We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TDIVBC:2026:5 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VBC 2025/11

ECLI: ECLI:NL:TDIVBC:2026:5
Datum uitspraak: 26-06-2026
Datum publicatie: 26-06-2026
Zaaknummer(s): VBC 2025/11
Onderwerp: Katten
Beslissingen: Verwerpt het beroep
Inhoudsindicatie: klacht van een diereigenaar tegen een dierenarts over de behandeling van een kat, die uiteindelijk is overleden. De klacht is in eerste aanleg ongegrond verklaard. Klaagster komt in beroep.

Zaaknummer:                                                                                       Datum uitspraak:

VBC 2025/11                                                                                        26 juni 2026

Uitspraak op het beroep van:

[appellante] wonend te [plaats],

appellante,

gemachtigde: mr. N. Ligthart,

tegen de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 17 juli 2025 in zaaknr. 2023/76

in het geding tussen:

appellante

(klaagster in eerste aanleg)

en

[verweerder], dierenarts te [plaats] (hierna: de dierenarts),

            gemachtigde mr. E.J. Brouwer-van Vliet.

1. Verloop van de procedure

Bij uitspraak van 17 juli 2025 (ECLI:NL:TDIVTC:2025:31) heeft het Veterinair Tuchtcollege de klacht van appellante tegen de dierenarts ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante tijdig, op 12 september 2025, beroep ingesteld.


De dierenarts heeft een verweerschrift ingediend.

Het Veterinair Beroepscollege heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2026, waar partijen en hun gemachtigden via beeldbellen zijn verschenen. Aan de zijde van de dierenarts is  

[naam] verschenen. Aan de zijde van appellante haar partner.

2. Voorgeschiedenis


2.1       Het Veterinair Beroepscollege gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2       Het gaat in deze zaak om een kater met de naam [naam] (hierna: de kat) die ten tijde van de gebeurtenissen die tot deze procedure hebben geleid ruim twee jaar oud was.

2.3       Op 21 augustus 2023 heeft appellante telefonisch contact opgenomen met de praktijk van de dierenarts, omdat de kat snel ademde en futloos was. Zelf was appellante al gestart met het geven van een halve dosering van de medicijnen van een vorige ademhalingscrisis.

Volgens appellante heeft de assistent met wie zij heeft gesproken — na overleg met een dierenarts —, afwijzend gereageerd op haar vraag of de kat opgenomen zou kunnen worden, maar is aangeboden medicijnen te komen halen, van welk aanbod appellante gebruik heeft gemaakt. Afgesproken werd dat appellante kon bellen als de toestand van de kat achteruit zou gaan.

2.4       Op 22 augustus 2023 is appellante vanwege het uitblijven van verbetering van de

toestand van de kat met de kat op consult geweest bij de dierenarts. De dierenarts heeft het bloed van de kat onderzocht. Hieruit kwam onder meer een hematocrietwaarde van 10,9% naar voren. De kat is op advies van de dierenarts opgenomen op de praktijk. Hierover is in het dossier genoteerd:

“In opname - bloedarmoede is benauwd en sloom, hier erg bleek, slap, T; 35,6, hart reine tonen, longen verscherpt, versnelde AH heel veeel vlooien!!!! bloed, hematrociet heel laag, waarschijnlijk door de vlooien hier nl opname, opwarmen, iets geven tegen de vlooien (heeft fiproniel gebruikt), vit b12 injectie en dex injectie gegeven”

2.5       Op 23 augustus 2023 mocht de kat naar huis. In het dossier is genoteerd:

“mag naar huis (13.30) gaat naar omstandigheden goed. Blijft ook zonder warmte bron op temperatuur. Thuis wel op een rustige warme plek liefst in een bench. moet echt weer herstellen kan lang duren omdat rode bloedcellen erg laag zijn. eet hier goed recovery. medicatie thuis doorzetten Kleed na credelio stampvol met vlooien!! (nog nooit zo erg gezien) ontzettende besmetting.

• Oorzaak van bloedarmoede door vlooien zeer aannemelijk.”

Volgens appellante had de assistente telefonisch kenbaar gemaakt dat het goed ging met de kat, dat hij goed at en zijn temperatuur keurig vasthield, en dat de kat in de middag kon worden opgehaald. Bij het ophalen lag de kat echter slechts in de reismand en na thuiskomst meende appellante dat de toestand van de kat vergelijkbaar was met die van de dag ervoor: hij was slap en wilde niets eten. Appellante heeft contact opgenomen met de praktijk en geïnformeerd naar de bloedwaarden. Appellante stelt dat zij in de avond, toen de kat nog steeds niet had gegeten, telefonisch contact heeft opgenomen met de dienstdoende spoeddierenarts.

2.6       Op 24 augustus 2023 heeft appellante meerdere malen gebeld met de praktijk, omdat de temperatuur van de kat erg was gedaald en hij nog steeds nauwelijks at. Ze is telkens door assistenten te woord gestaan. Volgens appellante heeft zij bij herhaling gevraagd met de dierenarts te mogen spreken, maar is het daar niet van gekomen. Volgens de aantekening in het dossier (klantgegevens) is aan appellante aangeboden om de kat te komen brengen om weer te worden opgenomen en aan te sterken, maar zag appellante daar vooralsnog vanaf, omdat hij inmiddels onder de warmtelamp lag en al wat begon op te warmen. Als het niet beter zou gaan, zou appellante hem alsnog brengen.

2.7       Op 25 augustus 2023 is de kat overleden. Appellante heeft dit aan de praktijk van de dierenarts gemeld en heeft daarna nog diverse malen telefonisch contact opgenomen met de praktijk.

2.8       Vervolgens is appellante deze tuchtprocedure gestart.

3. Procedure in eerste aanleg

De klacht
3.1       Appellante verwijt de dierenarts, naar de kern genomen, dat zij nalatig en onzorgvuldig is geweest bij het behandelen van de kat van appellante op diverse dagen in augustus 2023, wat heeft geresulteerd in de dood van het dier, waarvoor appellante de dierenarts verantwoordelijk houdt.

De beslissing van het Veterinair Tuchtcollege
3.2       Het Veterinair Tuchtcollege heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van een veterinair tekortschieten door de dierenarts op basis van de verschillende onderdelen van de door appellante tegen haar ingediende klacht. Daarom heeft het de klacht ongegrond verklaard.
 

4. Gronden van beroep en verweer

Beroepsgronden
4.1       Appellante is het niet eens met de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege. Zij stelt zich op het standpunt dat:

  1. de diagnostiek en nazorg gebrekkig waren;
  2. de dierenarts niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend dierenarts,  omdat zij verder onderzoek had moeten verrichten dan wel appellante daarin de keuze had moeten geven;
  3. sprake is van een onverantwoord ontslagbeleid en onbevoegd handelen, doordat een paraveterinair zelfstandig heeft beslist over het ontslag van een ernstig zieke patiënt;
  4. sprake is van schending van de informatieplicht, doordat appellante niet werd geïnformeerd over de ernst van de afwijkingen, niet werd begeleid in de nazorg, en niet in de gelegenheid werd gesteld een arts te spreken;
  5. de dossiervoering van de dierenarts onzorgvuldig is;
  6. de dierenarts als behandelend dierenarts verantwoordelijk is voor het behandeltraject, ook bij afwezigheid of overdracht.

Verweer

4.2       Volgens de dierenarts heeft het Veterinair Tuchtcollege terecht geoordeeld dat er geen tekortkoming is aangetoond in de behandeling van de kat en dat de dierenarts geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Zij stelt zich op het standpunt dat het beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat die tot een andere beoordeling leiden. Het beroepschrift staat volgens de dierenarts vol met aannames en op geen enkele wijze onderbouwde stellingen. Zij verzoekt het Veterinair Beroepscollege om die reden het beroep ongegrond te verklaren en de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege te bevestigen.

5. Beoordeling van het beroep

Toetsingskader

5.1       De vraag die het Veterinair Beroepscollege moet beantwoorden, is of het Veterinair Tuchtcollege de klacht van appellante terecht ongegrond heeft verklaard. In dat kader dient te worden beoordeeld of kan worden vastgesteld dat de dierenarts tekort is geschoten in de zorg die zij had behoren te betrachten ten opzichte van de kat van appellante. Bij die beoordeling gaat het er volgens vaste jurisprudentie niet om of de meest optimale zorg is verleend, maar of de dierenarts als redelijk bekwaam en redelijk handelende dierenarts heeft gehandeld. Het Veterinair Beroepscollege zal hieronder de beroepsgronden, waar mogelijk gezamenlijk, beoordelen.

Gebrekkige diagnostiek en nazorg (a) en onvoldoende onderzoek (b)

5.2       Naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege kan niet worden vastgesteld dat de dierenarts ten aanzien van de diagnostiek en behandeling of bij het onderzoek tekort is geschoten. In dat verband wordt het volgende overwogen.

5.3       Vast staat dat de kat bij het bloedonderzoek op 22 augustus 2023 een hematocrietwaarde had van 10,9% en dat daarmee sprake was van ernstige bloedarmoede. Het college acht het navolgbaar dat de dierenarts de grote hoeveelheid vlooien als aannemelijke oorzaak van die bloedarmoede heeft aangemerkt en allereerst heeft ingezet op de bestrijding daarvan. Verder was het belangrijk dat de temperatuur van de kat verhoogd werd, waartoe de opname van de kat eveneens diende. De rest van de bloedwaardes gaf niet direct aanleiding om van een ander ziektebeeld uit te gaan dan wel een ander beleid in te zetten. Dat de dierenarts er rekening mee had moeten houden dat de kat FIV-positief was, zoals door appellante gesteld, wordt door het Veterinair Beroepscollege niet gevolgd. Appellante heeft haar stelling niet onderbouwd met documenten, terwijl ook uit de patiëntgegevens niet kan worden opgemaakt dat de kat FIV-positief was. De dierenarts ontkent dat appellante dit tijdens het consult heeft gemeld. In de omstandigheid dat in de patiëntgegevens stond dat in het verleden een FIV-test bij de kat was gedaan, heeft de dierenarts wel aanleiding gezien navraag te doen bij een collega, waaruit naar voren kwam dat die eerdere FIV-test negatief was. Nu niet kan worden vastgesteld dat de kat besmet was met FIV en, als dat al het geval zou zijn, de dierenarts hiervan op de hoogte had behoren te zijn, valt niet in te zien dat de dierenarts hier een verwijt kan worden gemaakt.

5.4       Het door appellante overgelegde e-mailverkeer met een andere, door appellante geraadpleegde, dierenarts brengt het Veterinair Beroepscollege niet tot een ander oordeel over het handelen van de dierenarts. Daarbij stelt het Veterinair Beroepscollege voorop dat dit e-mailverkeer heeft plaatsgevonden in augustus/september 2025, toen de kat al was overleden. De geraadpleegde dierenarts noemt het aanleggen van een infuus en het uitvoeren van een bloedtransfusie als mogelijke behandelingen en spreekt over het verrichten van aanvullende bloedtests. Uit de toelichting van appellante blijkt echter dat deze geraadpleegde dierenarts enkel de beschikking had over de bloeduitslag van de kat en dus niet bekend was met het verdere klinische beeld (waaronder de temperatuur en de hoeveelheid vlooien). Daarnaast brengt de opmerking van de geraadpleegde dierenarts dat eventueel een aanvullende behandeling of onderzoek “verstandig” was geweest, niet met zich dat dit ook noodzakelijk was en dat daarmee het handelen van de dierenarts gebrekkig is geweest.

Onverantwoord ontslagbeleid (c), onzorgvuldige dossiervoering (e) en verantwoordelijkheid behandelend dierenarts (f)

5.5       Deze verwijten hebben alle betrekking op het ontslag van de kat uit de praktijk op 23 augustus 2023. De dierenarts was die dag zelf niet aan het werk. Op de zitting van het Veterinair Beroepscollege is gebleken dat een andere dierenarts de kat op de bewuste datum heeft ontslagen en niet, zoals door appellante aangenomen, een paraveterinair. Dit blijkt volgens de dierenarts ook uit de initialen die op de patiëntenkaart onder “Dierenarts” vermeld staan, welke initialen niet corresponderen met die van de dierenarts maar wel met die van een collega. Het Veterinair Beroepscollege ziet geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Over de afwegingen die deze dierenarts aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd kan aan de dierenarts dan ook geen verwijt worden gemaakt. De stelling van appellante dat de dierenarts als behandelend dierenarts per definitie ook verantwoordelijk is voor het handelen van andere dierenartsen ten aanzien van de kat wordt door het Veterinair Beroepscollege niet gevolgd. Appellante heeft in dit verband verwezen naar artikel 5.4 van de Code voor de Dierenarts. Hierin is het volgende bepaald:

“Dierenartsen die praktijk voeren zijn in het kader van de door hun geleverde veterinaire beroepsuitoefening verantwoordelijk voor een ononderbroken diergeneeskundige dienstverlening en zorgen voor een in collegiaal overleg tot stand gekomen vervangingsregeling. Deze regeling dient duidelijk bekend te worden gemaakt.”

5.6       Naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege voorziet dit artikel – kort gezegd – in een goede overdracht en wordt de verantwoordelijkheid voor diergeneeskundige dienstverlening hiermee niet bij één behandelend dierenarts gelegd. Iedere dierenarts is nog steeds verantwoordelijk voor zijn eigen veterinaire handelen. Deze verwijten treffen dan ook geen doel.

Schending informatieplicht (d)

5.7       Appellante verwijt de dierenarts dat zij niet werd geïnformeerd over de ernst van de afwijkingen, niet werd begeleid in de nazorg en niet in de gelegenheid werd gesteld om een dierenarts te spreken. In dit verband heeft zij aangevoerd dat zij gedurende de opname en na ontslag geen enkel contact heeft gehad met een dierenarts, ondanks elf telefonische verzoeken. Zij werd uitsluitend te woord gestaan door assistenten en de verzoeken werden afgedaan met de mededeling dat het niet ernstig was en dat zij het kon aankijken. Hiermee is volgens haar sprake van schending van de informatieplicht.

5.8       Het Veterinair Beroepscollege volgt appellante hierin niet. Voor zover de verwijten betrekking hebben op 22 augustus 2023, toen de kat door de dierenarts is gezien en behandeld,  wordt allereerst verwezen naar wat het Veterinair Beroepscollege hierboven onder  5.2 en 5.3 heeft overwogen. Niet is gebleken dat de dierenarts op die dag is tekortgeschoten in het geven van informatie. Zoals ook het Veterinair Tuchtcollege heeft overwogen heeft de dierenarts toen aan appellante gemeld dat de kat ernstige bloedarmoede had die waarschijnlijk door de vele vlooien was veroorzaakt, en heeft de opname van de kat in overleg met appellante plaatsgevonden. Dat was op dat moment voldoende. Op 23 augustus 2023 was de dierenarts niet aan het werk, zoals hiervoor al duidelijk is gemaakt, zodat haar van de gebeurtenissen op die dag geen verwijten kunnen worden gemaakt. Toen appellante vervolgens op 24 augustus 2023 telefonisch contact opnam met de praktijk, omdat de kat niet at, was de dierenarts wel aan het werk en op de achtergrond aanwezig en is zij ook door de assistente geraadpleegd. Volgens de van die dag gemaakte aantekeningen in de patiëntgegevens is een paar keer telefonisch met appellante gesproken en ook aangeboden dat ze de kat mocht brengen als het niet beter zou gaan. Daartoe is uiteindelijk ook een afspraak met appellante gemaakt, maar deze is later door appellante zelf weer afgezegd. Ter zitting heeft appellante hierover verklaard dat tegen haar gezegd was dat zij de kat beter thuis kon houden, omdat de temperatuur inmiddels weer was opgelopen. Hierdoor was de afspraak volgens appellante weer vervallen. Het Veterinair Beroepscollege kan uit het dossier niet afleiden dat dit zo tegen appellante is gezegd en dat de afspraak daarom geen doorgang heeft gevonden. Dit betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat voor appellante de mogelijkheid bestond om de kat weer naar de praktijk te brengen om daar verder geholpen te worden en een dierenarts te spreken. Verder blijkt niet van hulpvragen die onbeantwoord zijn gebleven, dan wel informatie die niet gedeeld is. Dat de dierenarts de informatieplicht zou hebben geschonden, kan dan ook – mede gelet op de elkaar deels tegensprekende verklaringen hierover – niet worden vastgesteld.

Slotsom
5.9       Uit het voorgaande volgt dat de gronden van beroep niet slagen. Het Veterinair Tuchtcollege heeft de klacht terecht ongegrond verklaard. Het beroep zal dan ook worden verworpen.

6.  Beslissing

Het Veterinair Beroepscollege verwerpt het beroep.

Aldus gewezen op 26 juni 2026 door mr. E.A. Minderhoud (voorzitter), mr. J.L.W. Aerts en

mr. J.D. Streefkerk (jurist-leden), drs. F.R. Kahlmann en drs. M.A. van Zuijlen (dierenarts-leden), in tegenwoordigheid van mr. M.D. Moeke als secretaris.

mr. E.A. Minderhoud