ECLI:NL:TAHVD:2026:51 Hof van Discipline 's Gravenhage 250373
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:51 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-02-2026 |
| Datum publicatie: | 16-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250373 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13. De deken heeft het verzoek om aanwijzing van een advocaat afgewezen. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de tijd die resteerde tot het einde van de termijn voor het indienen van het wrakingsverzoek waarvoor om een advocaat is gevraagd te kort was. Daarnaast is het volgens de deken aan de opstelling van klagers te danken dat hun vorige advocaat zich heeft onttrokken. Het hof heeft het beklag ongegrond verklaard, de termijn voor het indienen van het wrakingsverzoek is inmiddels (ruimschoots) verstreken. Klagers hebben geen belang meer bij aanwijzing van een advocaat voor het indienen van het wrakingsverzoek. De door klagers in het beklag genoemde inhoudelijke gronden, die door de deken zijn weersproken, behoeven bij gebrek aan enig belang geen nadere bespreking meer. |
Beslissing van 16 februari 2026
in de zaak 250373
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klagers
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klagers hebben op 22 september 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot
aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 23 september 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de tijd die resteerde tot het einde van de termijn voor het indienen van het wrakingsverzoek waarvoor om een advocaat is gevraagd te kort was. Daarnaast is het volgens de deken aan de opstelling van klagers te danken dat hun vorige advocaat zich heeft onttrokken.
Bij het hof
1.3 Klagers hebben op 4 november 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken
ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit
het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
Klagers zijn verwikkeld in een procedure tegen de gemeente Amsterdam. Op 11 september 2025 hebben klagers – ter zitting van het gerechtshof Amsterdam – een wrakingsverzoek ingediend. De advocaat van klagers, mr. B, was ter zitting niet aanwezig. Klagers zijn er bij e-mailbericht van 12 september 2025 door de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam op gewezen dat het wrakingsverzoek alleen door een advocaat ingediend kan worden. Klagers zijn in de gelegenheid gesteld om het wrakingsverzoek alsnog, uiterlijk op 26 september 2025 om 17:00 uur, door een advocaat te laten indienen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klagers stellen dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klagers
hebben aangevoerd dat hun advocaat, mr. B., zich op 11 september 2025 heeft onttrokken
en dat zij tussen 14 en 19 september 2025 minstens zes advocaten(kantoren) hebben
benaderd die allemaal hebben laten weten dat zij de zaak niet konden overnemen. Naast
het zelf benaderen van advocaten hebben klagers ook de rechtsbijstandsverzekeraar
ARAG geïnformeerd en ingeschakeld. ARAG heeft bij mail van 22 september 2025 geweigerd
een nieuwe advocaat in te schakelen.
3.2 Nadat de eigen zoektocht en de weg via ARAG op niets waren uitgelopen, hebben klagers direct een verzoek tot aanwijzing van een advocaat ingediend bij de deken. Klagers stellen dat zij vanaf 11 september 2025 voortvarend hebben gehandeld. Het verzoek is daarom volgens klagers niet te laat ingediend. Klagers hebben erop gewezen dat zij, ook al is de wrakingstermijn inmiddels verstreken, in hoger beroep in een complexe materie zonder advocaat zitten.
Verweer
3.3 De deken heeft aangevoerd dat het aan klagers zelf te wijten was dat zij
zonder advocaat kwamen te zitten. De deken heeft in dit verband gewezen op de instructie
die klagers op 8 september 2025 aan hun advocaat mr. van B hebben gemaild en de reactie
van mr. van B van 8 september 2025. Mr. van B heeft in deze mail de gevolgen van de
onttrekking aan klagers voorgehouden. Op 9 september 2025 heeft mr. van B aan klagers
laten weten dat hij zich vooralsnog niet zou onttrekken. Op 11 september 2025 is mr.
van B verschenen bij de mondelinge behandeling bij het gerechtshof. Daar hebben klagers
aan mr. van B verzocht zich terug te trekken en hebben zij hem niet toegestaan de
zittingszaal in te gaan. Op dezelfde dag heeft mr. van B aan klagers meegedeeld dat
hij zich formeel onttrekt aan de procedure bij het gerechtshof. De deken heeft gewezen
op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 september 2025 waaruit
blijkt dat het hof na beraad en onder verwijzing naar het rolreglement aan klagers
heeft meegedeeld dat de zaak niet zou worden aangehouden. Klagers hebben op dat moment
de gelegenheid gehad om zelf een korte toelichting op hun standpunt te geven, maar
hiervan geen gebruik gemaakt.
3.4 De deken is van mening dat de resterende termijn voor het indienen van het wrakingsverzoek te kort was om nadere informatie op te vragen en voor een aan te wijzen advocaat om zich in de omvangrijke zaak te verdiepen en een onderbouwd wrakingsverzoek in te dienen.
3.5 In dupliek heeft de deken gereageerd op de punten die klagers in repliek hebben aangevoerd.
1. Advocaat-cliëntcommunicatie
Voor zover klagers in de repliek verwijzen naar oneigenlijk gebruik van advocaat-cliëntcorrespondentie,
heeft de deken opgemerkt dat, waar klagers stellen dat zij geen toestemming hebben
gegeven voor het delen of gebruiken van deze informatie en dat het onmiskenbaar vertrouwelijke
advocaat-cliëntcommunicatie betreft, het op de weg van klagers ligt om de deken volledig
en juist te informeren. De toestemming voor contact met de voormalig advocaat is door
klagers verleend. Op de website van de Amsterdamse orde van advocaten kan een verzoek
voor aanwijzing van een advocaat ex artikel 13 Advocatenwet worden gedaan. Hierbij
is erop gewezen dat onder de vraag “Bent u in deze kwestie al eerder bijgestaan door
een advocaat?”, staat vermeld “Opm. wij nemen mogelijk contact op met de advocaat.
U geeft daar bij deze toestemming voor.” Dat klagers geen toestemming zouden hebben
verleend aan de deken om contact op te nemen met hun voormalig advocaat, is dan ook
feitelijk onjuist.
2. E-mail van voormalig advocaat aan rechtsbijstandsverzekeraar
In reactie op de stelling van klagers dat hun voormalig advocaat aan de rechtsbijstandsverzekeraar
heeft laten weten dat hij ‘om hem moverende redenen’ zich aan de zaak heeft onttrokken
en dat hun niets te verwijten valt in deze en dat zij derhalve onverwacht zonder advocaat
kwamen te zitten, heeft de deken opgemerkt dat uit de woorden ‘om hem moverende redenen’
niet kan worden opgemaakt dat klagers niets te verwijten valt. Gelet op de informatie
die de deken als toezichthouder van de voormalige advocaat heeft ontvangen, blijkt
anderszins.
3. Datum ontvangst aanwijzingsverzoek te laat
Klagers hebben aangevoerd dat zij pas op 22 september 2025 van hun rechtsbijstandsverzekeraar
uitsluitsel kregen dat een vervangende advocaat hen zou worden geweigerd. De deken
heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat klagers tot dat moment in de
veronderstelling waren dat de rechtsbijstandsverzekeraar een advocaat voor hen zou
aanwijzen, haar als deken niet kan worden verweten. De datum van de indiening van
het aanwijzingsverzoek is volgens de deken relevant en deze was te laat om een advocaat
aan te wijzen.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig)
een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door
een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden,
zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan
een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een
dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen
verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans
van slagen heeft.
4.2 De termijn voor het (laten) indienen van het wrakingsverzoek verliep op 26 september 2025 om 17:00. Nu deze termijn inmiddels (ruimschoots) is verstreken, hebben klagers geen belang meer bij aanwijzing van een advocaat voor het indienen van het wrakingsverzoek. Reeds om die reden is het beklag ongegrond. De door klagers in het beklag genoemde inhoudelijke gronden, die door de deken zijn weersproken, behoeven bij gebrek aan enig belang geen nadere bespreking meer.
4.3 Voorzover klagers hebben betoogd dat aanwijzing van een advocaat noodzakelijk is omdat zij in een complexe zaak zonder advocaat zitten, overweegt het hof dat het aanwijzingsverzoek van klagers beperkt is tot het aanwijzen van een advocaat voor het indienen van het wrakingsverzoek.
4.4 Uit het voorgaande volgt dat het beklag tegen de beslissing van de deken van 23 september 2025 om geen advocaat aan te wijzen op de voet van artikel 13 Advocatenwet ongegrond zal worden verklaard.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klagers tegen de beslissing van 23 september 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 16 februari 2026.