ECLI:NL:TAHVD:2026:350 Hof van Discipline 's Gravenhage 260279
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:350 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-10-2026 |
| Datum publicatie: | 26-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260279 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklagzaak. Artikel 13 Advocatenwet. Eigen bijdrage van eerder toegewezen advocaat niet voldaan. Geen nova. Beklag ongegrond. Geen misbruik van procesrecht door gebruik van AI. |
Beslissing van 23 oktober 2026
in de zaak 260279
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat
als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 8 juli 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager voor de door hem genoemde urgente procedures niet is aangewezen op verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat. De bestuursrechtelijke procedures kan klager zelf of met de steun van een jurist voeren. Voor zover het aanwijzingsverzoek ziet op een cassatieprocedure bij de Hoge Raad dient klager zich tot de deken in Den Haag te wenden. Voor het aanspannen van de civiele procedures geldt geen termijn, anders dan dat een vordering uit onrechtmatige daad na vijf jaar verjaart, tenzij de vordering tijdig wordt gestuit. Een verzoek ex artikel 13 Advocatenwet is het laatste redmiddel. Klager heeft dan ook alle tijd om zelf op zoek te gaan naar een advocaat. Bovendien is de deken niet overtuigd dat de civiele zaak de competentiegrens van € 25.000,- overstijgt. Nog los van de vraag of de partijen die klager wil dagvaarden daadwerkelijk onrechtmatig hebben gehandeld, is het beroep op artikel 6:166 BW (groepsaansprakelijkheid) in dit verband onzinnig, aldus de deken.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 8 juli 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend
bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Er loopt naast deze zaak ook een beklagzaak
van klager bij het hof onder nummer 260202.
1.4 Verder bevat het dossier:
- het bericht van het hof van 13 juli 2026 dat voeging met de zaak 260202 niet
mogelijk is;
- het verweer van de deken van 23 juli 2026;
- de repliek van klager van 24 juli 2026;
- het bericht van de deken van 27 juli 2026 dat zij geen aanvullingen meer heeft
op haar verweerschrift;
- het e-mailbericht van klager van 27 juli 2026 met bijlagen;
- het e-mailbericht van klager van 4 augustus 2026 met bijlagen;
- het e-mailbericht van klager van 4 augustus 2026 waarin hij om aanhouding van
de zaak verzoekt; en
- het e-mailbericht van het hof van 4 augustus 2026 met de mededeling dat het
aanhoudingsverzoek niet wordt gehonoreerd.
1.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 7 september 2026, gelijktijdig met de zaak van klager tegen de deken onder nummer 260202. Klager heeft de mondelinge behandeling bijgewoond via een videoverbinding. De deken is, zoals was aangekondigd, niet verschenen. In zaak 260202 wordt vandaag afzonderlijk beslist.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager heeft op 24 november 2025 mr. Van D aangewezen gekregen als advocaat om voor klager hoger beroep in te stellen tegen het kort gedingvonnis waarin klager was veroordeeld tot ontruiming van zijn woning. Omdat de eigen bijdrage niet voor 1 juni 2026 was betaald, heeft mr. Van D zich onttrokken. Vervolgens heeft klager op 20 mei 2026 een nieuw aanwijzingsverzoek gedaan, dat op 3 juni 2026 is afgewezen. Hiertegen loopt een beklagprocedure bij het hof onder kenmerk 260202.
2.2 Op 4 juli 2026 heeft klager opnieuw een aanwijzingsverzoek ingediend, dat de deken op 8 juli 2026 heeft afgewezen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager
heeft een tweede aanwijzingsverzoek ingediend omdat volgens hem sprake is van nieuwe
omstandigheden die zich na 3 juni 2026 hebben voorgedaan of eerst na die datum aan
klager bekend zijn geworden, te weten:
a) dakloosheid sinds 15 juni 2026 na uitzetting door stichting W;
b) consolidatie van de civiele vorderingen tegen zes verweerders (bodemprocedure);
c) de ontvangst en inhoud van het ZVHG-dossier;
d) acute procedure-deadlines op 10 en 14 juli 2026; en
e) het ontbreken van rechtsbijstand voor het civiele en bestuursrechtelijke deel,
terwijl alle wederpartijen professioneel vertegenwoordigd zijn.
Klager komt in aanmerking voor een toevoeging, maar de deken heeft daar niet naar
gekeken. Verder miskent de deken dat de bevoegdheid van de rechtbank (en daarmee het
vereiste van procesvertegenwoordiging) wordt bepaald door de hoogte van de gestelde
vordering en niet door de vraag of de deken die vordering aannemelijk acht. Daarnaast
kwalificeert de deken zonder enige juridische onderbouwing het beroep op artikel 6:166
BW als "onzinnig", terwijl deze vraag juist in de bodemprocedure dient te worden beoordeeld.
De deken heeft zich ook niet uitgelaten over het nieuwe bewijsmateriaal (het ZVHG-dossier).
Dat betreft een officieel document.
Het kort gedingvonnis waarin de vordering tot ontruiming is toegewezen, dateert
van voor het verkregen nieuwe bewijsmateriaal en zegt dus niets over de kans van slagen
van een bodemprocedure. Ook is de dakloosheid van klager niet meegewogen door de deken.
Verder is nog van belang dat de deken toezicht heeft gehouden binnen een stichting
die formeel samenwerkt met drie van de partijen tegen wie klager wil procederen.
Tot slot heeft klager subsidiair verzocht om aanwijzing van een advocaat voor uitsluitend
de meest urgente onderdelen, waaronder de bewaking van de lopende termijnen. De deken
is hier niet op ingegaan.
Verweer
3.2 Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 Klager heeft in dezelfde zaak al eerder een advocaat toegewezen gekregen. Deze advocaat heeft zich onttrokken, omdat klager de eigen bijdrage niet had voldaan. Klager heeft kort daarna opnieuw om aanwijzing van een advocaat verzocht en toen de deken dat afwees heeft hij het onderhavige aanwijzingsverzoek ingediend. Vastgesteld wordt dat klager geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan de deken gehouden zou zijn een andere advocaat aan te wijzen. Bovendien heeft klager voor de zes verschillende aansprakelijkheidsprocedures (er is geen sprake van een groep zoals bedoeld in artikel 6:166 BW) geen advocaat nodig, nog daargelaten de vraag of deze procedures wel kansrijk zijn. Verder is de deken sinds 31 oktober 2023 niet langer actief als lid van de raad van commissarissen van de stichting waar klager aan refereert.
4.3 Het hof stelt vast dat dit het derde aanwijzingsverzoek is in dezelfde kwestie. Indien klager opnieuw hetzelfde verzoek bij de deken neerlegt, dient hij er rekening mee te houden dat het hof een beklag tegen een afwijzende beslissing van de deken niet meer in behandeling neemt wegens misbruik van klachtrecht.
4.4 De deken heeft het hof gevraagd in deze beslissing een overweging op te nemen over het gebruik/misbruik van AI, nu klager de overgelegde stukken met behulp van AI heeft gemaakt en gebruik van AI steeds vaker voorkomt in zaken. Dekens worden overspoeld met zeer uitgebreide, AI-gegenereerde verzoeken ex artikel 13 Advocatenwet van rechtzoekenden. Dekens moeten niet verplicht worden op alle argumenten in al die verzoeken inhoudelijk te reageren. Aan de rechtzoekende mag volgens de deken de eis worden gesteld zijn verzoek kort en bondig te doen en te beperken tot de procedure waarvoor rechtsbijstand van een advocaat verplicht is. Een verzoek als dat van klager zal, als het toegewezen zou worden, vervolgens stuiten op een negatief procesadvies van de aangewezen advocaat, die net als de eerder aangewezen advocaat daarenboven niet betaald zal worden en bovendien op een klacht kan rekenen.
4.5 Het hof overweegt hierover het volgende. Het gebruik van AI is inmiddels een bestaand verschijnsel, waar men in de huidige samenleving nog moeilijk omheen kan. Het is niet aan het hof om partijen het gebruik van AI te ontzeggen, maar het hof onderkent dat het doorgronden en beoordelen van (proces)stukken die met behulp van AI zijn gegenereerd soms bijzonder lastig en tijdrovend is. Uiteraard zijn er grenzen aan de toepassing van het gebruik van AI, maar niet gebleken is dat die in het onderhavige geval zijn overschreden. Klager heeft erkend dat hij bij het opstellen van zijn stukken gebruik heeft gemaakt van AI, maar hij heeft daarbij het aantal toegestane pagina’s per processtuk (volgens artikel 3.6 van het procesreglement maximaal vijftien pagina’s A4 formaat) niet overschreden. Evenmin is gebleken dat klager misvattingen of onjuistheden in zijn stukken heeft vermeld. Volgens het hof is in deze zaak dan ook geen sprake van het misbruik maken van procesrecht door het gebruik van AI.
4.6 Het hof zal het beklag van klager ongegrond verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 2 november 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. W.A. Timmer en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 23 oktober 2026.