ECLI:NL:TAHVD:2026:346 Hof van Discipline 's Gravenhage 260234
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:346 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-10-2026 |
| Datum publicatie: | 26-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260234 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet niet-ontvankelijk. Het hof stelt vast dat de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van 23 maart 2026 van de rechtbank Den Haag inmiddels is verlopen op 23 juni 2026. Nu deze termijn is verstreken, heeft klager geen belang meer bij aanwijzing van een advocaat voor het indienen van hoger beroep. |
Beslissing van 26 oktober 2026
in de zaak 260234
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. I. Aardoom - Fuchs
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft op 11 juni 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 18 juni 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het verzoek op een laat moment is ingediend en de gevraagde informatie niet tijdig is aangeleverd.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 18 juni 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
1.5 Het hof heeft het beklag van klager schriftelijk behandeld op basis van de stukken in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager heeft op 11 juni 2026 verzocht om aanwijzing van een advocaat voor het instellen van hoger beroep tegen een vonnis van 23 maart 2026 van de rechtbank Den Haag waarin een omgangsregeling is vastgesteld. Naar aanleiding van het verzoek heeft de deken klager verzocht om nadere informatie, te weten het vonnis van 23 maart 2026 en de stukken waaruit blijkt dat klagers vorige advocaat hem niet meer kan bijstaan. Op 15 juni 2026 heeft klager aan de deken bericht dat hij de gevraagde stukken heeft toegezonden. De gevraagde stukken waren echter niet bij de e-mail gevoegd.
2.2 De deken heeft op 18 juni 2026 beslist dat zij geen advocaat kan aanwijzen nu zij niet de stukken heeft om het verzoek te beoordelen. De termijn voor het instellen van hoger beroep verstrijkt op 23 juni 2026. De deken heeft opgemerkt dat de beschikbare termijn inmiddels zodanig beperkt is dat het niet langer mogelijk is een advocaat aan te wijzen. Nu onderhavige zaak een verzoekschriftprocedure betreft, is het niet mogelijk om “pro forma” hoger beroep in te stellen. Van een aan te wijzen advocaat kan niet worden verwacht dat deze in dit korte tijdsbestek het dossier bestudeert, advies uitbrengt en -indien deze kansen ziet- een beroepschrift opstelt en uitbrengt.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Hij heeft aangevoerd dat hij al jaren bezig is met een gevecht tegen de overheid. Hij stelt dat hij al jaren geen advocaat kan krijgen. Het juridisch loket heeft klager laat doorgestuurd. De opgevraagde stukken heeft klager wel verzonden maar naar een verkeerd e-mailadres. Klager stelt voorts dat hij bereid is om de eigen bijdrage te betalen.
3.2 Klager wil graag van het recht gebruik maken om een hoger beroep aan te vragen bij het gerechtshof om zo een juridische dwaling te voorkomen. Hij heeft opgemerkt dat de veiligheid van de kinderen en hemzelf op het spel staat.
3.3 Verweer
De deken heeft aangevoerd dat de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank op 23 juni 2026 inmiddels is verlopen. Dit betekent dat de appeltermijn inmiddels is verstreken en dat klager geen belang meer heeft bij een beklag.
3.4 Ten aanzien van de beklaggronden heeft de deken opgemerkt dat zij geen uitspraken kan doen over de wijze waarop de communicatie tussen klager en het Juridisch Loket is verlopen. Indien inderdaad sprake is geweest van een te late doorverwijzing, is dat zonder meer een betreurenswaardige omstandigheid voor klager. Dit doet echter niet af aan de rechtmatigheid van de afwijzing van klagers verzoek. De deken heeft erop gewezen dat deze omstandigheid buiten haar invloedssfeer ligt. Overigens laat dat ook onverlet dat het in dergelijke omstandigheden op de weg van klager had gelegen om (eerder) zelfstandig de Orde te benaderen.
3.5 Klager heeft het webformulier met zijn verzoek om aanwijzing ingediend op 11 juni 2026 (12:20 uur). Zoals in de beslissing van 18 juni is toegelicht, heeft de deken (ondanks herhaald verzoek) de opgevraagde stukken niet mogen ontvangen. Klager geeft aan dat hij deze naar een verkeerd e-mailadres heeft gestuurd. Hoewel ook dat een zeer vervelende omstandigheid is, komt deze omstandigheid voor rekening en risico van klager, de verzoeker. Het is zijn verantwoordelijkheid om de benodigde stukken tijdig aan te leveren.
3.6 Klager geeft aan dat hij graag alsnog hoger beroep wil instellen. Zoals reeds uitgelegd in de beslissing, is het niet mogelijk om “pro-forma” hoger beroep in te dienen bij verzoekschriftprocedures. De appeltermijn is inmiddels verlopen. Derhalve kan dan ook niet aan dat verzoek worden voldaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft. In dit geval heeft de deken geoordeeld dat zij over onvoldoende informatie beschikte om het verzoek te beoordelen. Daarnaast achtte zij het aanwijzen van een advocaat niet langer mogelijk omdat de appeltermijn al bijna verstreken was.
4.2 Het hof stelt vast dat de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van 23 maart 2026 van de rechtbank Den Haag inmiddels is verlopen op 23 juni 2026. Nu deze termijn is verstreken, heeft klager geen belang meer bij aanwijzing van een advocaat voor het indienen van hoger beroep. Reeds om die reden is het beklag niet-ontvankelijk. De door klager in het beklag genoemde gronden, die door de deken zijn weersproken, behoeven reeds daarom geen bespreking meer.
4.3 Uit het voorgaande volgt dat het beklag tegen de beslissing van de deken van 2 maart 2026 niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 18 juni 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort – de Bruin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 26 oktober 2026.