ECLI:NL:TAHVD:2026:342 Hof van Discipline 's Gravenhage 260235

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:342
Datum uitspraak: 23-10-2026
Datum publicatie: 23-10-2026
Zaaknummer(s): 260235
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklagzaak. Artikel 13 Advocatenwet. Herhaaldelijk verzoek om aanwijzing. Beklag ongegrond. 


Beslissing van 23 oktober 2026
in de zaak 260235

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:


klager
    
tegen:
    
de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klager heeft op 12 mei 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 22 mei 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager al meerdere malen heeft verzocht een advocaat aan te wijzen voor het aansprakelijk stellen van de Staat. Zijn laatste verzoek dateert van 26 april 2025, waarop de deken op 21 juli 2025 negatief heeft beslist. Het beklag daartegen is op 10 oktober 2025 ongegrond verklaard.  

1.3    In artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat indien een aanvrager een nieuwe aanvraag indient, deze gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Als de aanvrager dat niet doet, kan de aanvraag worden afgewezen met verwijzing naar het eerdere besluit. Nu klager in zijn nieuwe aanvraag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, heeft de deken verwezen naar zijn besluit van 26 april 2025.

Bij het hof
1.4    Klager heeft op 18 juni 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het hof. 

1.5    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken van 13 juli 2026;
-    het verzoek van klager van 13 juli 2026 om een mondelinge behandeling van de zaak;
-    het bericht van het hof van 16 juli 2026 dat de mondelinge behandeling is bepaald op 7 september 2026;
-    de repliek van klager van 16 juli 2026;
-    het bericht van de deken van 27 juli 2026, en
-    het e-mailbericht van klager van 26 augustus 2026.

1.6    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 7 september 2026. Daar zijn klager, bijgestaan door zijn vertrouwenspersoon, en de deken, bijgestaan door een stafjurist, verschenen. 


2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Op 26 april 2025 heeft klager de deken verzocht om hem een advocaat aan te wijzen. De deken heeft op 21 juli 2025 dit verzoek afgewezen. Het beklag daartegen is op 10 oktober 2025 ongegrond verklaard. 

2.2    Op 12 mei 2026 heeft klager opnieuw verzocht om aanwijzing van een advocaat. De deken heeft dit verzoek op 22 mei 2026 afgewezen.


3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager verzoekt bijstand teneinde een civiele dagvaarding uit te kunnen brengen tegen de Staat. Volgens hem is sprake van 
misleiding door de Belastingdienst dan wel de gemeente en andere onder de verantwoordelijkheid van de Staat vallende organisaties. Zijn eerdere advocaat heeft de dagvaarding niet uitgebracht, maar heeft klager enkel ongevraagd advies gegeven. Die advocaat is ook veroordeeld door de tuchtrechter wegens het ontbreken van een administratie. Door toedoen van de eerdere advocaat zijn onnodig vele jaren verloren gegaan. Klager wil een door hem geconstateerde, nooit behandelde en afgehandelde misstand aan de orde stellen. Hem is bij herhaling het recht, de vrijheid, het belang, de verantwoordelijkheid en de plicht oneigenlijk, willekeurig, onderhands en buitenwettelijk ontnomen die misstand aan de orde te stellen. Volgens klager krijgt hij geen toegang tot een onafhankelijke rechter voor de door hem geconstateerde misstand (zijnde het oneigenlijk, willekeurig, onderhands en buitenwettelijk doorvoeren van oneigenlijke zaaks- en persoonsveranderingen). 

Verweer
3.2    De deken heeft aangevoerd dat klager steeds voor dezelfde kwestie aanwijzing van een advocaat verzoekt. Verwezen wordt naar de uitspraak van 10 oktober 2025 van het hof.
 

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    Tijdens de mondelinge behandeling heeft klager aangegeven dat hij een civiele dagvaarding wil laten uitbrengen door een advocaat, strekkende tot een verklaring voor recht inhoudende dat er geen grondslag is voor het niet uitvoeren van de door de burgemeester gegeven opdracht tot  schuldsanering (lees: schuldhulpverlening). Volgens klager heeft de Staat bij monde van de gemeente in samenwerking met andere organisaties waaronder de Belastingdienst een toestand geschapen die niet is opgelost, waardoor klager zijn recht op een schuldsanering niet kan uitoefenen.

4.3    Het hof constateert dat hetgeen klager ter zitting heeft aangevoerd niet overeenkomt met hetgeen is vermeld op het klachten-/webformulier. Daarop is vermeld dat klager een advocaat aangewezen wil krijgen die een reeds opgestelde civiele dagvaarding tegen de Staat uitbrengt, nu de eerder aangewezen advocaat enkel advies heeft gegeven en geen dagvaarding wilde uitbrengen. Klager geeft nu aan dat de kwestie ziet op het aanvangen van een schuldhulpverleningstraject. Dat heeft de deken niet zo hoeven te begrijpen. Het hof kan daarom daar geen uitspraak over doen. De aanvang van een schuldhulpverleningstraject betreft een bestuursrechtelijke kwestie, waarvoor geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt. De deken hoeft daar op grond van artikel 13, eerste lid van de Advocatenwet geen advocaat voor aan te wijzen. Daarvoor kan klager dus ook niet bij de deken terecht.

4.4    Verder volgt uit de uitspraak van het hof van 10 oktober 2025 dat de deken het verzoek om aanwijzing van een advocaat om een procedure te starten tegen de Staat/de Belastingdienst al tweemaal heeft toegewezen. Die laatste eerder aangewezen advocaat heeft geconcludeerd dat een procedure tegen de Staat op grond van aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad geen kans van slagen heeft. In totaal heeft klager tweemaal een advocaat aangewezen gekregen en is vervolgens driemaal een nieuw verzoek afgewezen omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden waren aangedragen. Het hof heeft tweemaal het door klager ingediende beklag hiertegen ongegrond verklaard. Nu wordt voor de derde keer een beklag bij het hof ingediend. Voor zover de grondslag van dit beklag weer hetzelfde is, wordt overwogen dat klager geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat het beklag alsnog gegrond zou moeten worden verklaard. Daarnaast geldt dat als klager in de toekomst opnieuw hetzelfde verzoek bij de deken zou neerleggen, hij er rekening mee dient te houden dat de deken een verzoek om aanwijzing respectievelijk het hof een beklag tegen een afwijzende beslissing van de deken niet meer in behandeling zal nemen wegens misbruik van klachtrecht.

4.5    Het hof zal het beklag dus ongegrond verklaren. 


5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 22 mei 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. W.A. Timmer en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J.M. Vermulst, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 23 oktober 2026.