ECLI:NL:TAHVD:2026:57 Hof van Discipline 's Gravenhage 250160

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:57
Datum uitspraak: 16-02-2026
Datum publicatie: 17-02-2026
Zaaknummer(s): 250160
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over de eigen advocaat. De raad heeft twee klachtonderdelen gegrond verklaard en aan verweerder een waarschuwing opgelegd, omdat verweerder geen schriftelijke opdrachtbevestiging heeft verzonden en de raad niet kon vaststellen dat tussen verweerder en klaagster een bepaald uurtarief was afgesproken, zodat de raad het ervoor heeft gehouden dat verweerder met klaagster zijn uurtarief niet heeft besproken. In hoger beroep oordeelt het hof dat verweerder ten aanzien van de uitvoering van zijn werkzaamheden onzorgvuldig heeft gehandeld en in strijd heeft gehandeld met de kernwaarden onafhankelijkheid en deskundigheid. Het hof acht het hoger beroep van klaagster gegrond en legt aan verweerder de maatregel van een berisping op.


Beslissing van 16 februari 2026 
in de zaak 250160

naar aanleiding van het hoger beroep van:


klaagster
 

tegen:


verweerder
gemachtigde: mr. A. Robustella

1    INLEIDING

1.1    Klacht over de eigen advocaat. De raad heeft twee klachtonderdelen gegrond verklaard en aan verweerder een waarschuwing opgelegd, omdat verweerder geen schriftelijke opdrachtbevestiging heeft verzonden en de raad niet kon vaststellen dat tussen verweerder en klaagster een bepaald uurtarief was afgesproken, zodat de raad het ervoor heeft gehouden dat verweerder met klaagster zijn uurtarief niet heeft besproken. In hoger beroep oordeelt het hof dat verweerder ten aanzien van de uitvoering van zijn werkzaamheden onzorgvuldig heeft gehandeld en in strijd heeft gehandeld met de kernwaarden onafhankelijkheid en deskundigheid. Nu ook het derde klachtonderdeel gegrond is, vernietigt het hof de beslissing van de raad op dit klachtonderdeel, alsook op het punt van de door de raad opgelegde maatregel. Het hof acht het hoger beroep van klaagster gegrond en legt aan verweerder de maatregel van een berisping op. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 24-806/AL/GLD) een beslissing gewezen op 7 april 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster gedeeltelijk gegrond verklaard en is aan verweerder de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:90 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.


Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift met bijlagen van klaagster tegen de beslissing is op 4 mei 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van verweerder;
-    aanvullende stukken van klaagster d.d. 25 mei 2025;
-    stelbericht d.d. 15 december 2025 van mr. A. Robustella voor verweerder.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 19 december 2025  Daar zijn klaagster met haar vader verschenen en verweerder met zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 


3    FEITEN

3.1    Verweerder heeft klaagster bijgestaan in een geschil over de levering van een nieuwbouw-woning aan klaagster.

3.2  Op 21 augustus 2023 heeft klaagster zich daartoe telefonisch tot verweerder gewend en daags daarna heeft een kennismakingsgesprek in persoon plaatsgevonden. Toen is onder meer besproken dat klaagster een rechtsbijstandverzekering had en zij bij deze verzekeraar zou informeren of en in hoeverre de advocaatkosten zouden worden vergoed.

3.3     In een e-mail van 24 augustus 2023 heeft klaagster aan verweerder onder meer bericht dat haar rechtsbijstandsverzekeraar geen advocaatkosten vergoedt zolang er geen procedure is gestart. Niettemin heeft zij verweerder verzocht om een (aankondiging) ingebrekestelling te versturen aan de verkoper. Ook verzocht zij verweerder in dat e-mailbericht om niet rechtstreeks te corresponderen of te telefoneren met de betrokken makelaar.

3.4  Op 25 augustus 2023 heeft verweerder een concept overeenkomst van opdracht opgesteld. Deze is echter niet aan klaagster gezonden.

3.5  Op 5 september 2023 heeft klaagster van verweerder een declaratie ontvangen ten aanzien van de tot dan verrichte werkzaamheden van € 1.145,62. Klaagster heeft deze declaratie betaald. Ook op 5 september 2023 heeft verweerder aan klaagster een e-mail gestuurd met daarbij een concept ingebrekestelling. 

3.6     Na voorafgaand onderling contact hebben klaagster en verweerder op 6 september 2023 samen met een bouwkundige, in aanloop naar de overdracht, de nieuwbouwwoning bezocht. Naar aanleiding van deze bezichtiging en het aldaar besprokene heeft klaagster diezelfde dag een e-mail aan verweerder gezonden. Daarin beklaagt zij zich erover dat verweerder haar die middag, in weerwil van de bevindingen van de bouwkundige ten aanzien van onder meer de dakconstructie, adviseerde om de woning wél af te nemen en de ingebrekestelling níet te doen. Klaagster geeft in die e-mail aan zich door verweerder in de steek gelaten te voelen en dat ze van verweerder een duidelijk plan van aanpak verwacht, nu zij niet voornemens is de geplande levering van de woning doorgang te laten vinden. 

3.7    Verweerder heeft op 7 september 2023 in een e-mailbericht gereageerd op dit bericht van klaagster. 

3.8  Bij e-mailbericht van 8 september 2023 heeft klaagster gereageerd op de door verweerder aan de koper gezonden ingebrekestelling. Zij wijst verweerder erop dat in de ingebrekestelling namen verkeerd zijn gespeld en een e-mailadres onjuist is en verzoekt verweerder de ingebrekestelling, na herstel, nogmaals te verzenden.

3.9  In een e-mailbericht van 19 september 2023 heeft klaagster aan verweerder nogmaals haar ongenoegen kenbaar gemaakt over de wijze waarop verweerder haar zaak tot dan toe heeft behartigd.

3.10     In een e-mailbericht van 27 september 2023 heeft klaagster aan verweerder laten weten dat zij de keuze heeft gemaakt voor een andere advocaat.

3.11 In een reactie daarop heeft verweerder in een e-mailbericht van 28 september 2023 aan klaagster vermeld dat hij geen verdere werkzaamheden meer zal verrichten en het dossier zal afwikkelen.

3.12  Op 3 oktober 2023 heeft klaagster van verweerder een slotnota met specificatie ontvangen van € 2.838,01.

3.13  Diezelfde dag heeft klaagster aan verweerder nogmaals gemaild niet tevreden te zijn over de door verweerder geboden diensten, dat zij bij haar nieuwe advocaat inmiddels € 1.649,23 aan kosten heeft gemaakt en die kosten in mindering zal brengen op de door verweerder gezonden factuur.

3.14  In een reactie per e-mail van 4 oktober 2023 heeft verweerder de door klaagster geuite kritiek weersproken, vermeld dat zijn slotnota uit coulance al met ongeveer twee uur was gematigd en dat hij er niet mee akkoord gaat dat klaagster de door haar bij een andere advocaat gemaakte kosten in mindering brengt op zijn slotnota. Met een op 11 oktober 2023 door een kantoorgenoot van verweerder aangeboden creditering van € 1.000,-- heeft klaagster, na enig beraad, niet ingestemd.

3.15  In de periode van 15 oktober 2023 tot en met 7 november 2023 is vervolgens nog meerdere keren per e-mail contact geweest tussen klaagster en verweerder, waarbij op 1 november 2023 door verweerder alsnog de eerder opgemaakte (concept)opdrachtbevestiging aan klaagster is toegezonden.

3.16  Op 5 juni 2024 heeft klaagster een klacht over verweerder ingediend bij de deken.

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De klachtomschrijving luidt: 

a) (…)

b) (…) 

c) verweerder heeft de aan hem gegeven opdracht niet op een zorgvuldige wijze uitgevoerd. 
 

5    OMVANG HOGER BEROEP 
    
Omvang hoger beroep 

5.1    In het door klaagster ingestelde hoger beroep kan zij niet worden ontvangen voor zover het beroep zich richt tegen de door de raad opgelegde maatregel. Het opleggen van een maatregel staat ter vrije beoordeling van het hof. 

5.2    Verder heeft klaagster in mei 2025 bij de deken van het arrondissement waar verweerder onder valt, nieuwe klachten over verweerder ingediend. Klaagster kan niet in haar hoger beroep worden ontvangen voor zover zij het hof verzoekt om ook op die nieuwe klachten te beslissen. Nieuwe verwijten en klachten over verweerder moeten eerst worden ingediend bij de deken (artikel 46c lid 1 Advocatenwet), zodat de deken daarnaar onderzoek kan doen voordat die klacht aan de tuchtrechter wordt voorgelegd. Dit betekent dat het hof de nieuwe verwijten van klaagster buiten beschouwing laat. 

Omvang klachtomschrijving

5.3    Klaagster stelt in haar beroepschrift dat de raad klachtonderdeel c) te summier heeft geformuleerd waardoor zaken niet in de juiste context zijn geplaatst. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de raad blijkt niet dat de klachtonderdelen a) t/m c), die de raad heeft geformuleerd, aan partijen zijn voorgehouden. Het hof zal daarom eerst de omvang van klachtonderdeel c)  in hoger beroep vaststellen. 

5.4    Bij aanvang van het onderzoek ter zitting heeft het hof klachtonderdeel c) aan klaagster voorgehouden. Klaagster heeft desgevraagd bevestigd dat de klachtomschrijvingen 5 t/m 12 uit haar klaagschrift zijn bedoeld als onderbouwing van haar klacht dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld en deze klachtonderdelen tot klachtonderdeel c) kunnen worden gerekend. Met de erkenning door het hof van deze uitleg is klachtonderdeel c) zoals geformuleerd door de raad voor klaagster alsnog akkoord. 


6    BEOORDELING RAAD

De raad heeft klachtonderdeel c) ongegrond verklaard omdat uit het klachtdossier en de toelichting daarop ter zitting niet is gebleken dat verweerder de hem verstrekte opdracht niet op een zorgvuldige wijze zou hebben uitgevoerd. Klaagster had als koper van de woning enkel een rechtsverhouding met de verkoper, niet met de aannemer. Het niet afnemen van de woning op de afgesproken datum zou voor klaagster nadelige financiële gevolgen kunnen hebben. Daar heeft verweerder klaagster in zijn e-mail van 31 augustus 2023 en na de bezichtiging op 6 september 2023 op gewezen. In gemeld e-mailbericht heeft verweerder bovendien nog een aantal andere opties genoemd dan het niet tekenen van de akte van levering, zulks ter beperking van die mogelijk nadelige financiële gevolgen van het niet afnemen van de woning. Verweerder heeft in zijn schriftelijk verweer onweersproken gesteld dat op grond van de koopovereenkomst met de verkopers de aanspraken die de verkopers op de aannemer hadden na de levering op klaagster zouden overgaan. Na de levering kon klaagster zich daardoor verhouden tot de aannemer om de gebreken bij de oplevering alsnog hersteld te krijgen. Het behoort juist tot de taak van een redelijk en zorgvuldig handelend advocaat om zijn cliënt te wijzen op mogelijke (financiële) gevolgen van keuzes die zijn cliënt wenst te maken, zeker als die – zoals in deze zaak – nadelig zouden kunnen zijn voor de cliënt. De verschrijvingen in namen en in een e-mailadres zijn slordig en onzorgvuldig, maar niet van dien aard dat verweerder hiervoor een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Ten aanzien van het verwijt van klaagster dat verweerder rechtstreeks contact heeft gehad met de wederpartij van klaagster terwijl zij dat niet wilde, is door verweerder onweersproken aangevoerd dat niet hij met de wederpartij van klaagster contact heeft opgenomen, maar dat de wederpartij contact heeft opgenomen met hem. Dat verweerder de wederpartij toen kort te woord heeft gestaan, kan hem naar het oordeel van de raad tuchtrechtelijk niet worden tegengeworpen. Dit valt binnen de vrijheid van de toepasselijke maatstaf. 


7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

7.1    Samenvattend legt klaagster aan haar hoger beroep ten grondslag dat zij verweerder verwijt dat hij onzorgvuldig, ondeskundig en niet integer heeft gehandeld omdat verweerder:

-  geen plan van aanpak heeft opgesteld en toegestuurd aan klaagster;
- heeft verzuimd om de op 8 september 2023 naar het verkeerde e-mailadres gestuurde ingebrekestelling opnieuw te versturen;
- op de ochtend van 8 september 2023 een e-mail van de advocaat van de verkopers heeft doorgestuurd aan klaagster zonder enige toelichting, terwijl op diezelfde dag ’s middags de oplevering van de woning plaatsvond alsook de levering van de woning aan klaagster gepland stond;
- tegenstrijdige adviezen heeft gegeven waardoor klaagster in verwarring is gebracht en niet meer wist waar zij aan toe was. 

Verweer verweerder

7.2    Verweerder heeft  gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


8    BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1     De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

8.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

8.3    Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit Regel 16 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven.

Overwegingen hof

Ten aanzien van de kwaliteit van de dienstverlening 

8.4    Op het moment dat verweerder klaagster ging bijstaan in het geschil dat was ontstaan met haar wederpartij, moet de urgentie duidelijk zijn geweest voor verweerder. Verweerder heeft na het kennismakingsgesprek met klaagster op 22 augustus 2023 de belangenbehartiging op zich genomen en wist op dat moment dat de geplande notariële overdracht van de woning – waar het geschil betrekking op had – op 8 september 2023 zou plaatsvinden. 


8.5    Van verweerder, over wie de website van het kantoor waar hij in dienst is aangeeft dat hij is gespecialiseerd in vastgoedrecht, mag verwacht worden dat hij duidelijk en concreet de opties die klaagster had en de bij elke optie horende risico’s met klaagster bespreekt en wat is besproken vervolgens schriftelijk vastlegt. Verweerder stelt dat te hebben gedaan in zijn e-mailbericht van 31 augustus 2023. In die e-mail schetst verweerder echter in algemene zin de opties maar laat hij na deze toe te spitsen op de situatie van klaagster, hetgeen wel van verweerder verwacht mocht worden. 

8.6  Op 6 september 2023 is verweerder met klaagster naar de woning gegaan om deze van de buitenzijde te bezichtigen. Deze bezichtiging was voor verweerder aanleiding om – in tegenstelling tot zijn advies één dag eerder – klaagster te adviseren toch geen ingebrekestelling aan de verkopers te sturen en de levering op 8 september 2023 door te laten gaan.

8.7 Het hof stelt voorop dat ontwikkelingen in een zaak ertoe kunnen leiden dat een advocaat terugkomt op een eerder gegeven advies en een ander advies geeft. De professionele standaard verlangt dat ook van een advocaat. Diezelfde professionele standaard verlangt echter ook van een advocaat dat hij het gewijzigde advies met zijn cliënt bespreekt en vervolgens schriftelijk bevestigt. Naar het oordeel van het hof heeft verweerder dat, gelet op de gang van zaken, onvoldoende gedaan en dat acht het hof onzorgvuldig. Klaagster laat in het  e-mailbericht dat zij op 6 september 2023 aan verweerder heeft gestuurd duidelijk merken dat zij door het gewijzigde advies van verweerder in verwarring is gebracht. Verweerder heeft weliswaar op 7 september 2023 inhoudelijk gereageerd op de bij klaagster ontstane verwarring en ontevredenheid daarover, maar verweerder had – gelet ook op de urgentie (de overdracht zou 8 september 2023 plaatsvinden) – het wijzigen van zijn advies beter moeten uitleggen aan klaagster. 

8.8  Het hof verwijt verweerder dat hij in zijn (advies)werkzaamheden onvoldoende met klaagster heeft gecommuniceerd. Het verwijt aan verweerder ziet derhalve niet op wat hij heeft geadviseerd, maar op de wijze waarop verweerder dat heeft gedaan. Verweerder heeft in de opdrachtbevestiging (die klaagster overigens eerst heeft ontvangen nadat klaagster naar een andere advocaat was gegaan) niets opgenomen over de juridische (on)mogelijkheden en bijbehorende risico’s en verweerder heeft dat op latere momenten in zijn belangenbehartiging ook niet (voldoende) gedaan, terwijl dit van een zorgvuldig en behoorlijk handelend advocaat wel verwacht mag worden. 

8.9    Ook met betrekking tot de gebeurtenissen op 8 september 2023 heeft verweerder naar het oordeel van het hof onvoldoende adequaat gehandeld en daarmee de belangen van klaagster niet voldoende zorgvuldig behartigd. Nadat verweerder die ochtend een schriftelijke reactie ontving van de advocaat van de verkopers heeft verweerder die weliswaar kort na ontvangst doorgestuurd aan klaagster, doch zonder enige toelichting hierbij, terwijl verweerder wist dat later op diezelfde dag de notariële levering gepland stond en klaagster haar bedenkingen had of zij daar aan wilde meewerken. Het lag op de weg van verweerder om klaagster na het doorsturen van de schriftelijke reactie van de verkopers concreet te adviseren. Hoewel verweerder zegt klaagster te hebben gebeld, heeft het hof niet kunnen vaststellen wat verweerder met klaagster heeft besproken en/of wat hij heeft geadviseerd, omdat verweerder ook hiervan niets schriftelijk heeft vastgelegd. Het hof rekent dit verweerder aan. De omstandigheid dat verweerder op 8 september 2023 wegens een kantooruitje buiten kantoor was, is irrelevant en doet niets af aan de eigen verantwoordelijkheid van verweerder. Daarbij moet het verweerder bij het aanvaarden van de opdracht (hij had toen immers al een gesprek gehad met klaagster) duidelijk zijn geweest dat de notariële overdracht op  een datum gepland stond waarop hij niet beschikbaar zou zijn voor klaagster. Die wetenschap had voor verweerder reden kunnen zijn de opdracht niet aan te nemen. Door dat wel te doen, heeft  verweerder de verantwoordelijkheid aanvaard beschikbaar te zijn voor overleg met klaagster, ook op momenten dat hij niet of minder goed bereikbaar was.

8.10     Het hof verwijt verweerder voorts gebrek aan regie. Verweerder had op 8 september 2023 
– maar ook op andere momenten in het dossier – zich pro-actiever behoren op te stellen. Verweerder had leidend behoren te zijn in het geschil waarin door de tijdsdruk snel geschakeld moest worden en daarin had hij (meer) regie behoren te nemen. In plaats daarvan heeft verweerder vanaf de aanvang van zijn werkzaamheden een te afwachtende houding aangenomen en onvoldoende oog gehad voor de urgentie en de zorg die dit gaf bij klaagster. Verweerder heeft het initiatief – ook in de correspondentie met de wederpartij – teveel aan klaagster gelaten. Verweerder is daarbij onvoldoende kritisch geweest op wat klaagster wenste en verweerder heeft onvoldoende besproken, laat staan vastgelegd, wat de risico’s konden zijn voor klaagster van standpunten die zij wilde innemen. Daarmee heeft verweerder zich onvoldoende onafhankelijk opgesteld ten opzichte van klaagster, zijn cliënte. Het klakkeloos overnemen van wat een cliënt wil is voorts onzorgvuldig, niet deskundig en strookt niet met de voor een advocaat geldende professionele standaard. 
 
Slotsom 

8.11     Het voorgaande betekent dat het hof, in tegenstelling tot de raad, van oordeel is dat verweerder zijn werkzaamheden onzorgvuldig, niet-professioneel en niet-deskundig heeft verricht en dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Het hof zal klachtonderdeel c) daarom gegrond verklaren als gevolg waarvan het hof zich ook zal moeten uitlaten over de op te leggen maatregel. 


9    MAATREGEL

9.1    Verweerder heeft met zijn handelwijze niet gehandeld zoals van een zorgvuldig en bekwaam handelend advocaat verwacht mag worden. Verweerder heeft daarbij in strijd gehandeld met de kernwaarden onafhankelijkheid en deskundigheid. Tijdens het onderzoek ter zitting, waarbij verweerder weinig kennis van het dossier toonde, heeft het hof niet kunnen vaststellen dat verweerder blijk gaf van enige zelfreflectie op zijn handelen en evenmin welk effect zijn handelwijze op klaagster heeft gehad. Het hof acht een berisping passend en geboden en zal ook op dit onderdeel de beslissing van de raad vernietigen. 

9.2    De door klaagster verzochte vergoeding van € 1.250,-- (die het hof verstaat als een verzoek om een geldboete) wijst het hof af nu de schade die zij stelt te hebben geleden onvoldoende is onderbouwd. 


10    PROCESKOSTEN

10.1     Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:    
                                                                                                                              
a) € 50,- kosten  van klaagster (forfaitair); 
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.

10.2     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,-- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn/haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

10.3     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.


11    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

11.1     vernietigt de beslissing van 7 april 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-806/AL/GLD, voor zover daarin klachtonderdeel c) ongegrond is verklaard en aan verweerder de maatregel van een waarschuwing is opgelegd;

en doet opnieuw recht:

11.2     verklaart klachtonderdeel c) gegrond; 

11.3     legt aan verweerder de maatregel van een berisping op; 

11.4     bekrachtigt de beslissing voor het overige;

11.5     veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van
€ 50,-- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

11.6     veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.


Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.
 

griffier    voorzitter             


De beslissing is verzonden op 16 februari 2026