ECLI:NL:TAHVD:2026:344 Hof van Discipline 's Gravenhage 260202

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:344
Datum uitspraak: 23-10-2026
Datum publicatie: 26-10-2026
Zaaknummer(s): 260202
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklagzaak. Artikel 13 Advocatenwet. Eigen bijdrage van eerder toegewezen advocaat niet voldaan. Beklag ongegrond. 


Beslissing van 23 oktober 2026
in de zaak 260202

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:


klager
    
tegen:
    
de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 3 juni 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat zij in één zaak slechts éénmaal tot aanwijzing van een advocaat overgaat (zie ook ECLI:NL:TAHVD:2026:160). Het staat een advocaat vrij om zijn rechtsbijstand neer te leggen op het moment dat een cliënt niet overgaat tot betaling van de eigen bijdrage die door de Raad voor Rechtsbijstand is opgelegd. Klager heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de aangewezen advocaat, mr. Van D, kennelijk onjuist heeft gehandeld of niet in redelijkheid tot zijn beslissing om zijn rechtsbijstand te beëindigen, heeft kunnen komen.

Bij het hof
1.3    Klager heeft op 4 juni 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Er loopt naast deze zaak ook een beklagzaak van klager bij het hof onder nummer 260279. 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het e-mailbericht van klager van 15 juni 2026;
-    de e-mailberichten van klager van 17 juni 2026 met bijlagen;
-    het verweer van de deken van 23 juni 2026;
-    de repliek van klager van 23 juni 2026 (bestaande uit twee e-mailberichten);
-    de e-mailberichten van klager van 25 juni 2026 met bijlagen;
-    de e-mailberichten van klager van 29 juni 2026 waarin hij onder meer verzoekt om een            
mondelinge behandeling;
-    de dupliek van de deken van 1 juli 2026;
-    het verzoek van klager van 4 juli 2026 om een mondelinge behandeling;
-    het e-mailbericht van klager van 12 juli 2026 met bijlage;
-    het e-mailbericht van klager van 15 juli 2026;
-    het e-mailbericht van klager van 27 juli 2026 en
-    de e-mailberichten van klager van 4 augustus 2026 met bijlagen.

1.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 7 september 2026, gelijktijdig met de zaak van klager tegen de deken onder nummer 260279. Klager heeft de mondelinge behandeling bijgewoond via een videoverbinding. De deken is, zoals was aangekondigd, niet verschenen. In zaak 260279 wordt vandaag afzonderlijk beslist.


2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Op 24 november 2025 heeft de deken mr. Van D aangewezen als advocaat voor klager om voor hem hoger beroep in te stellen tegen het kort gedingvonnis waarin klager was veroordeeld tot ontruiming van zijn woning.
 
2.2    Mr. Van D. heeft klager bij e-mail van 30 maart 2026 laten weten dat hij had vernomen dat klager bijzondere bijstand zou aanvragen, dat dit nog enkele weken zou duren en dat hij dit zou afwachten.

2.3    Mr. Van D. heeft klager bij e-mail van 19 mei 2026 bericht dat de eigen bijdrage (€ 762,-) vóór 1 juni 2026 moest worden betaald, bij gebreke waarvan hij het dossier zou sluiten. 

2.4    Op 20 mei 2026 heeft klager zich tot de deken gewend met een hernieuwd aanwijzingsverzoek ex artikel 13 Advocatenwet. De deken heeft dit verzoek op 3 juni 2026 afgewezen.


3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. De wet kent niet de beperking dat maar eenmaal een advocaat wordt aangewezen in eenzelfde zaak. Dit is kennelijk een beleidsregel, maar die kan de wettelijke aanwijzingsverplichting van artikel 13 lid 1 Advocatenwet niet opzij zetten. Bovendien is de situatie die aanleiding gaf tot het nieuwe verzoek een andere dan de situatie bij de eerste aanwijzing. Aanvankelijk had klager geen advocaat, maar nu heeft de aangewezen advocaat de bijstand beëindigd als gevolg van een betalingskwestie die niet aan klager te wijten is, maar samenhangt met het falen van de bijzondere bijstandsprocedure bij de gemeente. Het is vaste rechtspraak dat de afwijzingsdrempel van artikel 13 lid 2 Advocatenwet hoog ligt en dat de deken concrete, op de zaak toegespitste redenen dient aan te voeren (Hof van Discipline 14 september 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:190; Hof van Discipline 5 april 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:72). Zelfs als die regel wel geldt, rechtvaardigen de bijzondere omstandigheden van klager afwijking ervan op grond van artikel 4:84 Awb. Klager is op 29 november 2025 vrijgekomen, was dakloos, had geen inkomen en was daardoor afhankelijk van bijstand, terwijl hij verwikkeld was in meerdere juridische procedures. Het weigeren van een nieuwe aanwijzing leidt tot schending van klagers recht op toegang tot de rechter in de zin van artikel 6 EVRM. Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat in procedures met verplichte procesvertegenwoordiging de staat een positieve verplichting heeft om effectieve rechtsbijstand te garanderen (EHRM 9 oktober 1979, Airey/ Ierland, § 26; EHRM 15 februari 2005, Steel en Morris / Verenigd Koninkrijk, § 61). De weigering van de deken staat op gespannen voet met deze verplichting.
Verder heeft de deken nagelaten de feitelijke situatie te beoordelen. Mr. Van D wist op het moment dat hij zich onttrok dat klager actief bezig was de bijzondere bijstandsprocedure te herstellen. Klager heeft niet zelf het vertrouwen in mr. Van D opgezegd: mr. Van D heeft zich onttrokken wegens non-betaling, terwijl hij eerder uitdrukkelijk had toegezegd het bijstandstraject af te wachten en terwijl klager op 19 mei 2026 aantoonbaar actief was met het herstellen van die procedure. Klager heeft door omstandigheden het herstelverzoek van de gemeente van 28 april 2026 niet ontvangen en daardoor de deadline van 10 mei 2026 niet gehaald. Zodra klager op 19 mei 2026 kennisnam van de buiten-behandeling-stelling heeft hij onmiddellijk de toevoeging aangeleverd en de aanvraag hersteld. Mr. Van D, die dit wist, stelde desondanks diezelfde middag een ultimatum van twaalf dagen. Dat is geen redelijke termijn zoals bedoeld in Gedragsregel 15. De deken had ook ambtshalve moeten toetsen of de onttrekking in overeenstemming was met Gedragsregel 15.
Tot slot voert klager aan dat er mogelijk sprake is van belangenverstrengeling. Vóór de toewijzing van mr. Van D liep er een tuchtklacht van klager tegen een advocaat met dezelfde achternaam als mr. Van D. De deken heeft nagelaten vast te stellen of tussen beide personen een zakelijke of persoonlijke relatie bestaat. Klager verzoekt het hof de deken te gelasten dit punt alsnog te onderzoeken en de uitkomst aan klager mede te delen, voordat een definitieve beslissing op het aanwijzingsverzoek wordt genomen.

Verweer
3.2    De deken heeft aangevoerd dat het vaste jurisprudentie is dat slechts eenmaal een advocaat wordt aangewezen. Verder heeft mr. Van D zijn opdracht moeten neerleggen, omdat klager niet twaalf dagen, maar gedurende meerdere maanden (vanaf december 2025) verzuimde om de eigen bijdrage te voldoen. Afwijzing van bijzondere bijstand ligt niet in de risicosfeer van mr. Van D, maar in die van de klager. Dat mr. Van D niet de goede advocaat zou zijn geweest voor klager vanwege een mogelijke tuchtklacht tegen een andere advocaat met dezelfde achternaam als mr. Van D, kan de deken niet volgen. De klacht richtte zich tot een andere advocaat dan mr. Van D. Bovendien had klager de deken daar eerder op kunnen wijzen en wordt de klacht onderzocht door de kantoorfunctionaris.


4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    Bij beslissing van 24 november 2025 heeft de deken een advocaat aangewezen. Klager heeft toen kort daarna een aanvraag voor bijzondere bijstand ingediend bij de gemeente. Op 30 maart 2026 heeft de aangewezen advocaat klager laten weten dat hij wist dat die aanvraag liep en dat hij dit zou afwachten. Ruim anderhalve maand later, op 19 mei 2026, heeft de aangewezen advocaat klager verzocht om de eigen bijdrage vóór 1 juni 2026 te voldoen. Dat heeft klager niet gedaan, waarna de aangewezen advocaat zich heeft onttrokken. Klager heeft uiteindelijk de aangevraagde bijstand niet gekregen. 

4.3    Het hof is van oordeel dat de aangewezen advocaat voornoemde voorwaarde tot betaling mocht stellen. De aangewezen advocaat heeft lang genoeg – in totaal een half jaar – gewacht op betaling van de eigen bijdrage, die uiteindelijk uitbleef. Afwijzing van een verzoek om bijzondere bijstand, althans het niet tijdig voldoen aan een herstelverzoek, ligt in de risicosfeer van klager. De deken is niet verplicht een tweede advocaat aan te wijzen. Het is vaste jurisprudentie dat in een zaak slechts eenmaal een advocaat wordt aangewezen (HvD 30 oktober 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:202), nog daargelaten overigens dat klager ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat hij geen bijzondere bijstand heeft gekregen om de eigen bijdrage te voldoen, zodat hij ook bij een tweede aanwijzing hoogstwaarschijnlijk de eigen bijdrage niet zal kunnen voldoen. Klager heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat hij een tweede maal aanspraak zou kunnen maken op toewijzing van een advocaat. Dat de aangewezen advocaat niet zou voldoen vanwege een mogelijke tuchtklacht tegen een advocaat, op wiens kantoor een advocaat werkzaam is met dezelfde achternaam als mr. Van D is onvoldoende aannemelijk geworden. Het hof volgt de deken in haar standpunt dat klager de deken eerder op de mogelijke belangenverstrengeling had kunnen wijzen. 

4.4    Het hof zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.


5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 3 juni 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. W.A. Timmer en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 23 oktober 2026.