ECLI:NL:TAHVD:2026:55 Hof van Discipline 's Gravenhage 240295

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:55
Datum uitspraak: 16-02-2026
Datum publicatie: 16-02-2026
Zaaknummer(s): 240295
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Handelen van een deken, lid R.v.T, R.v.D, Hof
  • Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Getuigen/deskundigen
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Ongegrond verzet tegen voorzittersbeslissing om een klacht tegen de deken niet te verwijzen.

Beslissing van 16 februari 2026
in de zaak 240295

naar aanleiding van het verzet 
tegen de beslissing van de voorzitter van het hof 
van 7 november 2024 op de klacht van:

klager

tegen:

verweerder

1    DE PROCEDURE 

1.1    Met de beslissing van 7 november 2024 heeft de voorzitter van het hof de verwijzing van de klacht tegen verweerder afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2024:280 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2    Het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter is op 15 november 2024 ontvangen door de griffie van het hof en aangevuld met meerdere e-mails van 17, 18 en 19 november 2024 (met bijlagen). Behalve het verzet bevat het dossier:
-    de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt;
-    e-mail correspondentie van december 2024;
-    e-mail correspondentie van februari 2025;
-    e-mail van klager van 15 september 2025 met negen bijlagen;
-    e-mail van de deken met bijlagen van 18 november 2025.

1.3    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 7 november 2025. De deken was met bericht van verhindering afwezig. Klager was via een digitale verbinding aanwezig. De zitting is aangehouden, omdat het hof geen kennis had genomen van de stukken die klager op 15 september 2025 per e-mail nog had toegezonden. Het hof heeft vervolgens de deken nog om nadere informatie gevraagd. Het bericht van de deken is doorgeleid aan klager. 

1.4    De zitting is op 20 januari 2026 via Teams in dezelfde samenstelling voortgezet. Klager bleek in eerste instantie niet te kunnen inloggen. Nadat hem de link nogmaals is toegezonden, kon klager wel inloggen maar is het hem niet gelukt ook beeld en geluid te krijgen. Klager heeft het hof vervolgens per e-mail bericht dat het hem niet was gelukt om bij de zitting aanwezig te zijn en dat het hof de zaak verder maar zonder hem moest afwikkelen. 


2    HET VERZET

De gronden van verzet
2.1    Klager heeft aangevoerd dat de uitspraak van de voorzitter onrechtmatig is en ongefundeerd nattevingerwerk bevat. Het hof heeft kennisgenomen van een vermoedelijk ernstig misdrijf en is daarom verplicht daarvan aangifte te doen. Klager is namelijk van mening dat zijn voormalig advocaat (tegen wie hij bij verweerder heeft geklaagd) zich onder meer schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Het conflict kan snel en simpel worden beëindigd als het hof verweerder opdracht geeft om de repliek van klager toe te laten en als de beklaagde advocaat klager de eigen bijdrage van € 701,- terugbetaalt. 

2.2    De concrete bezwaren van klager tegen de beslissing van de voorzitter zijn de volgende: 
-    Ten onrechte heeft de voorzitter beslist dat verweerder niet hoeft te bemiddelen tussen klager en de advocaat. De deken is daartoe verplicht volgens artikel 46d Advocatenwet. Verweerder moet bemiddelen over de teruggave van de eigen bijdrage. 
-    Ten onrechte heeft de voorzitter beslist dat de deken klagers repliek/dupliek met producties niet hoeft in te brengen in de klachtprocedure tegen de advocaat. De deken heeft de advocaat wel toegestaan om een dupliek in te dienen, maar de reactie van klager daarop vervolgens geweigerd. Daarmee heeft verweerder geprobeerd de advocaat te beschermen tegen onweerlegbaar bewijs van fraude en valsheid in geschrifte. Door de stukken niet in ontvangst te nemen wordt de waarheidsvinding belemmerd. 
-    Ten onrechte heeft de voorzitter ongefundeerd aangenomen dat de advocaat haar werkzaamheden heeft gestaakt wegens een vertrouwensbreuk. De vertrouwensbreuk wordt betwist en is onderdeel van de klacht tegen de advocaat. Verweerder is waanzinnig partijdig. 

Reactie van verweerder
2.3    Verweerder heeft het hof desgevraagd bij brief van 18 november 2025 medegedeeld dat klager meerdere klachten bij hem heeft ingediend over zijn voormalig advocaat. Enkele klachten zijn niet in behandeling genomen, omdat zij hetzelfde inhielden als al behandelde klachten. In twee gevallen zijn de klachten afgesloten met een dekenstandpunt. De beide zaken zijn niet aan de Raad van Discipline voorgelegd. Klager heeft het verschuldigde griffierecht niet betaald. De behandeling van de klachten van klager heeft plaatsgevonden conform de Leidraad dekenaal klachtonderzoek. Klager heeft verweerder nog stukken toegezonden nadat het onderzoek was gesloten. Als klager meende dat die stukken van belang waren, had hij de klacht moeten voorleggen aan de Raad van Discipline. Daar had hij die stukken alsnog kunnen overleggen.

3    BEOORDELING 

Verzet mogelijk? 
3.1     De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advw. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen. 

3.2    De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.

Maatstaf
3.3    Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

Beoordeling
3.4    Klager is het niet eens met enkele procedurele beslissingen van de deken in het kader van de behandeling van klagers klacht tegen een andere advocaat. In het bijzonder betreft het de beslissing van de deken om niet te bemiddelen en de beslissing van de deken om klager niet in de gelegenheid te stellen om een nadere reactie te geven en/of nadere stukken in het geding te brengen. Verder stelt hij dat de vraag of sprake was van een vertrouwensbreuk tussen hem en de advocaat onderdeel uitmaakte van de klacht tegen die advocaat. 

3.5    Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. De deken is niet verplicht om te bemiddelen. Over de beslissing van de deken om niet te bemiddelen kan daarom niet worden geklaagd. Klager heeft verder de mogelijkheid gehad om de klacht, na sluiting van het onderzoek van de deken, voor te leggen aan de Raad van Discipline. Bij de raad had hij alsnog de stukken in het geding kunnen brengen die de deken niet aan het dossier heeft willen toevoegen. Ook had hij bij de raad aan de orde kunnen stellen waarom hij het niet eens is met de visie van de deken op de klacht en hoe hij denkt over het al dan niet bestaan van een vertrouwensbreuk tussen hem en de advocaat. Van die mogelijkheid heeft klager geen gebruik gemaakt. Dat betekent echter niet dat hij deze zaken (alsnog) aan de orde kan stellen door middel van een klacht tegen de deken. Daar is het klachtrecht niet voor bedoeld. 

3.6     Op grond van het voorgaande is het verzet van klager ongegrond.

4    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

4.1    verklaart het verzet ongegrond.


Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. J. Blokland en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 16 februari 2026.