ECLI:NL:TAHVD:2026:351 Hof van Discipline 's Gravenhage 260337
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:351 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-10-2026 |
| Datum publicatie: | 26-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260337 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Procedure waarvoor aanwijzing van advocaat is verzocht geen redelijke kans van slagen |
Beslissing van 26 oktober 2026
in de zaak 260337
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft op 30 juli 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 6 augustus 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de slagingskans van het beoogde kort geding onvoldoende is om daarvoor een advocaat aan te wijzen.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 11 augustus 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek
1.5 Het hof heeft het beklag van klager schriftelijk behandeld op basis van de stukken in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Er is sprake van een dekkingsgeschil tussen betrokkene en DAS rechtsbijstand (hierna: DAS). Klager wil een kort geding starten tegen DAS, teneinde een oordeel van de voorzieningenrechter te verkrijgen over de uitleg en toepassing van de geschillenregeling van DAS. De door klager beoogde procedure tegen DAS ziet op de uitleg en toepassing van artikel 8 van de polisvoorwaarden, in het bijzonder op de wijze waarop het geschil aan de onafhankelijke advocaat wordt voorgelegd, de informatie die daarbij mag worden verstrekt en de door betrokkene verlangde procesvolmacht. Uit de tekst van artikel 8 volgt dat de verzekerde zijn standpunt schriftelijk uiteenzet, waarna DAS in overleg met de verzekerde een brief opstelt waarin beide standpunten worden verwoord en deze, samen met de relevante dossierinformatie, aan de onafhankelijke advocaat voorlegt. De onafhankelijk advocaat baseert zijn oordeel op die informatie en mag daarbij geen nieuwe informatie gebruiken.
2.2 Klager heeft de deken verzocht om aanwijzing van een advocaat (specialisatie verzekeringsrecht/polisgeschillen) voor het starten van een kort geding bij de Handelskamer tegen DAS. DAS heeft het onderliggende geschil geaccepteerd, maar weigert de Procesvolmacht (PO) voor de haalbaarheidstoets van Artikel 8 (Geschillenregeling) vrij te geven. Klager heeft erop gewezen dat het een dekkingsgeschil betreft over de nakoming van de consumenten-polisvoorwaarden. Gezien de naderende winter (originele dossier betreft warmtepomp en radiatoren die niet aan de warmtevraag van de woning voldoen) en de wettelijke advocaatplicht bij de Handelskamer heeft deze zaak grote spoed.
2.3 De deken heeft het verzoek om aanwijzing van een advocaat afgewezen. De deken zag onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt dat klager zelfstandig informatie aan de onafhankelijke advocaat mocht verstrekken, buiten DAS om rechtstreeks met deze advocaat mocht overleggen of dat DAS gehouden was een afzonderlijke procesvolmacht te verstrekken. Evenmin bleek voldoende dat DAS met de uitvoering van de geschillenregeling handelde in strijd met de polisvoorwaarden of een dwingendrechtelijke norm. Ook de door betrokkene aangehaalde Europese richtlijn, rechtspraak van de Hoge Raad en Kifid-uitspraak leiden niet tot een andere conclusie. Om die redenen heeft de deken de slagingskans van het beoogde kort geding onvoldoende geacht om daarvoor een advocaat aan te wijzen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Hij heeft de volgende gronden aangevoerd:
“1. Aantoonbare feitelijke beoordelingsfout (Verdraaiing van de feiten uit de e-mails)
De Deken motiveert de afwijzing door te stellen dat ik de geschillenregeling zou blokkeren omdat er “nog geen akkoord is bereikt over wat er aan de onafhankelijke advocaat zal worden voorgelegd” en dat ik mijn visie uitsluitend mondeling wil bespreken. Deze weergave door de Deken is aantoonbaar in strijd met de feiten uit het dossier:
Onvoorwaardelijk akkoord voor verzending: In mijn e-mail aan DAS (2026-06-25 12-17 Zie bijlagen) geef ik onder punt 3 van mijn formele instructie expliciet aan: “U krijgt van mij alleen akkoord om deze brief door te sturen, zodat de postbode-functie wordt vervuld. Dit is dus nadrukkelijk geen goedkeuring van de inhoud.” Ik heb de feitelijke, schriftelijke verzending van de stukken door DAS derhalve nooit geblokkeerd. DAS weigert de Procesopdracht (PO) echter vrij te geven omdat zij buitencontractueel eisen dat ik vooraf hún (gecensureerde) samenvatting inhoudelijk als 'waarheid/akkoord' onderteken. Het meningsverschil over de inhoud is juist de grond voor de geschillenregeling.
DAS spreekt de Deken schriftelijk tegen: De Deken beweert dat rechtstreeks contact of informatieoverdracht "integendeel" contractueel verboden is. Echter, DAS-teamleider dhr. [R] schrijft in de e-mailwisseling (2026-06-24 20-12 Zie bijlagen): “Als de advocaat het nodig acht voor het vervullen van de opdracht dan kan de advocaat desgewenst eventueel nadere informatie bij u of bij DAS opvragen.” Ook behandelaar mw. mr. [D-H] bevestigt in de e-mail (2026-07-24 09-03 Zie bijlagen) schriftelijk dat de advocaat uiteraard vragen aan mij mag stellen. De Deken hanteert hier dus onbewust een verbod dat door de verzekeraar zelf expliciet wordt ontkracht.
Eenzijdige staking wegens vakantie en stilzwijgen DAS: Nadat teamleider dhr. [R] op vrijdag 2026-07-10 om 16:34 uur (Zie bijlagen) een onterecht ultimatum stelde, heb ik op maandag 2026-07-13 om 13:49 uur (Zie bijlagen) direct een gemotiveerde inhoudelijke reactie gestuurd. Exact één minuut later, om 13:50 uur (Zie bijlagen), ontving ik een automatisch afwezigheidsbericht van dhr. [R] wegens vakantie tot 3 august 2026, met de vermelding: “Mijn mail wordt niet gelezen.”. DAS heeft de communicatie zelf eenzijdig feitelijk gestaakt. Tot op de dag van vandaag (11 augustus 2026) heeft DAS op geen enkele wijze meer inhoudelijk gereageerd op mijn mail van 13 juli. De Deken heeft de onbereikbaarheid van de verzekeraar over het hoofd gezien, de vertraging is daardoor helaas ten onrechte in mijn nadeel uitgelegd.
Bovendien spreekt teamleider dhr. [R] (2026-07-24 20-12 in de 5de alinea Zie bijlagen) zijn eigen behandelaar mw. mr. [D-H] frontaal tegen: waar de behandelaar stelt dat zij de visie heeft maar dat het akkoord ontbreekt (2026-07-24 09-03 in de 4de en 5de alinea Zie bijlagen), beweert de teamleider dat de schriftelijke visie zelf nog niet is ontvangen. DAS gijzelt de procedure derhalve op basis van tegenstrijdige interne administratie.
2. Bewezen informatievoorziening verward met "Nieuwe Informatie" (Pagina 17 Polisvoorwaarden)
De Deken wist hier onbewust de historische feiten van het dossier. Het onderliggende geschil over de 'All Electric' warmtepompinstallatie waarvan de capaciteit niet overeenkomt met de warmtevraag, loopt al vanaf 17 juli 2023 (De volledige omvang van minimaal 380 metrologische, natuurkundige en installatietechnische bewijsstukken bevindt zich reeds vanaf 6 maart 2024 volledig in het online DAS-portaal).
Om aan te tonen dat DAS wel degelijk over mijn standpunten/visie beschikte, heb ik in mijn aanwijzingsverzoek een kille chronologische lijst overgelegd van exact 62 specifieke datums en tijdstippen van documenten, welke lopen van 3 april 2026 tot en met 10 april 2026
Deze stukken zijn derhalve geen 'nieuwe informatie' ex artikel 8 van de polis, maar vormen de feitelijke historische inhoud van het bestaande dossier. DAS heeft deze cruciale bewijslast eenzijdig gefilterd tot een conceptbrief met slechts 41 concept-documenten. Het achterhouden van bestaande dossierstukken betreft dossiercensuur; de Deken faciliteert onbewust deze inperking van mijn rechten.
3. Aantoonbare controverse in informatieverstrekking en schending dwingend consumentenrecht (Contra Proferentem)
De Deken motiveert haar afwijzing door te stellen dat er uit artikel 8 "voorshands niet volgt dat u zelfstandig informatie aan de onafhankelijke advocaat kunt verstrekken (...) integendeel. De onafhankelijke advocaat baseert zijn oordeel uitsluitend op de brief (...) en mag daarbij geen nieuwe informatie gebruiken." [2]
Deze aanname van de Deken botst frontaal met de keiharde schriftelijke controverse in het dossier, waarin DAS zélf stelt dat informatie-uitwisseling wél is toegestaan:
De eigen verklaring van DAS: Teamleider dhr. [R] schrijft in de e-mailwisseling d.d. 2026-06-24 20-12 (Zie bijlagen): “Als de advocaat het nodig acht voor het vervullen van de opdracht dan kan de advocaat desgewenst eventueel nadere informatie bij u of bij DAS opvragen.”
De officiële conceptbrief: In de allerlaatste zin van de door DAS opgestelde 'Concept Tekst geschillenregeling' d.d. 2026-04-15 15-31 (Zie bijlagen), welke specifiek voor de externe advocaat bestemd is, schrijft mw. mr. [D- H] uitdrukkelijk onder het kopje Contact: “Mocht u naar aanleiding van bovenstaande nog vragen en/of opmerkingen hebben, dan hoor ik dat graag.”
De Deken hanteert hier dus onbewust een absoluut verbod op informatie- en contactuitwisseling dat door de documenten en e-mails van de verzekeraar zelf expliciet wordt ontkracht.
Door deze leemte in de polisvoorwaarden (artikel 8 bevat geen enkel verbod op informatieverstrekking) eigenhandig en onbewust uit te leggen in het voordeel van de professionele opsteller (DAS), gaat de Deken onbewust tegen het dwingendrechtelijke consumentenbeginsel van Contra Proferentem (art. 6:238 lid 2 BW). Bovendien heeft de Deken op mijn uitgebreide 5-delige juridische opbouw en 8 concrete rechtsvragen hierover in het geheel niet gereageerd. Zij volstaat met de enkele zin dat de Europese Richtlijn en de Kifid-uitspraak “niet tot de conclusie leiden dat het kort geding kans van slagen heeft.” Dit is een voor mij onbegrijpelijke motivering en botst dan met de wettelijke motiveringsplicht (art. 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht).
4. Overschrijding van de toetsingsbevoegdheid (Onbetwiste noodzaak en spoed)
Volgens de vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline (o.a. ECLI:NL:TAHVD:2020:60) dient de Deken een Artikel 13-aanvraag terughoudend te toetsen. Zij mag een aanwijzing alleen weigeren als een procedure evident kansloos of volstrekt zinloos is.
De Deken heeft in haar beschikking de door mij aangevoerde materiële motivatie voor het kort geding — te weten de acute medische noodzaak (Reumatische Artritis) in combinatie met de 'All Electric' warmtepompinstallatie waarvan de capaciteit tekortschiet — niet afgewezen of inhoudelijk weersproken. Nu de spoed, de administratieve zoekplicht en de materiële grondslag van het kort geding onbetwist zijn, heeft de Deken, door op basis van een contractinterpretatie, de toegang tot de voorzieningenrechter onbewust geblokkeerd.
5. Niet-bestaande barrières (De 'EJD-afwijzing' en 'Akkoord-eis' ontbreken in Artikel 8)
De Deken legitimeert in haar beschikking de weigering van DAS om de Procesopdracht (PO) te verstrekken, omdat er "nog geen akkoord is bereikt over wat er aan de onafhankelijke advocaat zal worden voorgelegd." De Deken behandelt deze 'Akkoord-eis' ten onrechte alsof het een geldige, contractuele spelregel is.
De feiten en de polisvoorwaarden tonen aan dat dit onjuist is:
De afdeling EJD bestaat niet in de polis: Uit de e-mail van behandelaar S. d.d. 24 juni 2026 (09:03 uur) blijkt dat de interne afdeling EJD (Eerste Juridische Beoordeling) het dossier “retour heeft gestuurd” en de PO blokkeert puur wegens het ontbreken van een inhoudelijk akkoord van mijn zijde. De geschillenregeling in Artikel 8 kent de afdeling EJD, een 'EJD-afwijzing' of een verplichte interne goedkeuringsronde echter helemaal niet.
'Overleg' is geen consensusplicht: Artikel 8 van de polis vereist uitsluitend dat de brief “in overleg met u” wordt opgesteld. Er staat nergens dat de verzekerde het vooraf inhoudelijk eens moet zijn met de (voor hem nadelige) visie van de verzekeraar.
Nu de maandenlange e-mailwisseling de feitelijke invulling van het 'overleg' vormt, en ik op 8 en 24 juni jl. al onvoorwaardelijk akkoord gaf voor de schriftelijke verzending van de stukken, misbruikt DAS de interne EJD- procedure en de 'akkoord-eis' als een niet-bestaande machtsmiddel. De Deken heeft deze buitencontractuele barrières waarschijnlijk over het hoofd gezien en heeft daardoor ten onrechte geoordeeld dat DAS de regeling conform de polis mag stopzetten.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande verzoek ik het Hof van Discipline de beschikking van de Deken te vernietigen en de Deken op te dragen alsnog per direct een advocaat aan te wijzen, zodat ik dit procedurele gijzelingsconflict aan de voorzieningenrechter kan voorleggen.”
Verweer
3.2 De deken heeft aangevoerd dat voor zover klager stelt dat zij is uitgegaan van een onjuiste lezing van de correspondentie tussen hem en DAS, zij opmerkt dat uit de beschikbare stukken naar voren kwam dat tussen klager en DAS geen overeenstemming bestond over de wijze waarop het geschil aan de onafhankelijke advocaat zou worden voorgelegd. De deken heeft haar beslissing gebaseerd op de door klager zelf verstrekte stukken en de daarin beschreven standpunten van partijen. Uit artikel 8 van de polisvoorwaarden, waarin de geschillenregeling is neergelegd, volgt dat de verzekerde schriftelijk uiteenzet waarom hij het niet eens is met DAS, waarna DAS in overleg met de verzekerde een brief opstelt waarin beide standpunten worden verwoord. Deze brief wordt vervolgens, samen met de relevante dossierinformatie, aan de onafhankelijk advocaat voorgelegd. Artikel 8 bepaalt dat de advocaat zijn oordeel baseert op de verstrekte informatie en daarbij geen nieuwe informatie mag gebruiken. Dat een medewerker van DAS aan klager heeft geschreven “als de advocaat het nodig acht voor het vervullen van de opdracht dan kan de advocaat desgewenst eventueel nadere informatie bij u of DAS opvragen” kan aan het voorgaande niet afdoen. Hieruit volgt immers niet dat klager ook actief zelf contact mocht opnemen met de advocaat om zijn standpunt mondeling toe te lichten.
3.3 De deken volgt de stelling van klager niet dat zij de grenzen van de toetsing in het kader van artikel 13 Advocatenwet heeft overschreden doordat zij zich diepgaand heeft uitgelaten over de inhoud van het geschil met DAS. Het is vaste rechtspraak dat de deken bij een verzoek op grond van artikel 13 Advocatenwet dient te beoordelen of aanwijzing van een advocaat aangewezen is. Daarbij mag en moet de deken onder meer bezien of de door verzoeker beoogde procedure een voldoende reële kans van slagen heeft. In de onderhavige zaak heeft de deken zich beperkt tot een voorlopige beoordeling van de door klager gewenste procedure tegen DAS op basis van de door hem overgelegde stukken en toelichting. De deken heeft daarbij uitsluitend beoordeeld of de slagingskans van die procedure aanwijzing van een advocaat rechtvaardigde, wat naar haar oordeel niet het geval was. Dat oordeel past binnen de beoordelingsruimte die de deken in het kader van artikel 13 Advocatenwet toekomt en kan niet worden aangemerkt als een ongeoorloofde inhoudelijke beoordeling van het geschil zelf.
3.4 Bij dupliek handhaaft de deken de eerder ingenomen standpunten. De reactie van klager vormt grotendeels een herhaling en nadere uitwerking van de standpunten die hij reeds eerder naar voren heeft gebracht. Het verschil van inzicht tussen klager en DAS ziet (kort gezegd) op de wijze waarop artikel 8 van de polisvoorwaarden moet worden toegepast en op de vraag welke informatie aan de onafhankelijke advocaat zou moeten worden voorgelegd. Dat klager stelt dat zijn visie reeds schriftelijk beschikbaar was en dat hij geen nieuwe informatie wilde inbrengen maar uitsluitend contact wilde onderhouden over de voortgang van de opdracht en wilde controleren of de onafhankelijke advocaat het dossier compleet heeft ontvangen, kan volgens de deken niet leiden tot een andere beoordeling van het verzoek. De vraag of en in hoeverre artikel 8 van de polisvoorwaarden daarvoor ruimte biedt, betreft in de kern het geschil tussen klager en DAS. De deken stelt dat door haar geen definitief oordeel is gegeven over de civielrechtelijke verhouding tussen klager en DAS, maar dat uitsluitend is beoordeeld of het verzoek tot aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet toewijsbaar is. Die beoordeling brengt mee dat mag worden bezien of de door klager gewenste procedure voldoende kans van slagen heeft.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 Het gaat in deze zaak uitsluitend om de vraag of de door klager gewenste procedure redelijke kans van slagen heeft. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat uit de beschikbare stukken naar voren komt dat tussen klager en DAS geen overeenstemming bestond over de wijze waarop het geschil aan de onafhankelijke advocaat zou worden voorgelegd. De deken heeft haar beslissing gebaseerd op de door klager zelf verstrekte stukken en de daarin beschreven standpunten van partijen.
4.3 Uit de tekst van artikel 8 van de polisvoorwaarden volgt dat de verzekerde zijn standpunt schriftelijk uiteenzet, waarna DAS in overleg met de verzekerde een brief opstelt waarin beide standpunten worden verwoord en deze, samen met de relevante dossierinformatie, aan de onafhankelijke advocaat voorlegt. De onafhankelijk advocaat baseert zijn oordeel op die informatie en mag daarbij geen nieuwe informatie gebruiken.
4.4 In het kader van het aanwijzingsverzoek op grond van artikel 13 Advocatenwet heeft de deken terecht uitsluitend beoordeeld of het verzoek tot aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet toewijsbaar is. Die beoordeling brengt mee dat door de deken moet worden bezien of de door klager gewenste procedure voldoende kans van slagen heeft. De deken heeft dan ook het juiste beoordelingskader gehanteerd. De conclusie van de deken dat er in het licht van artikel 8 van de polisvoorwaarden onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het standpunt van klager dat hij zelfstandig informatie aan de onafhankelijke advocaat mocht verstrekken, buiten DAS om rechtstreeks met deze advocaat mocht overleggen of dat DAS gehouden was een afzonderlijke procesvolmacht te verstrekken, wordt door het hof onderschreven. Hetzelfde geldt voor het oordeel van de deken dat onvoldoende is gebleken dat DAS met de uitvoering van de geschillenregeling handelde in strijd met de polisvoorwaarden of een dwingendrechtelijke norm.
4.5 De conclusie uit het voorgaande is dat de deken het verzoek van klager terecht en op goede gronden heeft afgewezen, zodat het beklag van klager niet slaagt.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 6 augustus 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort – de Bruin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 26 oktober 2026.