ECLI:NL:TAHVD:2026:347 Hof van Discipline 's Gravenhage 260236
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:347 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-10-2026 |
| Datum publicatie: | 26-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260236 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Onvoldoende onderbouwing verzoek. |
Beslissing van 26 oktober 2026
in de zaak 260236
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft op 18 mei 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 9 juni 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager zijn verzoek niet voldoende heeft onderbouwd. De deken acht de slagingskans onvoldoende om een advocaat aan te wijzen.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 19 juni 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek
1.5 Het hof heeft het beklag van klager schriftelijk behandeld op basis van de stukken in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager heeft verzocht om bijstand van een advocaat in het geschil met Ambulance Amsterdam B.V.. Klager geeft aan dat hij niet adequaat zou zijn geholpen door het ambulancepersoneel van Ambulance Amsterdam B.V., waardoor een bij hem aanwezige fractuur uiteindelijk pas op 20 september 2025 (toen de ambulance voor de tweede keer kwam), en niet gelijk op 19 september 2025 (toen de ambulance voor de eerste keer kwam) is opgemerkt. Klager stelt dat het hem niet alleen te doen is om een eventuele schadevergoeding, maar dat hij graag een onafhankelijke juridische beoordeling van de gang van zaken wil om te voorkomen dat iets vergelijkbaars in de toekomst weer gebeurt.
2.2 De deken heeft op basis van de door klager verstrekte stukken vastgesteld dat Ambulance Amsterdam B.V. niet de veroorzaker is van de fractuur. Daarnaast heeft de deken geen enkel bewijs aangetroffen voor klagers stelling dat hij schade heeft geleden als gevolg van de uitgestelde zorg. De deken acht de door klager gestelde vordering (zowel een schadevergoedingsvordering op grond van onrechtmatige daad als een vordering tot verklaring voor recht dat Ambulance Amsterdam B.V. onrechtmatig jegens klager heeft gehandeld) daarom onvoldoende onderbouwd en acht de slagingskans van een procedure onvoldoende om daarvoor een advocaat aan te wijzen.
2.3 Op basis van de door klager verstrekte stukken heeft de deken verder geconcludeerd dat een eventuele schadevordering het bedrag van € 25.000,- niet zal overschrijden. Voor civiele procedures met een belang tot € 25.000,- geldt geen verplichte procesvertegenwoordiging. Ook om deze reden wijst de deken geen advocaat aan. Klager kan deze procedure zelf voeren en zich eventueel door iemand laten bijstaan (bijvoorbeeld een jurist); dit hoeft geen advocaat te zijn.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager heeft erop gewezen dat er inmiddels aanvullend bewijs beschikbaar is gekomen. In een schriftelijke reactie van de Politie Eenheid Amsterdam wordt bevestigd:
"Over uw 112 meldingen is er overleg geweest tussen beide diensten waarin de ambulancedienst heeft aangegeven dat er geen opvolging moest worden gegeven aan uw hulpverzoek. Achteraf bleek dat dit standpunt van de ambulancedienst verkeerd is geweest."
Deze verklaring werpt volgens klager een wezenlijk ander licht op de gebeurtenissen en bevestigt dat niet uitsluitend sprake was van een medische beoordeling ter plaatse, maar van besluitvorming binnen de acute hulpverleningsketen die gevolgen heeft gehad voor verdere opvolging van zijn noodmeldingen.
3.2 Daarnaast heeft de Medisch Manager van Ambulance Amsterdam schriftelijk erkend dat tijdens de eerste inzet onvoldoende lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en dat onvoldoende medische gegevens beschikbaar waren om klager zonder verdere zorg of toezicht achter te laten. Daarmee staat volgens klager vast dat sprake is van een serieuze medische aansprakelijkheidskwestie die specialistische juridische beoordeling vereist.
3.3 De zaak wordt volgens klager verder gekenmerkt door een groot aantal administratieve en procedurele complicaties, waaronder:
- een rit-rapport dat pas dagen na het incident werd opgesteld;
- administratieve inconsistenties tussen registraties, meldkamergegevens en latere reconstructies;
- wijzigingen in dossiergegevens waarbij relevante metadata niet meer beschikbaar bleken;
- een klachtenafhandeling die aanzienlijke termijnoverschrijdingen kende;
- problemen bij de verkrijging van informatie via de Woo, ondanks tijdig ingediende verzoeken;
- betrokkenheid van meerdere instanties, waaronder Ambulance Amsterdam, meldkamerdiensten, politie, Centramed, medisch adviseurs en toezichthoudende instanties;
- parallel lopende procedures bij onder meer de Geschillencommissie Ambulancezorg en het Regionaal Tuchtcollege.
Juist deze combinatie van medische, bestuursrechtelijke, bewijsrechtelijke en aansprakelijkheidsrechtelijke aspecten maakt volgens klager dat effectieve rechtsbescherming zonder gespecialiseerde juridische bijstand feitelijk niet mogelijk is.
3.4 Klager wijst erop dat het geschil bredere rechtsstatelijke beginselen raakt. Nederland profileert zich nationaal en internationaal als hoeder van de rechtsstaat, mensenrechten en de internationale rechtsorde. Niet voor niets zijn het Internationaal Strafhof (ICC), het Internationaal Gerechtshof en diverse andere internationale rechtsinstituties in Nederland gevestigd. Die positie brengt mee dat burgers moeten kunnen vertrouwen op effectieve toegang tot het recht wanneer zij menen slachtoffer te zijn geworden van mogelijk institutioneel falen binnen publieke hulpverleningsketens.
Tegenover professionele partijen die worden bijgestaan door juristen, verzekeraars en medisch adviseurs is zonder advocaat geen sprake van een reële procespositie. De weigering om een advocaat aan te wijzen leidt onder deze omstandigheden tot een ernstige ongelijkheid van proceskansen.
Verweer
3.5 De deken heeft aangevoerd dat wat klager in zijn beklagschrift heeft aangevoerd de conclusie dat de procedure geen redelijke kans van slagen heeft niet anders maakt. Duidelijk is dat Ambulance Amsterdam, nadat de eerste ambulance op 19 september 2025 was weggegaan, niet direct opvolging heeft gegeven aan de daarop volgende 112-oproepen van klager. Ook als zou moeten worden aangenomen dat Ambulance Amsterdam hiermee onrechtmatig jegens klager zou hebben gehandeld -wat volgens de deken geenszins vaststaat, aangezien Ambulance Amsterdam als rechtvaardiging heeft aangevoerd dat klager net was gezien door het ambulancepersoneel en hij daarbij het ambulancepersoneel onheus zou hebben bejegend-, geldt dat niet is gebleken dat klager hierdoor schade heeft geleden. Als klager al enige (reële) vordering op Ambulance Amsterdam zou hebben, geldt daarom dat niet is gebleken dat zijn schade het bedrag van € 25.000,- zal overschrijden. Klager kan een procedure daarover zelf voeren bij de kantonrechter. De gestelde complexiteit van de zaak en het feit dat de wederpartij mogelijk wel zal worden bijgestaan vormen geen aanleiding om een advocaat aan te wijzen. Klager kan in de door hem gewenste procedure immers hulp of bijstand van een niet-advocaat vragen.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klager ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die hij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waarom de deken heeft verzocht, te verstrekken.
4.3 Klager heeft onvoldoende met feitelijke gegevens concreet gemaakt dat de door hem gesteld geleden schade (uitsluitend) door Ambulance Amsterdam B.V. is veroorzaakt en aan Ambulance Amsterdam B.V. kan worden toegerekend. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat klager de vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Terecht heeft de deken zich dan ook op het standpunt gesteld dat de slagingskans van een procedure onvoldoende is om daarvoor een advocaat aan te wijzen. Wat klager heeft aangevoerd met betrekking tot de complexiteit van de zaak maakt dit niet anders. Er zijn immers letselspecialisten die geen advocaat zijn.
4.4. Klager heeft verder onvoldoende gepreciseerd hoe hoog de schade is. De conclusie van de deken dat niet is gebleken dat de schade het bedrag van € 25.000,- zal overschrijden zodat klager die procedure zelf kan voeren bij de kantonrechter -eventueel bijgestaan door een jurist- wordt door het hof onderschreven.
4.5 Het hof overweegt verder dat de voorziening van artikel 13 Advocatenwet geen absolute waarborg is voor daadwerkelijke toegang tot de rechter. Het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter is niet absoluut, maar mag aan verschillende beperkingen worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79).
4.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de deken het verzoek van klager terecht en wegens gegronde redenen heeft afgewezen, zodat het beklag van klager niet slaagt.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 9 juni 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort – de Bruin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 26 oktober 2026.