ECLI:NL:TAHVD:2026:349 Hof van Discipline 's Gravenhage 250461

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:349
Datum uitspraak: 23-10-2026
Datum publicatie: 26-10-2026
Zaaknummer(s): 250461
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklagzaak. Artikel 13 Advocatenwet. Herhaaldelijk verzoek om aanwijzing. Beklag ongegrond. 


Beslissing van 23 oktober 2026
in de zaak 250461

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

    
klager
    
tegen:
    
de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 24 december 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat zij in dezelfde zaak al eerder een advocaat heeft aangewezen. Het feit dat deze advocaat negatief heeft geadviseerd over het starten van een procedure tegen de voormalige advocaat van klager is geen reden om een nieuwe advocaat aan te wijzen. Dat er vertraging is ontstaan doordat het enige tijd heeft geduurd voordat de aangewezen advocaat over alle stukken beschikte, vormt daarvoor evenmin reden. 

Bij het hof
1.3    Klager heeft op 30 december 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    de e-mailberichten met producties van klager van 5 en 6 januari 2026;
-    het verweer van de deken van 28 januari 2026; 
-    de repliek van klager van 2 februari 2026;
-    de dupliek van de deken van 6 februari 2026, 
-    het e-mailbericht van klager van 28 mei 2026 en
-    het e-mailbericht met producties van klager van 25 augustus 2026.

1.5    Het hof heeft de zaak op verzoek van klager mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 7 september 2026. Daar zijn klager en de deken verschenen. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die ook onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.


2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Klager is verwikkeld (geweest) in geschillen met een pandeigenaar en de gemeente Den Haag (hierna: de gemeente). Een procedure tegen de gemeente is uiteindelijk tijdens een zitting medio 2021 geschikt. In oktober 2021 heeft klager een klacht ingediend tegen de advocaat die hem bijstond in die procedure, welke klacht een jaar later ongegrond is verklaard door de raad van discipline. Het hof heeft de beslissing van de raad eind 2023 bekrachtigd.

2.2    Op 14 februari 2025 heeft het hof het beklag van klager tegen de beslissing van de deken van 7 augustus 2025 om geen advocaat aan te wijzen, ongegrond verklaard. Het hof was met de deken van oordeel dat een procedure tegen de gemeente wegens onrechtmatig handelen geen kans van slagen heeft.

2.3    De deken heeft klager op 22 mei 2025 een advocaat aangewezen om te adviseren over de kansen van een aansprakelijkheidsprocedure tegen zijn voormalige advocaat.

2.4    Op 10 juni 2025 heeft de aangewezen advocaat de deken bericht dat klager het kantoor niet in staat stelde om een toevoegingsaanvraag in te dienen. Diezelfde dag heeft klager de deken verzocht hem een andere advocaat aan te wijzen die ervaring heeft op het gebied van het civiele, straf- en bestuursrecht. 

2.5    De deken heeft klager op 13 juni 2025 aangegeven dat er reeds een advocaat was aangewezen, maar dat deze niet was aangewezen om klager over andere kwesties te adviseren, zoals een eventuele procedure tegen de gemeente en/of het doen van aangifte. Daarbij heeft klager voor het doen van aangifte geen advocaat nodig. Ook is medegedeeld dat de deken geen andere advocaat zal aanwijzen, nu eerder een verzoek daartoe al is afgewezen.

2.6    Klager heeft per e-mail van 13 juni 2025 bericht dat hij het daarmee niet eens is. 

2.7    Vervolgens heeft het enige tijd geduurd voordat de aangewezen advocaat over alle stukken beschikte. Nadat deze stukken op 4 augustus 2025 waren verstrekt, heeft de advocaat op 12 december 2025 een negatief procesadvies aan klager verstrekt. Klager heeft de aangewezen advocaat op 15 december 2025 bericht dat hij zich niet kan vinden in dat advies. 

2.8    Op 16 december 2025 heeft klager opnieuw om aanwijzing van een advocaat verzocht, welk verzoek de deken bij beslissing van 24 december 2025 heeft afgewezen.


3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Artikel 13 Advocatenwet is onjuist toegepast, nu er geen procedure aanhangig is gemaakt, maar de aanwijzing beperkt is gebleven tot een advies. Daarnaast is het procesadvies gebaseerd op onjuiste aannames. Zo zijn de schriftelijk onderbouwde kernpunten van klager onvoldoende meegenomen. Dit heeft geleid tot een aanzienlijke vertraging en belemmering van het civielrechtelijke traject van klager.
Ook is het onjuist dat klager primair een civiele procedure tegen de gemeente wilde voeren. Klager wil juist zijn voormalige advocaat aansprakelijk stellen omdat deze ten onrechte een lopende vordering heeft ingetrokken, een verjaringsrisico heeft gecreëerd en omdat een deugdelijke procesvoering ontbrak. Verder verwijst de deken ten onrechte naar eerdere overwegingen van het hof. Tot slot heeft klager een eigen bijdrage moeten betalen voor een advies dat niet heeft geleid tot rechtsbijstand. Klager verzoekt het hof dan ook om vast te stellen dat de besluitvorming van de deken niet voldoet aan de vereisten van zorgvuldigheid, proportionaliteit en objectieve distantie en dat artikel 13 Advocatenwet materieel onjuist is toegepast.

Verweer
3.2    De deken heeft aangevoerd dat sprake is van een hernieuwd verzoek tot aanwijzing. Het is vaste rechtspraak van het hof dat een hernieuwd verzoek kan worden afgewezen, als de deken al een keer eerder een advocaat heeft aangewezen. Verder geldt dat de deken in het algemeen niet gehouden is de aangewezen advocaat te verplichten iedere door klager gewenste procedure te voeren. De aangewezen advocaat heeft hierin een eigen afweging te maken. De door de deken in de aanwijzingsbeslissing gestelde voorwaarde, inhoudende dat in eerste instantie enkel advies hoefde te worden uitgebracht over de juridische haalbaarheid van de zaak en dat verdere (proces)bijstand (alleen) hoefde te worden verleend als de aangewezen advocaat de zaak juridisch haalbaar zou achten, is dan ook niet in strijd met de wet. De stelling dat het proces-advies niet zou deugen heeft klager niet onderbouwd. Het hof heeft in dit verband in aanloop naar dat advies in zijn beslissing van 14 februari 2025 reeds overwogen dat het de vraag is of een aansprakelijkheidsprocedure tegen de voormalige advocaat een redelijke kans van slagen heeft nu de tuchtklacht ongegrond is verklaard. De deken betwist verder dat zij zich inhoudelijk met het adviestraject heeft bemoeid. Evenmin heeft deken voor vertraging gezorgd. 


4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    De deken heeft op 22 mei 2025 een advocaat aangewezen om klager te adviseren over het aansprakelijk stellen van zijn voormalige advocaat. Die advocaat heeft op 12 december 2025 een uitgebreide notitie uitgebracht (bestaande uit achttien pagina’s met vijftien bijlagen). Hierin is een deugdelijke onderbouwing van een negatief procesadvies gegeven. Dat klagers standpunten hierin niet zouden zijn meegenomen, is onvoldoende aannemelijk geworden. Over het verwijt aan de voormalige advocaat van klager is vermeld dat voor zover de voormalige advocaat al zonder instemming van klager een schikking zou zijn aangegaan, het causaal verband ontbreekt tussen de intrekking van de zaak en het verlies van een verhaalsmogelijkheid jegens de gemeente. Er is namelijk geen finale kwijting verleend. Daarmee is klager in beginsel ontvankelijk in een nieuwe procedure tegen de gemeente. Maar in dat advies is (ten overvloede) ook een onderdeel gewijd aan de mogelijke aansprakelijkheid van de gemeente (in de kwestie zoals vermeld onder 2.1). De aangewezen advocaat acht het niet aannemelijk dat een vordering tegen de gemeente wegens onrechtmatig handelen kans van slagen zou hebben in een gerechtelijke procedure. Klager is het dan ook afgeraden om een procedure tegen de gemeente aanhangig te maken. Wel is klager in de dossiervorming vooraf door zijn toenmalige advocaat onvoldoende deugdelijk geadviseerd over het verjaringsrisico. De daardoor veroorzaakte schade van klager is beperkt tot de kosten die hij had bespaard als hij bij juiste advisering had afgezien van de procedure tegen de gemeente, zoals de eigen bijdrage, de deurwaarderskosten en het griffierecht. Klager wil dat de deken opnieuw een advocaat aanwijst. Deze advocaat zou ondanks het negatieve procesadvies een procedure moeten starten om de kosten in verband met de intrekking van de procedure te verhalen. 

4.3    Het hof overweegt dat de deken al een advocaat daartoe heeft aangewezen. Uit de brief van de deken van 22 mei 2025 volgt dat de advocaat is aangewezen om hem te adviseren over het aanhangig maken van een aansprakelijkheidsprocedure tegen zijn voormalige advocaat én hem in geval van een positief advies daarin bij te staan. De aangewezen advocaat heeft klager evenwel een negatief procesadvies gegeven. Het staat, zoals de deken heeft aangevoerd, vrij om een procedure niet te voeren als daartoe, zoals hier, te weinig kans van slagen aanwezig wordt geacht. Klager heeft nog aangevoerd dat de aangewezen advocaat hem zou hebben gezegd dat hij geen toevoegingszaken doet, maar de deken heeft in reactie daarop aangegeven dat hiervoor speciale voorzieningen beschikbaar zijn. Dat klager een eigen bijdrage heeft moeten betalen voor het uitgebrachte advies dat niet heeft geleid tot een procedure maakt niet dat de deken niet juist zou hebben gehandeld. In het licht van het voorgaande en nu niet gebleken is dat het procesadvies onjuist is, mocht de deken het verzoek van klager om een andere advocaat aan te wijzen, afwijzen.

4.4    Het beklag van klager zal dan ook ongegrond worden verklaard.


5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 24 december 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. W.A. Timmer en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 23 oktober 2026.