ECLI:NL:TAHVD:2026:348 Hof van Discipline 's Gravenhage 260265

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:348
Datum uitspraak: 26-10-2026
Datum publicatie: 26-10-2026
Zaaknummer(s): 260265
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klager ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die hij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waarom de deken heeft verzocht, te verstrekken. Dat heeft klager niet gedaan. Ook het hof heeft uit de stukken niet kunnen afleiden wat het geschil is waarvoor klager een advocaat nodig heeft.

Beslissing van 26 oktober 2026

in de zaak 260265

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klager

tegen:

mr. W.W.H. Timmermans

Deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Gelderland

de deken

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klager heeft op 18 juni 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 2 juli 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het onvoldoende duidelijk is geworden welk vonnis klager wil laten herroepen. Ook heeft klager zich onvoldoende tot advocaten gewend, althans heeft klager  die zoektocht onvoldoende aangetoond.

Bij het hof

1.3 Klager heeft op 2 juli 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Op 3 en 7 juli 2026 heeft klager een aanvulling gegeven op het beklag.

1.4 Verder bevat het dossier:

  • het verweer van de deken
  • de repliek
  • de dupliek

1.5 Het hof heeft het beklag van klager schriftelijk behandeld op basis van de stukken in het dossier.

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Klager zoekt een advocaat die namens hem kan verzoeken om herroeping van een vonnis.

Klager geeft aan dat de termijn voor herroeping afloopt op 17 juli 2026. Klager is van mening dat hij op 17 april 2026 bekend is  geworden met de herroepingsgrond door een bericht van het Landelijk Meldpunt Zorg.

2.2  Op 19 en 22 juni 2026 heeft de deken klager geïnformeerd over de vereisten waaraan een verzoek om aanwijzing moet voldoen. In het bijzonder is klager erover geïnformeerd dat hij duidelijkheid diende te verschaffen over het vonnis dat hij wil laten herroepen. Ook is klager  geïnformeerd over het feit dat hij zelf geschikte advocaten dient te benaderen die gespecialiseerd zijn in het rechtsgebied waarin het verzoek ligt en die werkzaamheden verrichten op basis van een toevoeging. Op 22 en 24 juni 2026 heeft klager hierop een reactie gegeven. Bij e-mail van 25 juni 2026 heeft de deken gereageerd dat klager meerdere advocaten heeft benaderd die werkzaam zijn in een ander rechtsgebied of geen werkzaamheden verrichten op basis van een toevoeging. Ook heeft de deken klager verzocht om duidelijkheid te verschaffen over het vonnis dat hij wil laten herroepen en nogmaals toe te lichten waarom het bericht van het Landelijk Meldpunt Zorg aanleiding zou vormen voor herroeping. Tot slot heeft de deken aan klager verzocht om toe te lichten waarom hij van mening was dat er mogelijkheden waren om verder te procederen, terwijl zijn voormalig advocaat had aangegeven dat de procedure was afgerond. Klager heeft op 25 en 26 juni 2026 gereageerd. In de e-mail van 26 juni 2026 heeft klager aangegeven dat “het dossier voor de spoedregeling naar de deken thans 100% compleet, sluitend en onwrikbaar” is.

2.3 De deken heeft aan de afwijzende beslissing van 2 juli 2026 ten grondslag gelegd dat  onvoldoende duidelijk is geworden welk vonnis klager zou willen laten herroepen en waarom herroeping volgens klager mogelijk zou zijn. De deken heeft gewezen op een brief van de rechtbank die klager heeft toegestuurd met een rapport en declaratie van de deskundige d.d. 30 juli 2024 en een e-mail van 26 juni 2026 waarin klager een vonnis van 17 juli 2023 benoemt. Dit vonnis is niet aan de deken gestuurd. Volgens de deken heeft klager onvoldoende duidelijk gemaakt waarom het bericht van het Landelijk Meldpunt Zorg voldoende grond zou bieden voor herroeping. De deken heeft erop gewezen dat klager meermaals in de gelegenheid is gesteld om duidelijkheid te verschaffen.

2.4 Daarnaast heeft de deken zich op het standpunt gesteld dat klager zich onvoldoende tot advocaten heeft gewend die werkzaam zijn op het rechtsgebied waarop hij verplichte rechtsbijstand nodig zou hebben en die werkzaamheden verrichten op basis van gefinancierde rechtsbijstand. Althans klager heeft die zoektocht onvoldoende aangetoond. Ook heeft klager het diagnosedocument van het Juridisch Loket niet aangeleverd.

2.5 Omdat het verzoek op grond van het voorgaande wordt afgewezen, komt de deken aan de beoordeling van de kans van slagen van de procedure niet toe. De deken plaatst wel vraagtekens bij de mogelijkheid voor herroeping op basis van het (geautomatiseerde) bericht van 17 april 2026 dat klager heeft ontvangen van het Landelijk Meldpunt Zorg. Dat geldt ook voor het bericht van 28 mei 2026. Daarbij komt dat de voormalig advocaat van klager reeds heeft aangegeven dat de zaak afgerond zou zijn.

3 BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager heeft aangevoerd dat de daadwerkelijke, inhoudelijke notificatie van het Landelijk Meldpunt Zorg (registratienummer 2604 2985) pas op 28 mei 2026 aan hem is toegezonden. De wettelijke termijn van 3 maanden (ex art. 382 Rv) wegens de procesfraude van dr. [K] loopt derhalve door tot 28 augustus 2026. Er is daarom volgens klager voldoende tijd voor een opvolgend advocaat.

3.2 Klager heeft opgemerkt dat zijn inkomen boven de grens voor gefinancierde rechtsbijstand (toevoeging) ligt, waardoor het Juridisch Loket hem niet helpt.

3.3 Verder heeft klager aangevoerd dat het ontbreken van het fysieke vonnis van 17 juli 2023 een direct gevolg is van overmacht. Klagers voormalig advocaat weigert de medische stukken in behandeling te nemen. Hij heeft klagers expliciete verzoek om afgifte van het digitale dossier en de herziene processtukken formeel geweigerd.

3.4 Klager is van mening dat de stelling van de deken dat hij niet bij de juiste advocaten heeft gezocht feitelijk onjuist is. Klager heeft afwijzingen van letselschadespecialisten die hij heeft benaderd bij het beklag gevoegd.

3.5 In het document “integrale onderbouwing beklaagschrift” dat bij de e-mail van 3 juli 2026 is gevoegd, heeft klager een uitvoerige beschrijving van het medische geschil betreffende zijn zoon gegeven. Volgens klager is de kans van slagen van de procedure die hij wil voeren hiermee onomstotelijk aangetoond.

Verweer

3.6 De deken heeft aangevoerd dat het onvoldoende duidelijk is geworden welk vonnis klager wilde laten herroepen. Klager heeft afwisselend naar verschillende brieven en beschikkingen van de rechtbank verwezen. Zelfs na concrete vragen van de deken heeft klager geen duidelijkheid verschaft over het vonnis. In zijn e-mail van 26 juni 2026 heeft klager verwezen naar een beschikking van de rechtbank van 17 juli 2023, maar de deken heeft daarvan geen kopie mogen ontvangen. Vervolgens geeft klager in zijn beklag aan dat hij niet kon beschikken over het vonnis omdat hij geen toegang heeft tot zijn volledige dossier.

3.7 De grondslag voor herroeping zou volgens het beklag “bewezen datamanipulatie” zijn. De grondslag voor herroeping is bij de behandeling van het verzoek echter niet duidelijk toegelicht door klager.

3.8 Verder heeft de deken erop gewezen dat aan klager kenbaar is gemaakt dat (een deel van de) afwijzingen van advocaten die hij had toegestuurd niet voldeden. Klager heeft vervolgens geen aanvullende schriftelijke afwijzingen toegestuurd. Bovendien sprak klager bij de behandeling van zijn verzoek om aanwijzing steeds van de herroeping van een vonnis, maar verzoekt hij het hof nu om een advocaat “voor het vorderen van het wettelijk inzagerecht bij mr. [S].” De deken blijft van mening dat onvoldoende duidelijk is geworden wat de inhoud van de te voeren procedure betreft.

3.9 Wat betreft het diagnosedocument van het Juridisch Loket heeft de deken opgemerkt dat klager heeft aangeven dat hij in aanmerking kwam voor een toevoeging. Bij de behandeling van het verzoek om aanwijzing heeft klager niet kenbaar gemaakt dat dit onjuist was. Ook op dit punt heeft klager onvoldoende informatie verschaft.

repliek

3.10 Klager heeft alsnog een afschrift van de beslissing van de rechtbank Gelderland van 17 juli 2023 gestuurd. Ook heeft klager een begrotingsbeschikking van de rechtbank Gelderland van 19 september 2024 gestuurd. Voor zover klager kan overzien, is na de begrotingsbeschikking van 19 september 2024 geen eindvonnis over de medische aansprakelijkheid zelf gewezen. Blijkens de beschikking zelf zijn “commentaren van de partijen op de declaratie… achterwege gebleven”, hetgeen erop wijst dat de inhoudelijke procedure na die datum niet is voortgezet. Klager merkt op dat deze beschikking uitsluitend de administratieve vaststelling van het honorarium van de deskundige betrof, en dat zijn voormalig advocaat hem destijds heeft meegedeeld dat de zaak “afgerond” was. Klager is eerst recentelijk, bij nadere bestudering van deze beschikking, tot de conclusie gekomen dat de hoofdzaak feitelijk nog aanhangig en openstaand is, nu de vereiste conclusie na deskundigenbericht nimmer is ingediend. Dit onderstreept naar de mening van klager dat er sprake is van een levende, lopende kwestie waarvoor voortgezette procesvertegenwoordiging noodzakelijk blijft.

dupliek

3.11 De deken blijft van mening dat het beklag niet kan leiden tot een gegrondverklaring en handhaaft de bestreden beslissing, omdat op goede gronden is besloten het verzoek af te wijzen.

Hoewel de deken begrijpt dat het voor een verzoeker lastig kan zijn om bepaalde stukken (juridisch) te beoordelen, is het aan de verzoeker om duidelijkheid te verschaffen over de te voeren procedure en daartoe de nodige documentatie te verschaffen. Herroeping is bovendien een buitengewoon rechtsmiddel dat niet snel succesvol zal zijn. Daarvan kan alleen sprake zijn in zeer uitzonderlijke situaties, zoals bij bedrog door de wederpartij, valse documenten of achtergehouden bewijsmateriaal.

3.12 Klager heeft onvoldoende duidelijkheid verschaft, zoals reeds is toegelicht in de beschikking en het verweer. De deken kan een verzoeker slechts tot op zekere hoogte behulpzaam zijn bij een verzoek om aanwijzing. De deken kan een verzoeker niet voorzien van juridisch advies of helpen bij het duiden van juridische kwesties. Dat is niet de rol en taak van de deken die een verzoek behandelt op grond van artikel 13 Advocatenwet. Door gerichte vragen te stellen en klager  meermaals in de gelegenheid te stellen het verzoek aan te vullen, is de deken voldoende behulpzaam geweest.

3.13 Gelet op de door klager gestelde termijn in het oorspronkelijke verzoek en de opmerking dat de aangeleverde informatie compleet was, heeft de deken terecht besloten geen nadere termijn te stellen voor het aanleveren van informatie. Klager was al meermaals in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2 De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klager ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die hij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waarom de deken heeft verzocht, te verstrekken.

4.3 Dat heeft klager niet gedaan. Ook het hof heeft uit de stukken niet kunnen afleiden wat het geschil is waarvoor klager een advocaat nodig heeft. Verder constateert het hof dat klager de door de deken gevraagde aanvullende stukken niet heeft overgelegd. Het hof onderschrijft daarom het standpunt van de deken dat klager zijn verzoek niet voldoende heeft onderbouwd. De deken heeft dan ook afwijzend mogen beslissen op het aanwijzingsverzoek van klager.

4.4 Uit het voorgaande volgt reeds dat het beklag ongegrond is. Gelet hierop behoeven de overige beklaggronden van klager geen bespreking meer.

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 2 juli 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort – de Bruin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026 .

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 26 oktober 2026.