ECLI:NL:TAHVD:2026:343 Hof van Discipline 's Gravenhage 260061

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:343
Datum uitspraak: 23-10-2026
Datum publicatie: 26-10-2026
Zaaknummer(s): 260061
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over kwaliteit van de dienstverlening door eigen advocaat. Anders dan de raad acht het hof de klacht in twee onderdelen gedeeltelijk gegrond. Verweerder heeft een conclusie naar de rechtbank gezonden zonder tevoren met klager af te stemmen dat wijzigingen niet meer mogelijk waren en zonder klager direct of kort na verzending een afschrift te zenden. Verweerder heeft verder niet voldaan aan zijn verplichting om steeds duidelijkheid te verschaffen over de gemaakte financiële afspraken en hij heeft over de door hem ontvangen betalingen geen deugdelijke en nauwgezette verantwoording afgelegd aan klager. Voor een deel van de gedane betalingen voor honorarium ontbreken declaraties, de ontvangen contante bedragen voor gemaakte onkosten zijn nergens verantwoord en het is steeds klager geweest die financiële afspraken schriftelijk heeft vastgelegd. Verweerder had moeten zorgen voor een deugdelijke eindverantwoording van ontvangen betalingen en een einddeclaratie. Verweerder heeft niet gehandeld overeenkomstig het doel en de strekking van gedragsregels 16 en 17 en hij heeft de kernwaarde (financiële) integriteit geschonden. Berisping.

Beslissing van 23 oktober 2026
in de zaak 260061

naar aanleiding van het hoger beroep van:


klager

tegen:

verweerder

1    INLEIDING

1.1    Verweerder heeft klager bijgestaan in een procedure over de verkoop en levering van een appartement. Klager heeft zijn ontevredenheid over de dienstverlening door verweerder in meerdere klachtonderdelen uiteengezet. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de klacht van klager in alle onderdelen ongegrond verklaard. Klager heeft tegen de beslissing van de raad hoger beroep ingesteld. Het hof is anders dan de raad van oordeel dat twee klachtonderdelen gedeeltelijk gegrond zijn. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline
2.1    De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-643/A/NH) een beslissing genomen op 9 februari 2026. In deze beslissing is de klacht van klager in alle onderdelen ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2026:38 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline
2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 26 februari 2026 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift;
-    de op 30 juli 2026 van klager ontvangen stukken.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 14 augustus 2026. Daar is klager verschenen. Verweerder was met bericht afwezig. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    In 2022 heeft een makelaar (hierna: de makelaar) het appartement van klager te koop aangeboden op Funda, waarna hij is benaderd door een advocaat. Deze advocaat deelde de makelaar mee dat het appartement al verkocht was aan zijn cliënt (hierna ook: de koper) en dat deze cliënt inmiddels een civiele procedure tegen klager was gestart over de levering van het appartement.

3.3    De makelaar heeft klager gewezen op de risico’s van het te koop aanbieden van een reeds verkocht appartement. Hij heeft klager geadviseerd de verkoop op te schorten en een advocaat in te schakelen. De makelaar heeft vervolgens de opdracht aan klager teruggegeven. 

3.4    In april 2022, een dag voordat de makelaar de opdracht aan klager teruggaf, heeft een derde een bod uitgebracht op het appartement. Klager heeft de makelaar gevraagd om de hoogte van dat bod schriftelijk aan hem mee te delen. Daarop heeft de makelaar de gegevens van de bieder en de hoogte van het bod telefonisch aan klager doorgegeven. Per sms heeft de makelaar de contactgegevens van de bieder aan klager doorgegeven.

3.5    De koper heeft klager betrokken in een civiele procedure over de verkoop en levering van zijn appartement. Verweerder heeft klager hierin bijgestaan in de periode van april 2022 tot en met januari 2025. 

3.6    Verweerder heeft de opdracht van klager op 8 april 2022 schriftelijk bevestigd waarbij hij onder meer zijn uurtarief heeft vermeld van € 185,- exclusief 5% kantoorkosten en btw. Verweerder heeft ook aangegeven dat hij in beginsel maandelijks zou declareren.

3.7    Op 19 mei 2022 heeft klager verweerder een brief gestuurd betreffende “vaste prijsafspraak dagvaardingsprocedure’”. Daarin staat onder meer:

“Totaal voldaan [klager] incl.2l% btw € 3722,22         21% btw                 € 736,47 
incl. 5% kantoorkosten     € 48,10 

 

Betaling griffierecht 537969 KG RK 22-261 € 952,00 is voldaan, zie bijlage 3. 
Tevens ben ik met jou overeengekomen dat de kosten (2 uur) voor het verschijnen op zitting bij de voorzieningenrechter door jou achteraf in rekening worden gebracht nadat de zitting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.”

Verweerder bevestigde klager diezelfde dag de juistheid van de afspraken en heeft klager een declaratie voor het honorarium “volgens prijsafspraak” toegezonden met aantekening dat al betaald was. De declaratie bedroeg € 2.500,- inclusief kantoorkosten en btw.

3.8    Op 1 juni 2022 heeft verweerder aan klager onder meer het volgende geschreven:

“Dank voor je zeer nuttige aanvullingen. Bijgaand zend ik je het gewijzigde concept. 
(…) 
Het juiste rolnummer in deze zaak is mij nog niet bekend. Ik zal hierover afstemmen met de griffie voor 15 juni.

Ik heb zelf ook nog een wijziging aangebracht (zie productie 3).

Heb je productie 7 (…) nog voor mij?(…)

Mochten er nog wijzigingen en meer producties ingebracht dienen te worden dan hoor ik dat graag van je.”

3.9    Op 8 juni 2022 heeft verweerder zich bij de rechtbank gesteld als advocaat van klager. Die dag schreef verweerder aan klager onder meer het volgende:

“Dank voor toezending producties. Ik zal deze in deze volgorde bij de conclusie voegen. 

De makelaar wilde geen email sturen; hij vond dat je "je eerst maar eens moest gedragen” althans zo begrijp ik hem en hem niet meer moet bestoken met emails e.d. 

Nou ja misschien kan je het bewijs nog via die Engels sprekende man verkrijgen. In ieder geval heeft de makelaar mij bevestigd dat er een bod van 221.500,- is gedaan. 
Mochten er nog wijzigingen en meer producties ingebracht dienen te worden dan hoor ik dat graag van je.”

3.10     Op 9 juni 2022 schreef klager aan verweerder onder meer het volgende:

“In aansluiting op mijn eerdere aanpassingen en wijzigingen zend ik jou de laatste wijziging toe m.b.t. mijn eerder toegezonden productie 10, nu betreft het de bronvermelding. 
Bijgaand zend ik jou de aangepaste versie toe, gaarne deze te hanteren en de eerder geleverde productie vervangen. 
Tevens hebt jij per gewone post ook al mijn andere aanpassingen en wijzigingen ontvangen, deze graag ook hanteren in plaats van de door mij eerder geleverde stukken bij productie 10. 
Als laatste wijziging betreft het pagina 2 van de productielijst, deze ook te vervangen voor de door mij nieuw geleverde stukken. 

Op d.d. 13 juni 2022 schikt het mij om tussen 14:00 - 17:00 een kwartiertje telefonisch overleg te hebben voor het accorderen van de definitieve conclusie van antwoord.”

3.11     Op 10 juni 2022 heeft verweerder de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie (bestemd voor de rol van 15 juni 2022) aan de rechtbank gezonden. 

3.12     Op 16 juni 2022 heeft verweerder klager een kopie gezonden van een rolbericht waaruit blijkt dat de wederpartij uitstel had gekregen tot 27 juli 2022 voor het indienen van een conclusie van antwoord in reconventie. 

3.13     Op 20 juni 2022 heeft verweerder klager zijn declaratie voor de griffierechten gezonden met een kopie van de nota van de rechtbank. De griffierechten bleken € 1.301,- te zijn in plaats van de door verweerder ingeschatte (en al door klager betaalde) € 952,-. Verweerder verzocht klager het verschil van € 349,- te betalen.

3.14     Op 11 juli 2022 heeft klager verweerder geschreven dat verweerder de conclusie van antwoord op 10 juni 2022 aan de rechtbank heeft verzonden zonder eerst nog telefonisch overleg te hebben gehad met klager en zonder zijn akkoord voor verzending.

3.15     Op 27 juli 2022 heeft de wederpartij de conclusie van antwoord in reconventie bij de rechtbank ingediend. 

3.16     Op 15 november 2022 heeft verweerder klager onder meer geschreven:

“Bijgaand zend ik u de conclusie zoals ik hem voorlopig heb gemaakt.

Er zit in deze procedure veel meer tijd dan aanvankelijk gedacht. Ik hoor graag of je mij hier nog financieel gezien nog aan tegemoet wil komen.

Wat voor mij als advocaat van belang is dat ik me niet grievend mag uitlaten over partijen/andere advocaten. Ik kan derhalve de gearceerde gedeeltes niet voor mijn rekening nemen en zal deze dienen te verwijderen.

Verder denk ik dat we wat veel in herhalingen vallen en dat de zaak wat overzichtelijker gebracht moet worden.

Ik stel voor dat ik hier wat wijzigingen aanbreng.”

Diezelfde dag heeft klager verweerder geschreven dat het wenselijk is om een verzoek tot uitstel in te dienen voor de conclusie van dupliek inclusief akte om de notaris die het vervolg van de met de koper gesloten overeenkomst zou moeten verzorgen, een rappel te sturen “inzake zijn reactie en mijn opvraag kopie van de getekende koopovereenkomst (…)”. Op 16 november 2022 heeft klager in verband met het uitstelverzoek medische gegevens aan verweerder gezonden. Verweerder heeft op 22 november 2022 een uitstelverzoek bij de wederpartij neergelegd, waarmee de wederpartij akkoord was. 

3.17     Op 20 december 2022 heeft verweerder klager een inhoudelijke brief gestuurd over het (verdere) plan van aanpak voor de procedure. Ook heeft verweerder klager een aantal vragen gesteld. 

3.18     Op 21 februari 2023 heeft verweerder klager onder meer het volgende geschreven:

“Bijgaand zend ik je de conclusie.

Wat ik me van het gesprek met de makelaar kan herinneren was dat hij tot de conclusie kwam dat eerst maar vast moest komen te staan of er nu een geldige koopovereenkomst was gesloten of niet.

Met deze conclusie was ik het eens.”

3.19     Op 7 maart 2023 heeft verweerder namens klager een brief gestuurd aan de makelaar en hem gevraagd te bevestigen dat een derde in april 2022 een bod heeft gedaan op het appartement van klager. Op 8 maart 2023 heeft de makelaar per e-mail onder meer het volgende geantwoord:

“Wij hebben het hier met [klager] al over gehad destijds. Aangezien [klager] ons kantoor en mijn collega (…) ernstig heeft beschuldigd hebben wij besloten hier nu verder niks meer mee te doen.

Het dossier heeft ons al genoeg tijd gekost en negatieve energie opgeleverd.

Ik wil u verzoeken ons hierin verder niet meer te benaderen.”

3.20     Op 27 juli 2023 heeft verweerder klager een brief geschreven waarin hij voorstelde om de juiste verzending en volgorde van de stukken nog even af te stemmen. Ook heeft verweerder in zijn brief een aantal inhoudelijke opmerkingen over de lopende procedure gemaakt en vragen aan klager gesteld.

3.21     Op 15 augustus 2023 heeft verweerder klager een declaratie gezonden voor twee uur; in totaal inclusief kantoorkosten en btw een bedrag van € 470,08. Hierop staat met de hand geschreven dat het twee uur voor de zitting van 16 augustus 2023 betreft (zie ook hiervoor 3.7).

3.22     Op 23 november 2023 heeft klager verweerder onder meer het volgende geschreven:

“In aansluiting op mijn mondelinge toezegging van 16 augustus 2023 in verband met het aanhouden van de zaak zal er per november 2023 maandelijks een coulancebetaling voldaan worden van tenminste 1 uur honorarium.”

Het ging om een bedrag van € 235,04 (€ 185,- vermeerderd met 5% kantoorkosten en btw) per maand, zoals door klager in de betreffende brief is gespecificeerd.

3.23     Op 4 december 2023 heeft verweerder bij de rechtbank een akte ingediend voor de rol van 6 december 2023, waarin hij namens klager onder overlegging van enkele producties een beroep op dwaling alsmede beroep op getuigenverhoor doet.

3.24     Op 19 december 2023 heeft de rechtbank aan verweerder en de advocaat van de wederpartij bericht dat de akte van verweerder van 6 december 2023 buiten beschouwing wordt gelaten, omdat daarin nieuwe stellingen en grondslagen worden aangevoerd, terwijl daarvoor niet de gelegenheid was geboden. Klager wordt nog eenmaal in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de wijze waarop hij bewijs wil leveren. Diezelfde dag heeft verweerder klager het volgende ge-sms’t:

“De rechtbank heeft de akte voor de rol van 6 december geretourneerd. (…) 
Dinsdag even bellen?”

3.25     Op 8 januari 2024 heeft klager een voorlopig verzoek bij de rechtbank ingediend om de rechter te wraken. Op 23 januari 2024 heeft de wrakingskamer van de rechtbank klager niet-ontvankelijk verklaard in het wrakingsverzoek.

3.26     In februari 2024 heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij onder meer de makelaar is gehoord. 

3.27     Op 20 maart 2024 heeft verweerder klager onder meer het volgende bericht:

“Allereerst betreur ik het dat kennelijk geen bescheiden bedrag voor mijn werkzaamheden meer wordt overgemaakt. Dit is niet volgens afspraak.

Gezien de tijd die met deze zaak is gemoeid des te betreurenswaardiger. (zie rolberichten). Ik vind dit niet netjes.

Dan de conclusie:. Het gaat er om dat we bewijs leveren van de stelling dat de overeenkomst uit twee pagina; bestond. Er wordt een hoop herhaalt wat hiervoor niet relevant is.

Aan het eind gaat het de goede kant op. (zie mijn conclusie). Het is niet de bedoeling dat er nog een producties in het geding worden gebracht; mogelijk met uitzondering van de medische gegevens.

Laten we na deze conclusie afscheid van elkaar nemen, omdat ik op deze manier mijn werk niet naar behoren kan doen.”

3.28     Op 29 april 2024 heeft klager verweerder een overzicht gezonden van door hem gedane betalingen aan verweerder voor honorarium en contant overhandigde bedragen voor reis- en parkeerkosten. Klager verzocht verweerder onder meer om hem de nog niet gefactureerde maar wel betaalde bedragen aan honorarium alsnog te declareren. 

3.29     Op 1 mei 2024 heeft verweerder klager de conclusie van de wederpartij gestuurd. Daarbij meldde verweerder dat hij in verband met drukke werkzaamheden pas de week erna kon reageren op de brief van klager en dat hij zich niet kon vrijmaken voor een telefoongesprek met klager in de middag van 2 mei 2024. Op 24 juni 2024 heeft klager verweerder erop gewezen dat hij niet meer inhoudelijk heeft gereageerd op de brief van klager van 29 april 2024. 

3.30     Op 26 juni 2024 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Daarin is vastgesteld dat op 2 maart 2022 een koopovereenkomst tussen klager en de koper tot stand is gekomen ten aanzien van het appartement van klager.

3.31     Op 29 oktober 2024 heeft verweerder een declaratie aan klager gestuurd voor betalingen van klager in de maanden juni tot en met oktober 2024. De declaratie betreft 6 uur (€ 1.110,00) + 5% kantoorkosten en BTW, in totaal een bedrag van € 1.410,25.

3.32     Op 31 oktober 2024 heeft een tweede mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank. 

3.33     Op 4 november 2024 heeft een incassobureau namens klager bij verweerder een aantal stukken opgevraagd. Op 8 november 2024 heeft verweerder het incassobureau onder meer het volgende bericht: 

“Bijgaand zend ik u de betaalbewijzen en overige gegevens. 

[De makelaar] heeft geen factuur gestuurd en deze is niet door mij voldaan. Ik vermoed dat deze kosten pas in het vonnis worden aangegeven. 

Ik zal de eindnota na vonnis controleren/redigeren.”

3.34     Op 11 november 2024 heeft verweerder het incassobureau op een verzoek om meer informatie bericht:

“Ik kan ook niet plaatsen welke stukken zouden ontbreken; immers alle stukken (emails/brieven etc.) werden door mij standaard doorgezonden, mede omdat de stukken niet digitaal konden worden verzonden. 

Ik zal kijken wat ik nog kan betekenen. Met uw goedvinden wacht ik het vonnis dat gepland staat op11-12-2014 even af.”
 
3.35     Op 15 november 2024 heeft het incassobureau verweerder een bericht van klager doorgestuurd, waarin klager schrijft dat verweerder niet alle gevraagde gegevens heeft aangeleverd en vraagt de ontbrekende bescheiden alsnog aan te leveren. Verweerder heeft het incassobureau op 3 december 2024 bericht dat hij het griffierecht aan de rechtbank heeft voldaan, “anders zou de zitting niet hebben plaatsgevonden”. In dat bericht heeft hij ook aangegeven dat de wederpartij de zaak wilde laten voor wat het is tegen vergoeding van zijn advocaatkosten en heeft hij aan het incassobureau gevraagd of dit nog een keer aan klager kan worden voorgehouden. 

3.36     Op 4 december 2024 heeft klager aan verweerder onder meer het volgende geschreven:

“Nu blijkt uit de eerste controles van de reeds in bezit zijnde dossierstukken dat onder meer de betalingsverplichting aan [de makelaar] niet is voldaan.(…) Om die reden is er namens uw cliënt op 27 november 2024 een schrijven toegezonden aan [de makelaar] om alsnog een declaratie aan u te versturen middels een officiële factuur van € 265,00 m.b.t. de taxe oftewel de onkostenvergoeding (…)

Uw cliënt is namelijk NIET akkoord met uw verzoek om de dossierstukken pas na het vonnis van 11 december 2024 digitaal aan te leveren. 
(…) 

Daarnaast wenst uw cliënt een evaluatiegesprek op vrijdag 13-12-24 tijdstip 13:00 i.v.m. het vonnis. Indien het tijdstip u niet schikt, dan kunt u een ander tijdstip overleggen.”

3.37     Op 9 december 2024 heeft klager verweerder stukken toegestuurd “t.b.v. het evaluatiegesprek met uw cliënt op vrijdag 13 december 2024 tijdstip 13:00”.
 
3.38     Op 12 december 2024 heeft verweerder klager bericht dat hij alle stukken in de procedure per post aan klager had toegezonden en dat hij de stukken ook digitaal via het incassobureau aan klager had doen toekomen. Verweerder schreef verder:

“Ik verzoek u met klem om mij niet langer met dit onredelijke verzoek te belasten. Het staat onze samenwerking anders in de weg en dat lijkt mij niet wenselijk. In het ergste geval zal ik mij moeten onttrekken als advocaat.

Verder maakt u het mij lastig door te schermen met derden die u van advies voorzien, zonder te melden wie deze derden zijn. Ik verzoek u mij de gegevens van hen per ommegaande te verstrekken.”

3.39     Op 17 december 2024 heeft verweerder klager bericht dat de rechtbank het vonnis heeft aangehouden tot 5 februari 2025. Verder schreef verweerder:

“Ik zou dan ook heroverwegen of je alsnog voor een schikking gaat, omdat dit voor jou de beste optie is.

Ik heb je dit ook geadviseerd, echter ik constateer dat je tegen het advies van je advocaat ingaat.

Ik hoor graag van je.
Reageer je ook nog even op mijn vorige twee brieven over de namen van je achterban?”

3.40     Op 23 december 2024 heeft klager verweerder geschreven dat hij de rechtbank heeft gebeld en te horen heeft gekregen dat het vonnis is uitgesteld. Klager schrijft verder dat verweerder hem deze informatie had moeten verschaffen op 13 december 2024. 

3.41     Op 14 januari 2025 heeft verweerder klager onder meer geschreven:

“Gaarne verneem ik de namen van uw achterban, zodat ik hiermee alsnog kan overleggen over het schikkingsvoorstel.

Ik verwijs u naar de bijlage waarin tegen betaling van 10.000 euro advocaatkosten de zaak kan worden geschikt, hetgeen betekent dat u weer de volle eigendom over de woning heeft.

Gezien het feit dat de woning veel meer waard is geworden dan de door u eerder gemelde koopsom, adviseer ik u dit voorstel te aanvaarden.”

3.42     Op 15 januari 2025 heeft de rechtbank een eindvonnis gewezen. De rechtbank heeft onder meer het beroep van klager op vernietiging van de koopovereenkomst vanwege een geestelijke stoornis verworpen en - kort gezegd - de vorderingen van de koper grotendeels toegewezen. 

3.43     Op 16 januari 2025 heeft verweerder klager het vonnis toegezonden en gemeld dat hij daar binnenkort op zou terugkomen. Namens klager is op 20 januari 2025 aan verweerder bericht dat het toegezonden vonnis incompleet was en slechts de pagina’s 1 tot en met 6 bevatte. De beslissing zelf ontbrak. Op 22 januari 2025 heeft verweerder klager bericht als volgt: 

“Naar aanleiding van de namens jou geschreven brief van 20 januari 2025 (van wie ik de naam nog steeds niet heb doorgekregen ondanks diverse verzoeken van mij) verneem ik dat je niet alle pagina's van het aan jou toegezonden vonnis heb ontvangen. Dit is vreemd, omdat ik het originele vonnis in een envelop heb toegezonden met de mededeling dat ik er binnenkort op terugkom.

Niettemin bij deze de 8 pagina's tellende vonnis.

Ik wilde je nog aangeven dat ik het betreur dat je mijn advies niet heb opgevolgd en het eerdere schikkingsvoorstel niet heb aanvaard.

Mogelijk dat de wederpartij - ondanks het vonnis - alsnog wil schikken. Ik adviseer je contact op te nemen met je achterban en een second opinie te vragen bij een andere advocaat om te bezien of er nog een schikking mogelijk is.

Het lijkt mij niet de bedoeling dat je op straat komt te staan.

Ik las dat ik ontheven ben van mijn taken en zal hiernaar handelen. Echter dit neem niet weg dat je mijn hulp altijd kan inroepen voor het bereiken van een schikking indien dit nog mogelijk en indien dit gewenst is.”

3.44     Met betrekking tot de financiële afspraken tussen partijen en de afrekening bevat het dossier nog de volgende stukken:
-    een ongedateerd overzicht van verweerder waarop klager met de hand heeft geschreven “akkoord na correctie” met vermelding van de datum 8 april 2024. Verweerder vermeldt daarin dat klager vanaf september 2023 maandelijks een coulancebetaling zou doen van één uur en dat verweerder in november 2023 één betaling heeft ontvangen en in maart 2024 twee betalingen. Daarnaast vermeldt verweerder hierin dat de kosten van de getuigen zijn voldaan. Verweerder constateert dat “de maanden 9,10,12,1,2 etc niet werden voldaan”, vraagt of zijn berekening juist is en schrijft tot slot dat hij “indien gewenst” facturen zal sturen. Klager heeft hierbij handgeschreven opgemerkt dat de coulanceafspraak per november 2023 inging en dat hij ook in december 2023 een coulancebetaling heeft gedaan. 
-    een overzicht van klager van aan verweerder gedane betalingen met daarbij de bankafschrijvingen betreffende de periode juni 2024 tot en met oktober 2024. 
-    een overzicht van klager met bankafschrijvingen. Het betreft de betalingen van klager aan verweerder in de periode 1 april 2022 tot en met 19 december 2024. Voor wat betreft de ‘coulancebetalingen’ vermeldt dit overzicht afschrijvingen van € 235,04 per maand in november en december 2023, en maart (2x), april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober (2x) en december 2024 (2x). Ook heeft klager in december 2024 nog een bedrag overgemaakt van € 15,04 met vermelding “verrekening cashbetalingen (16-8-23 20 euro, 19-2-24 100 euro en 31-10-24 100 euro) 1 termijn+btw”. Dit overzicht bevat ook de eerdere betalingen van klager aan verweerder en de betalingen voor griffierecht en kosten van getuigen.  
-    een door klager opgesteld overzicht genaamd “Onkosten civiele procedure (…) Periode van 4 mei 2022 tot en met 18 december 2024”. Volgens dit overzicht heeft klager een bedrag betaald van in totaal € 10.654,15, bestaande uit onder meer een bedrag van € 7.732,94 inclusief btw aan honorarium, het griffierecht, de kosten van de getuigen, contante betalingen aan verweerder van in totaal € 220,- en zelf nog gemaakte kosten. 

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.

Klager verwijt verweerder het volgende: 

a)    verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 2 (onafhankelijkheid, partijdigheid, geen provisie). Verweerder heeft de schijn van partijdigheid gewekt in het geschil tussen klager en de makelaar over het verstrekken van een schriftelijke verklaring van een uitgebracht bod op het appartement van klager. De makelaar wilde het uitgebrachte bod niet schriftelijk aan klager bevestigen. Verweerder heeft vervolgens geen actie ondernomen om in het bezit te komen van die verklaring, omdat hij het eens was met de conclusie van de makelaar. Klager is hiermee benadeeld, omdat hij in de civiele procedure niet in staat was een schriftelijke verklaring over te leggen over de verkoop van zijn appartement;

b)    verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregels 13 en 14 ((verantwoordelijkheid) uitvoering opdracht): 
-     verweerder heeft de opdrachten niet of niet afdoende naar behoren uitgevoerd door slordige fouten te maken en geen verantwoordelijkheid te nemen bij de uitvoering van de opdrachten. Verweerder heeft geen verdere actie ondernomen om de schriftelijke verklaring van de makelaar te verkrijgen; 
-    ook heeft verweerder een foutief (te laag) bedrag bij klager in rekening gebracht voor het te betalen griffierecht, waardoor klager nog een restantbedrag aan verweerder heeft moeten overmaken;
-     verder heeft verweerder nimmer actie ondernomen om een getekende koopovereenkomst van de verkoop van het appartement van klager van de notaris te verkrijgen, terwijl die informatie relevant was voor de civiele procedure over de verkoop van het appartement;
-     verweerder is nalatig geweest door in de civiele procedure bij akte geen schriftelijk bewijs in het geding te brengen ter onderbouwing van het beroep op dwaling. Verweerder heeft ook geen actie meer ondernomen nadat de ingediende akte retour werd gezonden omdat hierin nieuwe stellingen en grondslagen zijn aangevoerd;
-     verweerder heeft in de eindfase van de procedure meerdere malen ‘gedreigd’ zich aan de zaak te onttrekken;

c)    verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 16 (informatieplicht) door niet of niet afdoende te voldoen aan verzoeken van klager om relevante dossierstukken en processtukken tijdig en digitaal te verschaffen. Vanwege het ontbreken van relevante dossierstukken zijn er onnodige (juridische) fouten gemaakt die voorkomen hadden kunnen worden als de informatie was verschaft;
-     verweerder heeft de conclusie van antwoord op 10 juni 2022 ingediend zonder klager hierover eerst in te lichten, waardoor het inzage- en correctierecht van klager en zijn recht op uitstel aan klager zijn ontnomen. Hierdoor was de conclusie van antwoord incompleet en niet voorzien van de relevante medische feiten;
-     verweerder heeft klager op 20 maart 2024 bericht dat hij klager niet meer naar behoren kan bijstaan vanwege het achterblijven van coulancebetalingen van klager. Verweerder heeft de in dat kader door klager opgevraagde betaalbewijzen en dossierstukken niet verstrekt;  
-     verweerder was op 13 december 2024 voor klager onbereikbaar, terwijl er die dag een evaluatiegesprek gepland stond naar aanleiding van het vonnis van 11 december 2024. De brief van verweerder van 17 december 2024 is niet voorzien van bijlagen en vermeldt niets over het vonnis, waardoor klager genoodzaakt was contact op te nemen met de rechtbank voor een kopie van het vonnis. Tijdens dat contact bleek dat de zaak voor vonnis stond op 5 februari 2025 en dat dit met verweerder is gecommuniceerd;

d)    verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 17 (honorarium) door niet of niet afdoende te voldoen aan de richtlijnen voor het in rekening brengen van het honorarium. Verweerder heeft geen facturen opgemaakt, urenspecificaties ontbreken en verweerder heeft geen eindnota opgesteld. Er was een vaste prijsafspraak gemaakt, maar verweerder is daar tijdens de civiele procedure op teruggekomen en dat heeft voor klager geresulteerd in extra advocaatkosten vanwege de coulancebetalingen in de periode november 2023 tot en met december 2024. Hierdoor heeft klager feitelijk het dubbele betaald en dat is excessief; 

e)    verweerder heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 22 (getuigen). Klager heeft verweerder diverse keren opdracht gegeven om de betaling aan de makelaar voor het verschijnen op het getuigenverhoor van 19 februari 2024 te voldoen. Het is nog steeds onduidelijk of verweerder deze betaling heeft voldaan, terwijl het bedrag al sinds 11 maart 2024 op de derdengeldrekening van verweerder staat.

5    BEOORDELING RAAD

5.1    De raad heeft met betrekking tot klachtonderdeel a) overwogen dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft de makelaar op 7 maart 2023 gemaild met het verzoek om het uitgebrachte bod op het appartement van klager schriftelijk te bevestigen, maar de makelaar heeft daar afwijzend op gereageerd. Meer heeft verweerder op dat punt niet hoeven doen. Het feit dat verweerder het eens was met de conclusie van de makelaar dat eerst moest komen vast te staan of tussen klager en de koper een geldige koopovereenkomst voor het appartement tot stand was gekomen, levert geen schijn van partijdigheid op gericht tegen klager. Klachtonderdeel a) is volgens de raad ongegrond. 

5.2    Met betrekking tot klachtonderdeel b) heeft de raad overwogen dat hij op grond van de overgelegde stukken, waaronder diverse e-mails, niet kon vaststellen dat verweerder de opdracht van klager niet naar behoren heeft uitgevoerd. Van slordige fouten is de raad niet gebleken en ook niet dat verweerder geen verantwoordelijkheid zou hebben genomen bij de uitvoering van de opdracht. Voor zover klager verweerder in dit klachtonderdeel opnieuw verwijt dat hij geen verdere actie heeft ondernomen om een schriftelijke verklaring van de makelaar te verkrijgen, heeft de raad verwezen naar zijn oordeel over klachtonderdeel a).

5.3    Verweerder heeft voor de dagvaardingsprocedure bij de rechtbank een griffierecht van € 952,- aan klager doorgegeven, terwijl dat een bedrag van € 1.301,- moest zijn. Verweerder heeft deze vergissing gecorrigeerd. Hoewel het een slordigheid van verweerder was, levert dit geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Klager diende immers het juiste bedrag aan griffierecht te betalen, zodat de rechtbank de zaak in behandeling kon nemen. Het is de raad verder uit het klachtdossier niet gebleken dat verweerder ten aanzien van een getekende koopovereenkomst op enigerlei wijze tekort is geschoten. Het gaat om een door klager zelf ondertekende koopovereenkomst voor zijn appartement. Het ligt voor de hand dat klager daar dan nog een eigen kopie van heeft.

5.4    Uit het vonnis van de rechtbank van 15 januari 2025 blijkt dat verweerder namens klager diverse medische stukken heeft ingediend ter onderbouwing van het beroep op dwaling. Van nalatigheid van verweerder is daarmee geen sprake. Voor wat betreft de akte kon de raad, bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing, niet vaststellen dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. 

5.5    Tot slot heeft de raad overwogen dat van dreiging om zich aan de zaak te onttrekken geen sprake was. Uit de stukken blijkt dat verweerder zich het lot van klager is blijven aantrekken, ondanks dat de onderlinge samenwerking op zeker moment bijzonder moeizaam verliep. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder met betrekking tot klachtonderdeel b) is volgens de raad geen sprake.

5.6    Met betrekking tot klachtonderdeel c) heeft de raad niet kunnen vaststellen dat verweerder klager niet of onvoldoende heeft geïnformeerd. Verweerder heeft in zijn verweer en ter zitting toegelicht dat alle communicatie en stukken, inclusief de conclusie van antwoord van 10 juni 2022, per post aan klager zijn voorgelegd, omdat klager geen e-mail en internet had. Verder heeft verweerder toegelicht dat hij opmerkingen van klager en zijn achterban in de stukken heeft verwerkt, dat er geen relevante feiten in ontbreken en dat hij de stukken vervolgens heeft ingediend. Deze toelichting wordt ondersteund door de brieven van 1 juni 2022 en van 15 november 2022 waarin verweerder ingaat op opmerkingen die klager in conceptconclusies heeft gemaakt en op de brief van 21 februari 2023 waarbij verweerder klager een conclusie heeft toegestuurd. In het licht van deze toelichting heeft klager zijn verwijt onvoldoende feitelijk onderbouwd. De raad ziet in de toelichting van verweerder ook overigens geen afwijkende gang van zaken. Verder blijkt uit het dossier dat verweerder op 8 november 2024 de stukken heeft verstrekt die waren opgevraagd door het incassobureau dat klager had ingeschakeld, en op 12 december 2024 ook nog een keer aan klager zelf. De raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder niet voldoende aan het verzoek van het incassobureau heeft voldaan.

5.7    Tot slot heeft de raad niet kunnen vaststellen dat op 13 december 2024 een evaluatiegesprek gepland stond naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank en dat verweerder toen niet bereikbaar was, aangezien een feitelijke onderbouwing daarvoor ontbreekt. Ook als het gesprek wel gepland stond en verweerder niet bereikbaar was, levert dat overigens geen klachtwaardig gedrag van verweerder op. Uit de e-mail van verweerder van 17 december 2024 leidt de raad af dat verweerder klager heeft geïnformeerd over de aanhouding van het vonnis tot 5 februari 2025. Uiteindelijk heeft de rechtbank op 15 januari 2025 vonnis gewezen in klagers zaak. Verweerder heeft dat vonnis op 16 januari 2025 en nogmaals op 25 januari 2025 per post aan klager verstuurd. Het is niet aannemelijk dat verweerder niet het complete originele vonnis aan klager heeft toegestuurd. De raad heeft klachtonderdeel c) ongegrond verklaard.

5.8    Met betrekking tot klachtonderdeel d) heeft de raad vooropgesteld dat de tuchtrechter bij discussies over de hoogte van facturen is beperkt tot een marginale toets, in die zin dat niet beoordeeld wordt of de declaratie juist is, maar of sprake is van excessief declareren. Daarbij wegen alle omstandigheden mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van die specificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief moet worden aangemerkt. 

5.9    De raad heeft dit klachtonderdeel ongegrond verklaard, omdat uit de overgelegde facturen en urenspecificaties niet is gebleken dat klager dubbel heeft betaald, noch dat sprake is van een wanverhouding tussen de door verweerder verrichte werkzaamheden en het aantal in rekening gebrachte uren. Ook is het de raad niet gebleken dat verweerder excessief of in afwijking van de met klager in april 2022 gemaakte prijsafspraken heeft gedeclareerd. 

5.10     De raad heeft klachtonderdeel e) ongegrond verklaard met de overweging dat verweerder er geen tuchtrechtelijk verwijt van kan worden gemaakt dat er nog geld op zijn derdengeldenrekening staat, dat bestemd is voor de makelaar. Verweerder heeft in zijn schriftelijke verweer en ook ter zitting toegelicht dat het geld nog op zijn derdengeldenrekening staat, omdat hij tot nu toe geen factuur van de makelaar heeft ontvangen en hij daarom nog niet tot betaling heeft kunnen overgaan. Verder heeft verweerder ter zitting toegelicht dat hij bereid is het geld aan klager te betalen, maar dat hij dan wel gevrijwaard wil worden om te voorkomen dat hij het geld twee keer moet betalen. Het is de raad naar aanleiding van deze toelichting niet gebleken dat verweerder het geld bewust heeft achtergehouden. 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager
6.1    Met betrekking tot klachtonderdeel a) heeft klager aangevoerd dat verweerder een officiële sommatiebrief had moeten sturen aan de makelaar en/of een klacht had moeten indienen bij de Geschillencommissie Makelaardij. Door dit niet te doen, heeft verweerder het belang van klager niet behartigd en heeft de wederpartij het bestaan van het bij de makelaar uitgebrachte bod betwist. Klager is daardoor in de procedure benadeeld.

6.2    Met betrekking tot klachtonderdeel b) heeft klager het volgende aangevoerd:
-    Uit de onderbouwing van klachtonderdeel a) door klager blijkt dat verweerder geen verantwoordelijkheid heeft genomen bij de uitvoering van de opdracht. Verweerder heeft klager met het probleem opgezadeld en klager moest dus zelf een procedure bij de Geschillencommissie opstarten. De rechtbank heeft op 19 december 2023 de akte van verweerder buiten beschouwing gelaten, omdat verweerder had nagelaten om schriftelijk bewijs bij akte in te dienen. Verweerder heeft klager pas op 2 januari 2024 van dit bericht van de rechtbank op de hoogte gesteld.
-    Dat verweerder een onjuiste inschatting maakte van het griffierecht is onbegrijpelijk en onzorgvuldig, omdat daarvoor tabellen bestaan. De dienstverlening op het gebied van juist informeren van klager is onder de maat geweest. Verweerder heeft ook geen antwoord gegeven op de vraag wanneer hij het griffierecht heeft betaald, wat eveneens nalatig is. 
-    Klager heeft nooit aan verweerder gevraagd om een afschrift van de getekende overeenkomst van 2 maart 2022. Klager heeft wel meermaals gevraagd om alle originele bijlagen die klager in de periode van april 2022 tot en met juli 2022 aan verweerder had toegezonden.
-    Verweerder heeft diverse medische stukken maar voor een gedeelte ingediend ter onderbouwing van het beroep op dwaling. Verweerder heeft (al dan niet bewust) tekstgedeeltes van die stukken weggelaten of uitgewist en dat gaat alle perken te buiten. 
-    Verweerder heeft tot tweemaal toe schriftelijk gedreigd zich te onttrekken van de zaak als klager niet zou doen wat verweerder van hem vroeg. De uitgesproken dreigende taal van verweerder gaat alle perken te buiten, omdat hij hiermee een immense druk op klager legde terwijl hij van de kwetsbaarheid van klager op de hoogte was. 

6.3    Met betrekking tot klachtonderdeel c) heeft klager aangevoerd: 
-    Verweerder heeft klager niet op 10 juni 2022 een afschrift gezonden van de op die datum genomen conclusie met producties. In het dossier ontbreekt een brief van verweerder van 10 juni 2022. Verweerder heeft kennelijk vergeten die stukken aan klager toe te sturen. Tot op heden heeft klager geen afschrift van de productielijst ontvangen. Klager heeft daarom nog steeds geen compleet dossier. 
-    Verweerder heeft nog steeds niet voldaan aan de volgende verplichtingen bij het einde van zijn werkzaamheden:
(1) opstellen van de eindafrekening dan wel verzamelnota van alle (cash)betalingen die klager heeft verricht in de periode van april 2022 tot en met december 2024; 
(2) toezenden van opgevraagde ontbrekende dossierstukken aan het incassobureau; 
(3) na het vonnis de eindnota controleren/redigeren; 
(4) en ook na het vonnis de betaling van de taxe aan de makelaar betalen.
-    Klager heeft in twee brieven aan verweerder kenbaar gemaakt dat hij een evaluatiegesprek wenste op 13 december 2024 om 13.00 uur. Verweerder was op dat moment niet bereikbaar en heeft ook nagelaten om een ander tijdstip voor het gesprek in te plannen. 

6.4    Met betrekking tot klachtonderdeel d) heeft klager het volgende aangevoerd. Klager en verweerder hebben op 19 mei 2022 een vaste prijsafspraak gemaakt. Verweerder wilde daar vervolgens van afwijken en heeft klager bij brief van 15 november 2022 om een financiële tegemoetkoming gevraagd. Door klager vanaf dat moment telkens weer in elk telefoongesprek hierom te vragen, heeft verweerder hem een ernstige financiële druk opgelegd. Die druk werd nog erger toen verweerder op zijn factuur van 15 augustus 2023 had geschreven: “Na zitting iedere maand 1 uur coulancebetaling”. Dat was zeer onredelijk en onbetamelijk en niet conform de afspraak. Verweerder heeft zelf een verkeerde inschatting gemaakt en daar klager op afgerekend. Bovendien heeft verweerder geen eindafrekening opgesteld. 

6.5    Met betrekking tot klachtonderdeel e) heeft klager aangevoerd dat verweerder de taxe voor de makelaar (€ 265,-) al sinds februari 2024 onder zich heeft. Verweerder heeft geen actie ondernomen om een factuur van de makelaar te ontvangen. Daarmee heeft hij weer half werk geleverd. De toelichting van verweerder dat hij gevrijwaard wil worden om te voorkomen dat hij twee keer moet betalen, is ondeugdelijk. Verweerder kan geen twee keer betalen, omdat hij ook geen eerste keer aan de makelaar heeft betaald. 

Verweer
6.6    Verweerder heeft verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf
7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

7.3    Tot de zorg die een advocaat steeds heeft te betrachten behoort het deugdelijk schriftelijk vastleggen van voor de cliënt belangrijke informatie (zie ook gedragsregel 16). Gedragsregel 16 lid 3 bepaalt dat de advocaat ook integer en zorgvuldig dient te handelen in financiële aangelegenheden en dat hij daarover een nauwgezette verantwoording aflegt aan zijn cliënt. In gedragsregel 17 is dit onder meer verder uitgewerkt in die zin dat de advocaat duidelijke afspraken moet maken over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten en de wijze van declareren (lid 2), dat de advocaat de cliënt op de hoogte stelt van gewijzigde omstandigheden (lid 3) en dat de declaratie zo ingericht moet worden dat de cliënt eenvoudig kan vaststellen wat wordt gerekend voor honorarium, verschotten en omzetbelasting (lid 4). 

Overwegingen
klachtonderdeel a) – de makelaar
7.4    Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van dit klachtonderdeel te komen dan de raad heeft gedaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad. De beroepsgrond van klager met betrekking tot dit klachtonderdeel faalt. 

Klachtonderdeel b) – uitvoering van de opdracht door verweerder
7.5    Ook ten aanzien van klachtonderdeel b) heeft het hoger beroep niet geleid tot een ander inzicht bij het hof dan is weergegeven in de beslissing van de raad. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling door de raad van de verschillende subonderdelen van dit klachtonderdeel. Dat verweerder de stukken niet compleet bij de rechtbank zou hebben ingediend, blijkt nergens uit en bovendien maakt die - nieuwe - stelling van klager geen deel uit van de klacht. In hoger beroep kunnen geen nieuwe klachten worden ingediend. De beroepsgronden van klager betreffende klachtonderdeel b) falen. 

Klachtonderdeel c) – informatieverstrekking 
7.6    Voor zover klager bij dit klachtonderdeel in zijn beroepschrift ingaat op de financiële afspraken en afwikkeling tussen klager en verweerder, valt dat onder klachtonderdeel d). Voor zover hij ingaat op de taxe voor de getuige, valt dat onder klachtonderdeel e). Die onderwerpen komen bij de betreffende klachtonderdelen aan de orde en worden hier verder buiten beschouwing gelaten. 

7.7    De raad heeft overwogen dat verweerder op verzoek van het incassobureau tot tweemaal toe de gevraagde stukken (nogmaals) heeft aangeleverd. Klager stelt dat hij nog steeds geen compleet dossier heeft, maar heeft - met uitzondering van een conclusie van antwoord van 10 juni 2022, zie hierna - niet aangegeven welke stukken dan precies zouden ontbreken. Dat had wel op zijn weg gelegen. Ook het hof kan daarom niet vaststellen dat verweerder niet alle gevraagde stukken direct en/of later op verzoek van het incassobureau heeft aangeleverd.
  
7.8    Met betrekking tot de conclusie van antwoord en bijbehorende lijst van producties, die verweerder op 10 juni 2022 bij de rechtbank heeft ingediend, overweegt het hof als volgt. Uit het dossier blijkt dat de conclusie van antwoord bestemd was voor de rol van 15 juni 2022. Op 8 juni 2022 heeft verweerder na ontvangst van producties klager daarover bericht en geschreven dat hij het wel van klager hoorde als er nog “wijzigingen en meer producties ingebracht dienen te worden”. Bij brief van 9 juni 2022 heeft klager nog wijzigingen doorgegeven en aangegeven dat hij op 13 juni 2022 beschikbaar was voor telefonisch overleg en het accorderen van de conclusie. Verweerder heeft de conclusie van antwoord op 10 juni 2022 bij de rechtbank ingediend, waarbij onduidelijk is gebleven of hij voordien nog kennis heeft genomen van de brief van klager van de dag daarvoor en dus ook of met de inhoud van die brief rekening is gehouden. Ook is niet duidelijk waarom de conclusie van antwoord (al) op 10 juni 2022 naar de rechtbank is gezonden en blijkt evenmin uit het dossier dat verweerder klager tevoren heeft laten weten wanneer klager op zijn laatst nog aanvullingen kon aanleveren. Verder blijkt niet uit het dossier dat verweerder klager op of kort na 10 juni 2022 een afschrift van de door hem ingediende conclusie van antwoord heeft gezonden (hoewel deze zich wel tussen de door klager overgelegde stukken bevindt en dus op enig moment aan klager moet zijn toegezonden).

7.9    Het hof is op grond van het voorgaande - anders dan de raad - van oordeel dat klachtonderdeel c) in zoverre gegrond is dat verweerder de conclusie van antwoord voor de rol van 15 juni 2022 op 10 juni 2022 naar de rechtbank heeft gezonden zonder dat tevoren met klager af te stemmen en zonder klager direct op of kort na 10 juni 2022 daarvan een afschrift te zenden. In zoverre kan de beslissing van de raad geen stand houden. 

7.10     Met betrekking tot het op 13 december 2024 door klager gewenste gesprek blijkt uit het dossier dat klager datum en tijdstip voor dat gesprek eenzijdig heeft aangedragen. Verweerder heeft op het voorstel van klager niet gereageerd en bovendien is het vonnis aangehouden, zodat daarover op 13 december 2024 nog niets te bespreken viel. Dat verweerder op het eenzijdig door klager bepaalde tijdstip niet beschikbaar en bereikbaar was, valt hem niet te verwijten, hoewel het natuurlijk beter was geweest als verweerder dat even aan klager had laten weten. 

7.11     Het voorgaande betekent dat de beroepsgrond van klager met betrekking tot klachtonderdeel c) slaagt, voor zover het de op 10 juni 2022 aan de rechtbank toegezonden conclusie van antwoord betreft. De beroepsgrond faalt voor het overige. 

Klachtonderdeel d) – financiën 

7.12     Dit klachtonderdeel bevat twee elementen: ten eerste het verwijt dat verweerder met betrekking tot de financiële kant van de zaak niet zorgvuldig heeft gehandeld en geen verantwoording heeft afgelegd door middel van facturen en een einddeclaratie en ten tweede het verwijt dat verweerder excessief heeft gedeclareerd. De raad heeft zich bij de beoordeling van dit klachtonderdeel feitelijk beperkt tot de vraag of het door klager aan verweerder betaalde bedrag als excessief moet worden beschouwd en die vraag ontkennend beantwoord. Het eerste element van dit klachtonderdeel is naar het oordeel van het hof ten onrechte bij de raad buiten beschouwing gebleven. Met betrekking tot dat eerste element van dit klachtonderdeel heeft het hof bij de feiten weergegeven welke informatie uit het dossier blijkt over de gemaakte financiële afspraken, de door klager gedane betalingen en de door verweerder aan klager gedeclareerde bedragen. 

7.13     Ten aanzien van het hierboven genoemde eerste element overweegt het hof als volgt. Verweerder heeft met klager afgesproken om zijn werkzaamheden te declareren op basis van zijn geldende uurtarief (opdrachtbevestiging 8 april 2022, zie 3.6). Daarna is op 19 mei 2022 een vaste prijsafspraak gemaakt, die door klager is vastgelegd en waarvan de juistheid door verweerder is bevestigd (zie 3.7). In november 2022 heeft verweerder klager bericht dat er meer tijd in de zaak was gaan zitten en vroeg hij klager of hij bereid was om verweerder financieel nog tegemoet te komen (zie 3.16). In november 2023 heeft klager verweerder bevestigd dat hij vanaf die maand maandelijks een coulancebetaling zou doen van tenminste 1 uur honorarium (€ 235,04, zie 3.22). Bij deze gang van zaken is opvallend dat het (na de oorspronkelijke opdrachtbevestiging van 8 april 2022) steeds klager is geweest die de gemaakte (nadere) afspraken heeft vastgelegd, terwijl dat eigenlijk op de weg van verweerder had gelegen. Voor zover de gemaakte afspraken tot onduidelijkheid in de verdere afwikkeling hebben geleid, komt dat daarom voor rekening van verweerder. 

7.14     In het dossier van het hof bevinden zich de volgende declaraties van verweerder:
-    19 mei 2022: € 2.500,- honorarium inclusief kantoorkosten en btw (zie 3.7);
-    20 juni 2022: griffierecht (zie 3.13);
-    15 augustus 2023: € 470,08 honorarium inclusief kantoorkosten en btw, betreffende twee uur mondelinge behandeling conform afspraak 19 mei 2022 (zie 3.21);
-    29 oktober 2024: € 1.410,25 honorarium inclusief kantoorkosten en btw, betreffende zes uren coulancebetalingen in de maanden juni tot en met oktober 2024 (zie 3.31).

7.15     Met betrekking tot de door klager aan verweerder gedane betalingen bevat het dossier verschillende overzichten, die voornamelijk van klager afkomstig zijn. Ten eerste is daar de bevestiging van klager van 19 mei 2022 over de gemaakte vaste prijsafspraak. Klager stelt daarin dat hij in totaal inclusief btw een bedrag van € 3.722,22 heeft betaald. Of dat bedrag inclusief of exclusief het op dat moment betaalde deel van het griffierecht (€ 952,-) is, is voor het hof niet duidelijk. Het door klager genoemde bedrag komt in beide gevallen niet overeen met de declaratie van 19 mei 2022. Mogelijk heeft verweerder al voor 19 mei 2022 een (voorschot-)nota aan klager gezonden, maar dat wordt uit het dossier niet duidelijk.

7.16     Vervolgens lijkt het goed te gaan totdat verweerder op 20 maart 2024 aan klager bericht dat hij geen coulancebetalingen meer ontvangt (zie 3.27). Verweerder biedt aan om “indien gewenst” facturen te sturen. Gelet op de datum (8 april 2024) die klager daarop heeft genoteerd, zal het ongedateerde overzicht van verweerder (zie 3.44 eerste overzicht) met de brief van verweerder van 20 maart 2024 of kort daarna aan klager zijn gezonden. Verweerder stelt in dat stuk dat hij vanaf september 2023 drie coulancebetalingen heeft ontvangen. Klager heeft daarop geschreven dat de coulancebetalingen in november 2023 ingingen en dat hij vier betalingen had gedaan. Klager heeft op 29 april 2024 een overzicht van door hem betaalde bedragen aan verweerder gezonden en gevraagd om declaraties daarvoor. Bij brief van 24 juni 2024 heeft klager gerappelleerd (zie 3.28). Nadien heeft klager nog enkele overzichten en kopieën van bankafschrijvingen aan verweerder gezonden met de uiteindelijke conclusie in december 2024 dat hij een bedrag had betaald van in totaal € 10.654,15, bestaande uit onder meer een bedrag van € 7.732,94 inclusief btw aan honorarium, griffierecht, de kosten van de getuigen, contante betalingen aan verweerder van in totaal € 220,- en zelf nog gemaakte kosten (zie 3.44). Berichten en/of declaraties van verweerder (behalve de declaraties, genoemd in 7.14) ontbreken. 

7.17     Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende zorgplicht om steeds duidelijkheid te verschaffen over de gemaakte financiële afspraken en dat verweerder over de door hem ontvangen betalingen evenmin een deugdelijke en nauwgezette verantwoording heeft afgelegd aan klager. Zo ontbreken declaraties voor een deel van de gedane betalingen voor honorarium en zijn - voor zover het hof kan zien - behalve het griffierecht ook de gemaakte onkosten niet als verschotten aan klager in rekening gebracht. Verweerder heeft niet weersproken dat klager hem contante bedragen voor gemaakte onkosten heeft betaald. Ook deze bedragen zijn nergens verantwoord. Tot slot had het op de weg van verweerder gelegen om, zeker in de diffuse situatie die verweerder in deze zaak heeft laten ontstaan, een deugdelijke eindverantwoording op te stellen van ontvangen betalingen en in een einddeclaratie de mogelijk nog niet gefactureerde bedragen op te nemen. In zoverre is klachtonderdeel d) gegrond.

7.18     Voor zover klager verweerder verwijt dat er excessief is gedeclareerd, het hierboven genoemde tweede element van klachtonderdeel d), verwijst het hof naar de overwegingen van de raad, waarmee het hof zich verenigt. Gelet op de omvang van de werkzaamheden die verweerder voor klager heeft verricht, kan het door klager aan verweerder betaalde bedrag aan honorarium niet als excessief worden betiteld. De beroepsgronden van klager falen op dit punt. 

Klachtonderdeel e) – getuigentaxe 
7.19     De beroepsgrond van klager tegen de beslissing van de raad faalt. Verweerder heeft inderdaad het geld voor de makelaar nog onder zich, omdat de makelaar daarvoor geen factuur heeft gestuurd. Kennelijk heeft klager niet goed begrepen wat verweerder bedoelde toen hij aangaf dat hij het bedrag aan klager wil terugbetalen onder de voorwaarde dat klager hem vrijwaart. Verweerder is namelijk tegenover de makelaar verantwoordelijk voor het aan de makelaar toekomende bedrag als de makelaar verweerder daar alsnog op aanspreekt. Verweerder is bereid het bedrag aan klager terug te betalen, maar wil dan niet het risico lopen dat hij vervolgens - uit eigen portemonnee - eenzelfde bedrag aan de makelaar moet betalen. Voor dat geval wenst verweerder door klager te worden gevrijwaard (wat in dit geval betekent dat klager dan zorgt dat de makelaar betaald wordt). Die eis van verweerder is naar het oordeel van het hof niet onredelijk. 

Slotsom
7.20     De conclusie uit het voorgaande is dat het hoger beroep van klager op twee onderdelen slaagt en dat de klachtonderdelen c) en d) gedeeltelijk gegrond zijn. Het hof zal de beslissing van de raad op die onderdelen vernietigen. Voor het overige wordt de beslissing van de raad bekrachtigd.

7.21     Verweerder heeft niet gehandeld overeenkomstig het doel en de strekking van gedragsregels 16 en 17. Bovendien heeft hij de kernwaarde (financiële) integriteit geschonden door niet zelf de (gewijzigde) afspraken duidelijk vast te leggen en door evenmin een deugdelijke en nauwgezette verantwoording af te leggen over de door hem van klager ontvangen bedragen. Het handelen van verweerder is in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Verweerder heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad.

8    MAATREGEL

8.1    Aangezien het hof twee klachtonderdelen deels gegrond verklaart, moet een maatregel worden opgelegd. Het hof rekent verweerder met name de financiële gang van zaken (klachtonderdeel d) zwaar aan. In reactie op de wens van klager om geïnformeerd te worden over de totale kosten van verweerder en een overzicht van de betalingen door klager heeft verweerder nauwelijks gereageerd.  Uit gedragsregel 17 en Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023, D.V. tegen M.A. (C-395/21), ECLI:EU:2023:14 vloeit voort dat een advocaat vooraf een schatting moet maken van de verwachte tijdsbesteding, het totaal aan kosten (indien geen toevoeging zal worden verleend) en dat hij gedurende de dienstverlening en achteraf duidelijk moet zijn over de specificatie van dat wat door de cliënt is verschuldigd en betaald. Het hof acht de maatregel van berisping passend en geboden. 

9    PROCESKOSTEN

9.1    Omdat het hof de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.2     Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:    
                                                                                                                              
a) € 50,- kosten van klager (forfaitair); 
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.3     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.4     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

10    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1     vernietigt de beslissing van 9 februari 2026 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, genomen onder nummer 25-643/A/NH, voor zover daarin de klachtonderdelen c) en d) ongegrond zijn verklaard;

en doet opnieuw recht:

10.2     verklaart de klachtonderdelen c) en d) gedeeltelijk gegrond;

10.3     bekrachtigt de beslissing van 9 februari 2026 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, genomen onder nummer 25-643/A/NH, voor het overige;

10.4     legt verweerder de maatregel berisping op;

10.5     veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; 

10.6     veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald; e

10.7     veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.


Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K. van Dijk en M. van Roosmalen, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026. 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 23 oktober 2026.