

Zaaknummer:                                                                                       Datum uitspraak:

VBC 2025/12                                                                                        26 juni 2026

Uitspraak op het beroep van:

[appellante], wonend te [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 29 september 2025 in zaaknr. 2024/69

in het geding tussen:

appellante

(klaagster in eerste aanleg)                                                                        

en

drs. [naam], dierenarts te [plaats] (hierna: de dierenarts).

1. Verloop van de procedure

Bij uitspraak van 29 september 2025 (ECLI:NL:TDIVTC:2025:39) heeft het Veterinair Tuchtcollege de klacht van appellante tegen de dierenarts ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante tijdig, op 8 oktober 2025, beroep ingesteld.


De dierenarts heeft een verweerschrift ingediend.

Het Veterinair Beroepscollege heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2026, waar partijen met kennisgeving vooraf niet zijn verschenen.

2. Voorgeschiedenis


2.1       Het Veterinair Beroepscollege gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2       Het gaat in deze zaak om de hond van appellante met de naam [naam] (hierna: de hond), een Bichon Frisé (teef), geboren op 20 april 2011 en ruim 12 jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze procedure hebben geleid.

2.3       Op 23 november 2023 heeft de zoon van de dierenarts, eveneens dierenarts en werkzaam bij dezelfde praktijk, bij de hond een borstontsteking (mastitis) vastgesteld. Daarop is  de hond een antibioticuminjectie toegediend. Ergens in de daarop volgende dagen ging de wond open en kwam er bloed en pus uit. Op 27 november 2023 heeft de zoon van de dierenarts de wond bij de staande hond gespoeld en schoongemaakt. Er is antibiotica voorgeschreven en er werd met appellante afgesproken om de volgende dag met de hond terug naar de praktijk te komen om de wond nogmaals te spoelen.

2.4       Die volgende dag, op 28 november 2023, heeft de dierenarts de wond van de hond gespoeld. De hond is daartoe in zijligging op de behandeltafel gelegd en een assistente heeft de achterpoten gefixeerd c.q. vastgehouden. Dit is volgens appellante met aanzienlijke druk en kracht op de achterpoten gebeurd, waarbij de hond enorm tegenstribbelde en moest worden tegengehouden.

2.5       Appellante heeft twee dagen later, op 30 november 2023, telefonisch contact opgenomen met de praktijk. Zij stelt met de dierenarts te hebben gesproken en hem te hebben gemeld dat de hond moeizaam liep en veel pijn had. Appellante stelt dat zij daarbij desgevraagd aan de dierenarts heeft verteld dat de hond kreupel liep en dat de dierenarts adviseerde de situatie nog even aan te zien. De dierenarts betwist op die dag telefonisch met appellante te hebben gesproken.

2.6       Op 9 februari 2024 heeft appellante met de hond de zoon van de dierenarts geconsulteerd. Deze zou volgens haar hebben geconstateerd dat de hond zowel links als rechts een patella luxatie had. Dit zou enkele dagen eerder, op 5 februari 2024, door een door appellante geraadpleegde orthopeed ook zijn vastgesteld. Deze zou hebben gezegd dat opereren aan de knieën geen optie was in verband met de leeftijd van de hond. In het patiëntverslag met betrekking tot dit consult bij de zoon van de dierenarts wordt overigens geen melding gemaakt van patella luxatie, maar van artrose en rugpijn en dat nadere diagnostiek is besproken in de vorm van echografie, röntgenologie of bloedonderzoek. Daarvan is afgezien.

2.7       Volgens appellante is de hond in verband met de mobiliteitsklachten nog lange tijd met meerdere soorten pijnmedicatie in combinatie met maagbeschermers behandeld, wat uiteindelijk tot maag- darmbloedingen en het overlijden van de hond op 19 september 2024 heeft geleid.

2.8       Voordat de hond op 28 november 2023 door de dierenarts werd behandeld was ze volgens appellante speels en had ze geen enkel probleem met de achterpoten tijdens wandelen en rennen. Vanaf de dag van de behandeling is dit volgens appellante niet meer het geval geweest en is de hond alleen maar slechter, moeizamer en met meer pijn gaan lopen. Appellante wijt dit aan de wijze waarop de hond tijdens het consult op 28 november 2023 is gefixeerd voor het spoelen van de wond. Zij heeft getracht om hierover met behulp van haar rechtsbijstandsverzekeraar contact met de dierenarts te krijgen, echter heeft deze niet op de van haar zijde verstuurde correspondentie gereageerd.

2.9       Hierna is appellante deze tuchtprocedure gestart.

3. Procedure in eerste aanleg


De klacht
3.1       Appellante verwijt de dierenarts dat de hond in het kader van een wondspoeling met te veel druk op de achterpoten is gefixeerd, waardoor de hond pijn en schade aan de knieën heeft opgelopen, resulterend in kreupelheid ten gevolge van een patella luxatie aan beide achterpoten.


De beslissing van het Veterinair Tuchtcollege
3.2       Het Veterinair Tuchtcollege heeft de klacht wegens een gebrek aan toereikend bewijs ongegrond verklaard. Uit de in geding gebrachte verklaringen en overig beschikbaar feitenmateriaal kan onvoldoende steun worden gevonden voor het door klaagster beweerdelijke oorzakelijk verband tussen de wijze waarop Dunya tijdens de behandeling op 23 november 2023 is gefixeerd en de ontstane kreupelheid, aldus het Veterinair Tuchtcollege.
 

4. Gronden van beroep en verweer

Beroepsgronden
4.1       Appellante is het niet eens met de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege. Zij stelt zich – samengevat – op het standpunt dat:

  1. het Veterinair Tuchtcollege het uitgangspunt van beleidsvrijheid van de dierenarts te absoluut heeft toegepast en de dierenarts onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden van de hond tijdens de behandeling;
  2. sprake is van een onjuiste feitenvaststelling en bewijswaardering door het Veterinair Tuchtcollege, dan wel van onvoldoende weging van de zorgplicht;
  3. het Veterinair Tuchtcollege de videobeelden van de hond van 1 oktober 2023 en augustus 2024 onjuist heeft gewaardeerd;
  4. het Veterinair Tuchtcollege het consult en de melding van klachten door appellante onjuist heeft gewogen, door appellante te verwijten dat zij tijdens een consult twee weken later geen melding heeft gemaakt van de pijn en kreupelheid van de hond. Ook heeft het Veterinair Tuchtcollege de door appellante overgelegde verklaringen van derden over de toestand van de hond vóór de behandeling onvoldoende meegenomen en daarmee de feiten onvolledig vastgesteld;
  5. het Veterinair Tuchtcollege de verklaringen van de door appellante geraadpleegde dierenartsen onjuist heeft beoordeeld en ten onrechte heeft geoordeeld dat op basis van het tijdsverloop niet kan worden aangetoond dat de complicatie het gevolg is van de behandeling.

Verweer

4.2       De dierenarts handhaaft zijn standpunt in eerste aanleg en voegt daaraan toe dat de hond ernstig ziek was en goed te behandelen. Er was sprake van necrotiserende mastitis. De hond knapte op en appellante heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de hond op het spreekuur te komen.  

5. Beoordeling van het beroep

Toetsingskader

5.1       De vraag die het Veterinair Beroepscollege moet beantwoorden, is of het Veterinair Tuchtcollege de klacht van appellante terecht ongegrond heeft verklaard. In dat kader dient te worden beoordeeld of kan worden vastgesteld dat de dierenarts tekort is geschoten in de zorg die hij had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van appellante. Bij die beoordeling gaat het er volgens vaste jurisprudentie niet om of de meest optimale zorg is verleend, maar of de dierenarts als redelijk bekwaam en redelijk handelende dierenarts heeft gehandeld.

Beoordeling beroepsgronden

5.2       De beroepsgronden van appellante hangen met elkaar samen en komen alle voort uit het verwijt dat de hond in het kader van de wondspoeling met te veel druk op de achterpoten is gefixeerd, waardoor de hond pijn en schade aan de knieën heeft opgelopen, resulterend in kreupelheid ten gevolge van patella luxatie aan beide achterpoten. Gelet hierop ziet het Veterinair Beroepscollege aanleiding de beroepsgronden gezamenlijk te beoordelen.


5.3       Daarbij volgt het Veterinair Beroepscollege het Veterinair Tuchtcollege in het oordeel dat het tot de beleidsvrijheid van een dierenarts behoort om te kiezen voor een behandelwijze waarmee deze de beste ervaringen heeft en dat het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is dat de dierenarts in dit geval gekozen heeft om de wondspoeling te verrichten bij een liggende hond. Het Veterinair Beroepscollege voegt daaraan toe dat het heel gebruikelijk is om bij een behandeling als deze een hond neer te leggen, omdat op die manier het schoon te maken gebied goed zichtbaar en te behandelen is. Net als het Veterinair Tuchtcollege kan het Veterinair Beroepscollege niet vaststellen dat daarbij zoveel druk op de poten is gezet dat daardoor een patella luxatie heeft kunnen optreden. De door appellante in het geding gebrachte videobeelden maken dit niet anders. Met het Veterinair Tuchtcollege is het Veterinair Beroepscollege van oordeel dat deze beelden, gelet op het tijdsverloop, niet kunnen dienen als bewijs voor de stelling dat de hond als gevolg van de behandeling kreupelheidsklachten heeft gekregen. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van de nadien door appellante geraadpleegde dierenartsen. Voor zover deze dierenartsen geconcludeerd hebben dat de hond klachten aan de knieën had, is hiermee nog niet een oorzakelijk verband met de behandeling door de dierenarts gegeven. Daarbij berust het standpunt van appellante dat het aan de dierenarts is om aan te tonen dat de knieklachten geen gevolg zijn van de behandeling op een onjuist uitgangspunt: voor een gegrond tuchtrechtelijk verwijt dienen eerst de feiten vastgesteld te worden die aan dat verwijt ten grondslag liggen, waarbij het aan de klager is om die feiten voldoende te onderbouwen.

5.4       Het Veterinair Beroepscollege kan, net als het Veterinair Tuchtcollege, niet vaststellen dat appellante twee dagen na de behandeling (op 30 november 2023) telefonisch met de dierenarts heeft gesproken over de kreupelheidsklachten van de hond. Uit de door appellante overgelegde belhistorie blijkt weliswaar dat zij op 30 november 2023 telefonisch contact heeft gehad met de praktijk van de dierenarts, maar daaruit blijkt niet met wie zij heeft gesproken en ook niet wat de inhoud van dit gesprek is geweest. Verder erkent appellante dat zij de kreupelheidsklachten bij een eerstvolgend consult, twee weken na de behandeling, niet ter sprake heeft gebracht. Anders dan appellante aanneemt, is dit geen verwijt aan haar, maar is dit wel mede een reden dat een relatie tussen de behandeling door de dierenarts en de knieklachten van de hond niet is vast te stellen. Ook kan hierdoor niet worden vastgesteld dat de dierenarts onvoldoende nazorg heeft verleend.

Slotsom
5.5       Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Veterinair Tuchtcollege de klacht terecht wegens een gebrek aan toereikend bewijs ongegrond heeft verklaard. Dit betekent dat het beroep van appellante zal worden verworpen.

5.6       Los van deze uitkomst stelt het Veterinair Beroepscollege vast dat de dierenarts zich in de communicatie naar appellante voorafgaand aan de indiening van de klacht weinig responsief heeft opgesteld door niet of nauwelijks te reageren op herhaalde verzoeken van appellante en, later, haar rechtsbijstandverlener om in contact te komen om de ontstane situatie te bespreken. Bij een meer responsieve houding van de dierenarts tegenover appellante had de tuchtprocedure mogelijk kunnen worden voorkomen. Het gebrek aan responsiviteit kan, gelet op het in 5.1 weergegeven toetsingskader, echter geen gevolgen hebben voor de uitkomst van deze procedure.


6.  Beslissing

Het Veterinair Beroepscollege verwerpt het beroep.

Aldus gewezen op 26 juni 2026 door mr. E.A. Minderhoud (voorzitter), mr. J.D. Streefkerk en

mr. J.L.W. Aerts (jurist-leden), drs. F.R. Kahlmann en drs. M.A. van Zuijlen (dierenarts-leden), in tegenwoordigheid van mr. M.D. Moeke als secretaris.