ECLI:NL:TAHVD:2026:40 Hof van Discipline 's Gravenhage 250136D
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:40 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-02-2026 |
| Datum publicatie: | 09-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250136D |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Het betreft een dekenbezwaar na een eerdere schorsing van verweerder ex artikel 60ab Advocatenwet. De deken verwijt verweerder dat hij niet voldoet aan de kernwaarde deskundigheid en daarnaast niet meewerkt aan (tuchtrechtelijk) onderzoek en de toezichthoudende taak van de deken structureel ondermijnt. Het betreft een hoger beroep van verweerder. Het hof oordeelt dat de door verweerder aangevoerde beroepsgronden niet slagen en dat de oplegging van de maatregel tot schrapping van het tableau in stand blijft. |
Beslissing van 9 februari 2026
in de zaak 250136D
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
deken
1 INLEIDING
1.1 Het betreft een dekenbezwaar na een eerdere schorsing van verweerder ex artikel 60ab Advocatenwet. De deken verwijt verweerder dat hij niet voldoet aan de kernwaarde deskundigheid en daarnaast niet meewerkt aan (tuchtrechtelijk) onderzoek en de toezichthoudende taak van de deken structureel ondermijnt. Het betreft een hoger beroep van verweerder.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, het dekenbezwaar en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen de deken en verweerder op 17 maart 2025 (zaaknummer: 24-861/AL/MN/D) een beslissing genomen. In deze beslissing is het dekenbezwaar gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van schrapping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI: NL:TADRARL:2025:73 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 15 april 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van de deken.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
12 december 2025. Daar zijn de deken en mr. H. verschenen tot bijstand van de deken.
Verweerder is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Verweerder is op 1 mei 1996 beëdigd als advocaat (en procureur) in het (toenmalige) arrondissement Rotterdam. Sinds 30 januari 2023 houdt hij kantoor in het arrondissement Midden-Nederland.
3.3 Verweerder was ten tijde van het indienen van het dekenbezwaar 73 jaar oud en kampte het laatste jaar voor het bezwaar met gezondheidsproblemen.
3.4 Eind februari 2023 heeft de deken een signaal ontvangen van het gerechtshof Den Haag. Dit betrof de manier waarop verweerder overkwam tijdens de zitting aldaar, waarbij verweerder op onvaste wijze liep en moeilijk verstaanbaar was.
3.5 Op 14 april 2023 heeft vanuit de orde een bezoek plaatsgevonden aan het kantoor van verweerder. Daarbij bleek dat verweerder geen vaste waarneming heeft, hij er meerdere derdengeldenrekeningen op na houdt en dat de website, de klachtenregeling, de algemene voorwaarden, de privacyverklaring en het kantoorboek niet of onvoldoende op orde zijn.
3.6 In een e-mail van 21 april 2023 is verweerder verzocht een lijst van lopende zaken aan te leveren. Aan de hand van de lijst zou vervolgens op zoek worden gegaan naar advocaten die deze zaken mogelijk van verweerder zouden kunnen overnemen.
3.7 De gevraagde lijst heeft verweerder niet verstrekt. Wel heeft hij in een reactie van 22 mei 2023 verklaard dat hij ervan uitging dat hij eerst namen van de desbetreffende advocaten zou ontvangen. Verder heeft hij aangegeven er de voorkeur aan te geven de lopende zaken zelf af te ronden vanwege de gevoeligheden en in verband met zijn geheimhoudingsplicht. Tevens heeft hij aangegeven door gezondheidsproblemen slecht ter been te zijn.
3.8 In een e-mail van 22 mei 2023 is een tweede kantoorbezoek aangekondigd, omdat
verweerder de verzochte lijst niet had aangeleverd. Dat bezoek heeft op 12 juni 2023
plaatsgevonden. Ter gelegenheid van dat bezoek heeft verweerder verklaard nog steeds
slecht ter been te zijn en hoogstwaarschijnlijk geopereerd te moeten worden. Hierdoor
is het voor hem een enorme klus om de zaken uit de kast te halen en daar een overzicht
van te maken. De medewerkers van het ordebureau hebben vervolgens voorgesteld dat
zij de zaken uit de kast zouden halen om deze te bekijken, maar daar gaf verweerder
geen toestemming voor. Ook gaf verweerder aan voorlopig nog te willen doorgaan met
zijn advocatenpraktijk. Hierop is verweerder medegedeeld dat hij ingevolge artikel
45a lid 1 Advocatenwet en artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht niet kan weigeren
aan het verzoek van de deken te voldoen. Ook is gewezen op gedragsregel 29 en dat
verweerder
bij een dergelijk verzoek geen beroep kan doen op zijn geheimhoudingsplicht. Aan
verweerder is een aantal namen verstrekt van advocaten/kantoren waarmee hij contact
kon opnemen om de waarneming te regelen. Hem is een termijn verleend van één maand
om dit te bewerkstelligen.
3.9 Verweerder heeft op 12 juni 2023 een verslag gemaakt van het kantoorbezoek dat op diezelfde dag heeft plaatsgevonden.
3.10 In een brief van 15 juni 2023 heeft verweerder gereageerd naar aanleiding van het kantoorbezoek. Daarin heeft verweerder aangegeven dat er nooit een afspraak is gemaakt om een opgave te doen van zijn lopende dossiers en dat dossiers pas kunnen worden overgedragen als de betreffende cliënten daarvoor toestemming hebben verleend. Verweerder heeft verzocht om de termijn waarbinnen hij zijn kantoororganisatie op orde moet brengen te verlengen met één tot twee maanden.
3.11 In een brief van 3 juli 2023 heeft verweerder herhaald dat zijn cliënten het niet toestaan om gegevens/stukken te verstrekken aan de deken.
3.12 In een e-mailbericht van 18 juli 2023 is aan verweerder bericht dat de deken op 24 augustus 2023 een bezoek wil brengen aan zijn kantoor. Nadat verweerder heeft gereageerd dat hij die dag verhinderd is en heeft aangegeven dat hij meer tijd nodig heeft, is aan verweerder voorgesteld het bezoek op 21 augustus 2023 te doen plaatsvinden.
3.13 In een brief van 17 augustus 2023 heeft verweerder aangegeven dat hij is begonnen met de opgedragen werkzaamheden, maar dat hij deze tijdelijk heeft moeten staken wegens gezondheidsredenen.
3.14 In een e-mailbericht van 24 augustus 2023 heeft de deken aan verweerder laten weten dat zij tweemaal vergeefs geprobeerd heeft om telefonisch met verweerder in contact te komen. De deken heeft verweerder verzocht, gelet op diens fysieke toestand, om haar spoedig te informeren over de stand van zaken en heeft daarbij aangegeven nog een bezoek te willen inplannen.
3.15 In een brief van 13 oktober 2023 heeft de deken naar de gezondheidstoestand van verweerder geïnformeerd en aangegeven dat zij een kantoorbezoek wil inplannen vóór het einde van 2023. In een reactie daarop heeft verweerder aangegeven dat hij fysiek nog niet in staat is om de deken op korte termijn te kunnen ontvangen.
3.16 In een brief van 7 november 2023 heeft de deken aan verweerder bericht dat er opnieuw een signaal over hem is ontvangen. Dit betreft een optreden van verweerder bij de Centrale Raad van Beroep op 11 oktober 2023. Het signaal van de president van de Centrale Raad van Beroep komt erop neer dat verweerder moeizaam zou hebben gecommuniceerd ter zitting. De deken stelt voor om op 13 november 2023 een kantoorbezoek af te leggen. In een reactie heeft verweerder betwist dat sprake was van een moeizame communicatie ter zitting. Verder heeft hij aangegeven dat hij niet in staat is om een afspraak met de deken te maken.
3.17 Op 11 december 2023 is aan verweerder een concept van een verzoekschrift op grond van artikel 60c Advocatenwet gezonden, met het verzoek daar op te reageren. Die reactie heeft verweerder in een brief van 28 december 2023 gegeven.
3.18 Op 29 januari 2024 heeft een kantoorbezoek plaatsgevonden. Daarbij zijn met verweerder de volgende niet vrijblijvende afspraken gemaakt: i) geen nieuwe zaken meer aannemen, ii) uitschrijven van het tableau vóór 1 januari 2025, iii) moeilijke en tijdrovende zaken overdragen aan een andere advocaat en iv) de aangedragen verbeterpunten oppakken en daarover bericht aan het Ordebureau te sturen. Ook is verweerder medegedeeld dat zodra er nog een signaal wordt ontvangen, (andere) tuchtrechtelijke maatregelen jegens hem zullen worden getroffen.
3.19 Verweerder heeft in zijn brief aan de deken van 30 januari 2024 vermeld welke drie dossiers de deken heeft ingezien.
3.20 In een e-mail van 5 maart 2024 heeft verweerder geschreven dat hij het eens is met het verslag dat is opgemaakt van het kantoorbezoek op 29 januari 2024, maar motiveert hij ook dat hij het niet eens is met de twee signalen die over hem ontvangen zijn.
3.21 In een e-mail van 11 maart 2024 is verweerder verzocht een aangepast model van de kantoorklachtregeling toe te zenden en de rechtsgebieden op de zoeksite van de NOvA aan te passen. Daaraan heeft verweerder niet voldaan.
3.22 In een e-mail van 24 juni 2024 heeft de deken verweerder geïnformeerd dat er een nieuw signaal is ontvangen, wederom van de president van de Centrale Raad van Beroep. Dit betreft een zitting van 15 mei 2024 in een WIA-zaak. De deken heeft verweerder uitgenodigd voor een bespreking op het Ordebureau op 4 juli 2024. Op 26 juni 2024 heeft verweerder laten weten dat hij op 4 juli verhinderd is, maar dat hij op 11 juli 2024 wel beschikbaar is. Op 28 juni 2024 heeft de deken de afspraak van 11 juli 2024 bevestigd en aan verweerder het signaal van de Centrale Raad van Beroep kenbaar gemaakt. Dat signaal luidt als volgt:
‘Onlangs kreeg ik opnieuw een zorgelijk signaal van een andere raadsheer naar aanleiding
van een zitting bij de Centrale Raad van Beroep van 15 mei jongstleden. In deze zaak
is inmiddels uitspraak gedaan.
De desbetreffende raadsheer betwijfelt of [verweerder] nog voldoende scherp is om
zijn vak verantwoord uit te oefenen. [Verweerder] leek namelijk de desbetreffende
– op zichzelf niet complexe – WIA zaak niet helemaal te overzien. Hij leek vragen
van de raadsheer niet te begrijpen en haalde bovendien verschillende besluiten door
elkaar. Verder had hij verzuimd tegen een WIA beëindigingsbesluit bezwaar te maken,
met als gevolg een onherroepelijke beëindiging van de WIA uitkering van zijn cliënt.’
3.23 In een e-mail van 9 juli 2024 heeft verweerder geschreven dat hij het niet eens is met het signaal en heeft hij de afspraak met de deken afgezegd.
3.24 In een e-mail van 11 juli 2024 heeft de deken, in reactie op de e-mail van verweerder, aan verweerder medegedeeld dat verweerder de toezichthoudende taken van de deken ondermijnt, hem gewezen op gedragsregel 29 en hem geïnformeerd dat een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen wordt ingediend, gevolgd door een dekenbezwaar.
3.25 Verweerder heeft bij e-mail van 13 juli 2024 de deken bericht dat het geenszins zijn bedoeling is de toezichthoudende taak van de deken te ondermijnen. Daarnaast gaat verweerder in op het afronden van de lopende dossiers en tot slot stelt verweerder dat het signaal over hem van november 2023 niet klopt met het verzoek af te zien van een dekenklacht.
3.26 Op 2 augustus 2024 is een verzoek op grond van artikel 60ab en/of 60b van de Advocatenwet door de deken aan verweerder gestuurd met het verzoek zijn zienswijze naar voren te brengen. Ook na een aan verweerder gegeven uitstel tot en met 2 september 2024 heeft verweerder niet op het verzoek gereageerd.
3.27 In een brief van 20 september 2024 met zaaknummer Z2362560HH heeft de deken een verzoek op grond van artikel 60ab lid 1 en/of artikel 60b lid 1 Advocatenwet jegens verweerder bij de raad ingediend. Het verzoek is behandeld op de zitting van de raad van 30 september 2024. Daarbij waren de deken en een stafjurist van de orde aanwezig. Verweerder is ook opgeroepen voor de zitting, maar is - met telefonische kennisgeving op 30 september 2024, kort voor de zitting - niet verschenen.
3.28 De raad heeft in een beslissing van 14 oktober 2024 het primaire verzoek van de deken ex artikel 60ab lid 1 Advocatenwet toegewezen en verweerder met onmiddellijke ingang in de uitoefening van zijn praktijk als advocaat geschorst.
3.29 Naar aanleiding van de uitspraak van de raad van 14 oktober 2024 heeft mr. H. (stafjurist/advocaat van het Ordebureau) namens de deken verweerder in een e-mail van 15 oktober 2024 gewezen op de schorsingsvoorwaarden. Tevens heeft mr. H verweerder twee opties gegeven voor een bespreking op het Ordebureau om de gevolgen van de onmiddellijke schorsing te bespreking: óf op 24 óf op 25 oktober 2024.
3.30 Op 17 oktober 2024 heeft de deken een ongedateerde brief van verweerder ontvangen. In die brief heeft verweerder allerlei grieven geuit over zijn schorsing en de niet-beantwoording van (ICT-)vragen. Ook heeft verweerder de deken verzocht om de schorsing ongedaan te maken.
3.31 In een e-mail van 18 oktober 2024 heeft mr. H de ontvangst van de ongedateerde brief aan verweerder bevestigd en aan verweerder meegedeeld dat de bespreking plaatsvindt op 24 oktober 2024 op het Ordebureau.
3.32 Op 24 oktober 2024 heeft verweerder aan de deken in een e-mail laten weten dat hij niet op de bespreking van 24 oktober 2024 zal verschijnen. Als reden heeft verweerder aangegeven dat hij slechts beschikt over een geanonimiseerde uitspraak van de raad van 14 oktober 2024 en dat hij overweegt om daarvan hoger beroep in te stellen bij het Hof van Discipline. Ook heeft hij in die e-mail aangegeven dat hij de gang van zaken onrechtmatig acht en dat hij zich zal conformeren aan de brief van de deken aan hem van 15 oktober 2024.
3.33 In een aangetekende brief van 29 oktober 2024 (ingekomen op 31 oktober 2024) heeft verweerder de deken civielrechtelijk aansprakelijk gesteld, kort gezegd, wegens onrechtmatig handelen met betrekking tot het uitvoering geven aan de taak als deken voor alle schade ten gevolge van en voortvloeiende uit onzorgvuldig en nalatig handelen door de deken. Zo zou de deken volgens verweerder een vertekend beeld hebben geschetst in het verzoek ex artikel 60ab van de Advocatenwet en bij de raad essentiële zaken, zoals zijn vragen met betrekking tot Zivver en Amadeus, niet hebben vermeld.
3.34 In een e-mail van 10 oktober 2024 is verweerder geïnformeerd over een steekproef waaruit blijkt dat hij niet voldaan heeft aan alle onderdelen in zijn CCV-opgaven over de jaren 2022 en 2023.
3.35 In de CCV-opgave over het jaar 2022 heeft verweerder aangegeven dat hij 19 opleidingspunten heeft behaald en één overschotpunt inzet. Als bewijs heeft verweerder overgelegd een aantal van 10 juridisch opleidingspunten, waarvan 4 op het rechtsgebied algemene praktijk, 3 op het rechtsgebied sociaal zekerheidsrecht en 3 op het gebied strafrecht. Tevens heeft verweerder certificaten overgelegd van intervisiebijeenkomsten voor in totaal 9 uren. Aan verweerder is verzocht om binnen twee weken de eventueel resterende certificaten toe te zenden.
3.36 In de CCV-opgave over het jaar 2023 heeft verweerder aangegeven dat hij 31 opleidingspunten heeft behaald. Uit de toegestuurde stukken is niet gebleken dat verweerder opleidingspunten heeft behaald. Aan verweerder is verzocht om binnen twee weken de eventueel behaalde certificaten toe te zenden.
3.37 Aan deze verzoeken heeft verweerder (in het geheel) niet voldaan.
3.38 Op 4 november 2024 heeft de deken samen met mr. H een kantoorbezoek gebracht bij verweerder. Tijdens het bezoek zijn de schorsingsvoorwaarden met verweerder besproken en is met hem niet vrijblijvend afgesproken dat hij uiterlijk op 8 november 2024 de lopende zaken overdraagt aan zijn waarnemer dan wel aan een andere advocaat, waarvan hij de overdracht per e-mail meedeelt. Ook is met verweerder de niet vrijblijvende afspraak gemaakt om de ontbrekende certificaten met betrekking tot de CCV-opgaven 2022 en 2023 uiterlijk in de week van 11 november 2024 toe te zenden.
3.39 In een e-mail van 5 november 2024 heeft mr. H de gespreksonderwerpen en de niet-vrijblijvende afspraken aan verweerder bevestigd.
3.40 Verweerder is de gemaakte afspraak over de overdracht van de lopende zaken niet nagekomen. Op 11 november 2024 heeft mr. H nog het mobiele telefoonnummer van verweerder gebeld, maar geen contact gekregen; de voicemail is ingesproken met een terugbelverzoek. Verweerder heeft het Ordebureau niet teruggebeld.
3.41 Ook is verweerder de gemaakte afspraak over de ontbrekende certificaten in het kader van de CCV niet nagekomen.
3.42 Verweerder heeft de deken bij brief van 14 november 2024 bericht dat het onjuist is dat hij geen opgave van de door hem bepaalde po-punten heeft gedaan. Ook beklaagt verweerder zich over het volgens hem vertekende beeld dat de deken heeft geschetst en ten grondslag heeft gelegd aan het verzoek aan de raad verweerder te laten schorsen en de wijze van optreden van de deken op dit punt. Ook stelt verweerder dat nog geen afschrift van het proces-verbaal van de zitting aan hem is verstrekt.
3.43 Verweerder heeft zich per 2 januari 2025 van het tableau laten uitschrijven.
3.44 In een beslissing van 17 januari 2025 heeft de raad het verzoek van de deken ex artikel 60ab Advocatenwet toegewezen en de voorlopige voorziening getroffen dat verweerder de deken tezamen met (een) aan te wijzen stafjurist(en) toegang dient te verschaffen tot de zich in de woning van verweerder bevindende kantoorruimte waarin de praktijk van verweerder wordt gevoerd, alsmede toegang tot zijn computer en/of laptop of anderszins zijn (fysieke) dossiers, teneinde de (fysieke) dossiers in overleg met de cliënten van verweerder onder te brengen bij andere advocaten.
3.45 In een beslissing van 17 januari 2025 heeft de raad het verzoek van verweerder tot opheffing van de schorsing afgewezen.
4 DEKENBEZWAAR
4.1 Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) niet of onvoldoende mee te werken aan (tuchtrechtelijk) onderzoek, als bedoeld
in
gedragsregel 29 en artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, zulks naar aanleiding
van drie ontvangen signalen/meldingen van het gerechtshof Den Haag en de Centrale
Raad
van Beroep;
b) de toezichthoudende taak van de deken structureel te ondermijnen, waaronder het
meermalen eenzijdig afzeggen van besprekingen op het Ordebureau en het niet nakomen
van niet-vrijblijvende afspraken;
c) niet te voldoen aan de kernwaarde deskundigheid, als bedoeld in artikel 10a lid
1 van de
Advocatenwet (gelet op de signalen van de Centrale Raad van Beroep en het hof Den
Haag).
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad wijst op de drie signalen die van verschillende instanties zijn gekomen over het optreden van verweerder in diverse zaken en vindt dat zorgwekkend. Daarnaast werkt verweerder niet of volstrekt onvoldoende mee aan onderzoeken van de deken, het plannen van kantoorbezoeken en het toesturen van gevraagde stukken. Tevens komt verweerder gemaakte afspraken niet na en zegt hij gemaakte besprekingen met de deken structureel af. Daarnaast zijn de CCV-opgaven over de jaren 2022 en 2023 niet compleet en komt verweerder afspraken om de ontbrekende gegevens alsnog aan het ordebureau te sturen niet na. Tot slot heeft verweerder ook na de schorsing van 14 oktober 2024 structureel geweigerd om op gesprek te komen op het Ordebureau en heeft hij geweigerd om de dossiers van zijn cliënten voor wie hij tot aan zijn schorsing als advocaat optrad en een lijst van lopende zaken aan de deken aan te leveren, terwijl verweerder daartoe verplicht is.
5.2 De raad concludeert dan ook dat verweerder inhoudelijk ondermaats heeft gepresteerd en dat hij op een ernstige wijze de onderzoeks- en toezichthoudende taken van de deken heeft gefrustreerd. Hierdoor dreigen zijn (voormalige) cliënten ernstig in hun (financiële en processuele) belangen te worden geschaad, althans kan niet worden bezien wat er in het belang van deze cliënten noodzakelijk is.
5.3 Verweerder heeft dan ook gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarden deskundigheid en integriteit. De raad is van oordeel dat het dekenbezwaar in alle onderdelen gegrond is.
5.4 De aard en ernst van de feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de deken
een zeer zware maatregel. Daarbij weegt de raad mee dat volstrekt niet is gebleken
dat verweerder beseft dat hij
onbetamelijk heeft gehandeld. De raad is dan ook van oordeel dat het niet verantwoord
is dat verweerder de praktijk als advocaat nog langer uitoefent en dat ondanks dat
verweerder zich inmiddels zelf heeft laten uitschrijven van het tableau de maatregel
van schrapping van het tableau de enige passende maatregel voor verweerder is.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
6.1 Verweerder ontkent dat hij verwijtbaar nalatig heeft gehandeld als bedoeld in de Advocatenwet en dat hij geweigerd heeft mee te werken aan het door de deken aangekondigde onderzoek en tekort is geschoten in zijn verplichtingen als advocaat. Verweerder stelt dat de maatregel onterecht, althans buitenproportioneel is. Volgens verweerder heeft de deken niet alle relevante stukken bij de raad ingebracht en hij verwijst daarbij naar de brieven van 12 juni 2023, 30 januari 2024, 2 juli 2024, 29 oktober 2024, 14 november 2024 en 27 november 2024 die hij aan de deken heeft verzonden en stelt dat de deken ook tien stukken heeft weggehouden voor de raad. De deken zou daarmee de raad hebben misleid, aldus verweerder.
6.2 Daarnaast had volgens verweerder de zitting van de raad in het openbaar moeten aanvangen, is de beïnvloeding van de president van de Centrale Raad van Beroep strijdig met de trias politica en dienen er prejudiciële vragen gesteld te worden aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
6.3 Verweerder stelt verder dat de maatregel van schorsing en schrapping een ‘criminal charge’ zijn en dat hij daarom bij de behandeling van zijn klacht het recht had om te zwijgen. Verweerder verwijst naar artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden, artikel 14 Internationaal Verdrag Burgerlijke en Politieke Rechten, het Verdrag van de Werking van de Europese Unie en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Verweer deken
6.4 De deken heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Het hof beoordeelt het dekenbezwaar en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaf.
Overwegingen hof
7.2 Verweerder heeft vanaf het eerste kantoorbezoek van de deken in april 2023 na een eerste signaal vanuit een rechterlijke instantie over de manier waarop verweerder tijdens een zitting overkwam niet of volstrekt onvoldoende meegewerkt aan onderzoeken en de toezichthoudende taken van de deken. Zo heeft verweerder structureel verzoeken genegeerd die tijdens kantoorbezoeken zijn besproken, heeft hij geweigerd gegevens te verstrekken omdat zijn cliënten daar geen toestemming voor hadden gegeven en heeft hij meermalen afspraken afgezegd voor besprekingen met de deken. Daarnaast is hij ook de afspraken over de overdracht van lopende zaken en het toezenden van ontbrekende certificaten met betrekking tot CCV-opgaven niet nagekomen. Tot slot blijkt dat verweerder ook na de beslissing van de raad van 14 oktober 2024, waarin verweerder op grond van artikel 60ab Advocatenwet met onmiddellijke ingang in de uitoefening van zijn praktijk als advocaat is geschorst, niet heeft meegewerkt door te weigeren de dossiers die hij nog onder zich had aan de deken over te dragen, waardoor geen zicht was op de deze dossiers en of financiële en/of processuele belangen van cliënten zouden kunnen worden geschaad. Met de raad is het hof van oordeel dat verweerder op ernstige wijze de onderzoeks- en toezichthoudende taken van de deken heeft gefrustreerd.
7.3 De drie signalen die vanuit de rechterlijke macht over verweerder bij de deken zijn binnengekomen, geven aan dat verweerder tijdens de mondelinge behandelingen niet gepresteerd heeft op een wijze die van een advocaat mag worden verwacht. Het feit dat tot driemaal toe door een rechter is geklaagd over het optreden van een advocaat op een zitting is veelzeggend en het is zorgwekkend dat het optreden van verweerder in een rechtszaal daartoe meermalen aanleiding heeft gegeven. Dat sprake zou zijn van beïnvloeding en oneigenlijke sturing aan rechtszaken door de president van de Centrale Raad van Beroep, die twee van de drie signalen over verweerder heeft doorgegeven aan de deken, zoals verweerder stelt, heeft verweerder onvoldoende onderbouwd en is het hof ook overigens op geen enkele manier gebleken. Het hof leidt net als de raad uit die gezamenlijke signalen af dat verweerder niet de scherpte had de zaken voor zijn cliënten goed te kunnen behartigen. Bovendien blijkt uit een van de signalen dat verweerder heeft verzuimd om tijdig bestuursrechtelijk bezwaar te maken. Daarnaast is tijdens het eerste kantoorbezoek van de deken in april 2023 al gebleken dat verweerder geen vaste waarneming had, dat er meerdere derdengeldenrekeningen waren en dat verweerder ook diverse andere zaken op kantoor, zoals de klachtenregeling en de algemene voorwaarden, niet op orde had. Verweerder heeft hiermee niet de deskundigheid getoond die van een advocaat kan worden verwacht. Uit dit alles blijkt dat verweerder niet (meer) in staat is het advocatenberoep op het vereiste inhoudelijke niveau te beoefenen in een praktijkorganisatie die aan de minimaal daaraan te stellen voorwaarden voldoet.
7.4 De inhoud van de brieven waar verweerder in zijn verweerschrift naar verwezen heeft en die volgens hem ten onrechte door de deken niet zijn ingebracht in het dekenbezwaar, maken de voorgaande overwegingen van het hof niet anders. Ook met inachtneming van deze stukken waar uit blijkt dat verweerder af en toe inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de waarnemingen van de deken, blijft het oordeel van het hof overeind dat verweerder het onderzoek en toezicht van de deken heeft gefrustreerd.
7.5 Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat prejudiciële vragen gesteld dienen te worden aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het hof volgt verweerder hierin niet. Het hof ziet geen aanleiding om over de behandeling van de klacht door de deken en over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid en openbaarheid van de tuchtrechtspraak voor advocaten prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie omdat de Advocatenwet mogelijk strijdig zou zijn met Unierecht. Daarbij merkt het hof op dat verweerder in dat verband niet geconcretiseerd heeft welke prejudiciële vraag volgens hem gesteld zou moeten worden en ziet het hof zelf niet in welke vraag het zou moeten stellen over de toepassing van het advocatentuchtrecht zoals dit in Nederland geldt. Evenmin heeft verweerder onderbouwd waarom in deze zaak sprake zou zijn van het ten uitvoer brengen van Unierecht, zodat het beroep op het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie faalt (artikel 51). Hetgeen verweerder overigens nog heeft aangevoerd over artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden faalt, omdat met de maatregel van schrapping niet beoogd is leed toe te voegen. Het advocatentuchtrecht is in de eerste plaats bedoeld voor de normhandhaving binnen de beroepsgroep van advocaten.
7.6 De door verweerder aangevoerde beroepsgronden slagen niet.
Slotsom
7.7 Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door onvoldoende mee te werken aan verzoeken van de deken in het kader van het tuchtrechtelijk onderzoek. In zoverre is bezwaar a gegrond. Daarnaast heeft verweerder de toezichthoudende taak van de deken structureel ondermijnd en niet voldaan aan de kernwaarde deskundigheid, zodat het bezwaar van de deken onder b en c eveneens gegrond is. Verweerder heeft aldus gehandeld in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden deskundigheid en integriteit en daarmee met de normen zoals die in artikel 46 Advocatenwet zijn omschreven. Verweerder heeft het vertrouwen in de advocatuur geschaad.
8 MAATREGEL
8.1 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de ernst van het gegrond verklaarde dekenbezwaar en de daarvoor opgelegde maatregel te komen dan de raad. Verweerder heeft structureel niet meegewerkt aan tuchtrechtelijk onderzoek door de deken en de toezichthoudende taken van de deken ondermijnd. Bovendien blijkt uit de signalen die de deken in een tijdsbestek van anderhalf jaar van verschillende gerechten over verweerder heeft ontvangen dat zijn optreden op zitting niet deskundig was, terwijl verweerder blijft ontkennen dat dat het geval was. Verweerder heeft het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad. In het licht van het voorgaande acht het hof het net als de raad niet verantwoord dat verweerder de praktijk als advocaat nog langer uitoefent. Hoewel verweerder zichzelf reeds van het tableau heeft laten uitschrijven, is het hof van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder schrapping van het tableau de enige passende en geboden maatregel is.
8.2 Omdat met deze beslissing de heden in de beslissing 240314 gehandhaafde schorsing ex artikel 60ab, lid 1 Advocatenwet van rechtswege heden vervalt op grond van artikel 60ae Advocatenwet zal het hof bepalen dat de schrapping ook heden ingaat. Zo sluit de schrapping aan op die schorsing.
8.3 De slotsom is dat het beroep faalt en dat de oplegging van de maatregel tot schrapping van het tableau in stand blijft.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof een maatregel bekrachtigt, zal het hof verweerder op grond van
artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure
bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
b) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 bekrachtigt de beslissing van 17 maart 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 24-861/AL/MN/D, met uitzondering van de beslissing dat de maatregel van schrapping ingaat op de tweede werkdag na het onherroepelijk worden van de beslissing van de raad;
en doet in zoverre opnieuw recht:
10.2 bepaalt dat de maatregel van schrapping ingaat op maandag 9 februari 2026;
10.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima,
M.S.A. van Dam, J.H. Brouwer en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr.
H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 9 februari 2026.