ECLI:NL:TAHVD:2026:341 Hof van Discipline 's Gravenhage 260158

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:341
Datum uitspraak: 23-10-2026
Datum publicatie: 23-10-2026
Zaaknummer(s): 260158
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Niet duidelijk tegen wie klager wil procederen, welke vordering hij wil instellen en wat klager met een procedure denkt te kunnen bereiken. Daarom onvoldoende kans van slagen. 


Beslissing van 23 oktober 2026
in de zaak 260158

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

    
klager
    
tegen:
    
mr. I. Aardoom-Fuchs
deken van de Orde van Advocaten 
in het arrondissement Den Haag

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 24 april 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat herhaaldelijk aan klager is gevraagd om informatie en achterliggende documentatie aan te leveren, maar dat de deken de gevraagde informatie niet heeft ontvangen. Om die reden is de deken van mening dat een procedure geen redelijke kans van slagen heeft. 

Bij het hof
1.3    Klager heeft op 29 april 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken
-    de repliek.

1.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 14 augustus 2026. Daar zijn klager met zijn partner en de deken met de stafjurist mr. B. verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht.

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Klager heeft de deken op 5 februari 2026 gevraagd een advocaat aan te wijzen voor een schadevergoedingsprocedure. Namens de deken is klager gevraagd om informatie te verstrekken over de advocaten die hij benaderd had en de afwijzingen die hij daarop had gekregen. Klager heeft daarop namen van advocaten doorgegeven. 

2.2    Op 9 maart 2026 heeft de stafjurist klager gevraagd om schriftelijke stukken, waaruit de (reden van) afwijzing door die advocaten blijkt. Ook schreef zij:

“Op basis van de door u aangeleverde stukken is het mij niet duidelijk tegen wie u een procedure wenst te starten en wat voor procedure dit dient te zijn. Ik krijg de indruk dat u een schadevergoedingsprocedure wenst te starten. Kunt u dit bevestigen, althans aangeven wat voor procedure het wel dient te zijn? Kunt u ook aangeven tegen wie de procedure gericht is. Voorts verneem ik graag de grondslag van uw vordering en de stukken waaruit blijkt op welke waarde uw vordering kan worden bepaald/geschat.

In de door u aangeleverde stukken wordt tevens gesproken over het stuiten van de verjaring. Graag ontvang ik de stukken waaruit blijkt dat u de verjaring van de vordering tot op heden heeft gestuit (na elke stuiting gaat een nieuwe verjaringstermijn lopen, dit is meestal 5 jaar). Bovendien geeft u in het door u ingediende webformulier aan dat mr. [naam advocaat: hierna L] zegt dat de claim verjaard is. Betreft dit dezelfde vordering als waarvoor u nu een procedure wenst te starten? Zo ja, kunt u toelichten (eventueel aan de hand van stukken, op overzichtelijke wijze) op basis waarvan kan worden gesteld dat uw vordering niet verjaard is?”

2.3    Klager heeft op 10 maart 2026 onder meer aan de stafjurist geschreven:

“MR [L] heeft claim tegen dexia aangenomen na de uitspraak van de HOGE RAAD SEPT 2016 waarin staat dat personen waarbij aandelenlease contracten die via tussenpersonen zonder vergunning zijn afgesloten via spaar select de bank daarvoor aansprakelijk wordt gesteld WIJ voldoen aan de voorschriften om dexia aansprakelijk te stellen WIJ hebben op tijd up tou out verstuurt aan notaris kielstra wij deden niet met duisenberg regeling mee claim staat nog open geen deal getekend de uitspraak op out van de hoge raad voeg ik toe 
MR [L] heeft die uitspraak genegeerd ! DAARBIJ komt nog verzwaarde zorgplicht chronische zieken MR [L] heeft betaling afschriften gevraagd niet gevorderd op art 843 van de wet niet gekregen heeft toen collega aansprakelijk gesteld die ons in 2012 in de schuldsanering heeft gestopt die dexia zaak niet aangenomen heeft claim in 2019 afgewezen door rechter wij hebben nog geen deal met dexia claim staat nog open 
(…)
MR [naam advocaat: hierna A] zei dat wij sterk stonden omdat claim nog gestuit is door uitspraak door hogeraad over up out uitspraak helpt ons AUB claim indienen het gaat nu om beroepsaansprakelijkheidsverzekering VAN MR [L] HIJ had dexia moeten dagvaarden”

2.4    De stafjurist heeft klager op 11 maart 2026 onder meer geantwoord:

“Zoals ik het nu begrijp wenst u een schadevergoedingsprocedure te starten tegen mr. [L]. U stelt namelijk schade te hebben geleden doordat mr. [L] een beroepsfout hee gemaakt (door geen claim in te dienen jegens DEXIA), waardoor u schade heeft geleden. Kunt u bevestigen of dit klopt? 


In aansluiting op mijn brief van 9 maart jl., verzoek ik u vriendelijk om onderstaande stukken en informatie uiterlijk 30 april a.s. toe te sturen: 
- Antwoord op de vraag: Per wanneer bent u erachter gekomen dat mr. [L] deze fout hee gemaakt? Indien dit langer dan 5 jaar geleden is: heeft u de vordering op mr. [L] gestuit? Zo ja, kunt u hiervan bewijs toesturen. 
- Antwoord op de vraag: Heeft mr. [L] een melding gedaan bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering? Zo ja, wat is hier uit gekomen?”

2.5    Klager heeft de stafjurist op 18 maart 2026 onder meer geschreven:

“WIJ HEBBEN op 5 januari 2026 ontdekt dat MR [L] DIE DEXIA HAD AANGENOMEN in 2017 niet wetsart correctie redelijkheid en billijkheid in dagvaarding op beroepen heeft en tegen de verkeerden partij collega die schuldsanering had aangenomen niet dexia claim afgewezen omdat zij DEXIA niet had aangenomen MR [A] HOGE RAAD ADVOCAAT HEEFT ons geadviseerd de beroepsaansprakelijkheid van MR [L] aansprakelijk te stellen voor de geleden schade 
(…)
Sinds 5 jan 2026 achter wetsart correctie redelijkheid en billijkheid gekomen als verjaring vanaf 5 jan 2026 in gaat is claim gestuit tot 5 jan 2031 omdat verjaring gaat in vanaf de datum dat je het ontdekt wij doen een BEROEP OP U wijst AUB een advocaat aan via WETS ART 13 die de vordering WIL BEKIJKEN WAT onze rechten zijn de claim is gestuit met UP OUT VERKLARING op tijd verstuurt dat je niet aan duisenberg regeling gebonden ben want bij duisenberg regeling werd 2 derde van schuld kwijtgescholden WIJ hebben nog geen deal claim staat nog open MR [L] had naar de uitspraak van de hogeraad sept 2016 DEXIA aansprakelijk moeten stellen”

2.6    Naar aanleiding van klagers berichten heeft de stafjurist op 20 maart 2026 contact opgenomen met de door klager genoemde mr. A. Mr. A heeft de stafjurist bericht dat hij recentelijk geen contact heeft gehad met klager. Wel heeft hij in oktober 2021 een negatief cassatieadvies gegeven.

2.7    Klager heeft daarna nog meerdere berichten aan de stafjurist gestuurd en meerdere keren gebeld met het bureau van de orde. De stukken die klager aan de deken heeft gezonden en ook bij zijn beklagschrift heeft gevoegd, zijn de navolgende:

-    Arrest van de Hoge Raad van 01 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1198.
Het betreft een (geanonimiseerd) arrest in de Dexia-affaire, waarin de Hoge Raad een prejudiciële vraag beantwoord heeft over de ingangsdatum van de wettelijke rente over door een aanbieder van effectenleaseovereenkomsten aan de afnemer te vergoeden inleg.

-    Arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012.
Het betreft een (geanonimiseerd) arrest in de Dexia-affaire, waarin de Hoge Raad enkele specifieke regels heeft gegeven voor de vergoedingsplicht van een aanbieder van een effectenleaseproduct, die zijn precontractuele zorgplicht jegens een particuliere belegger niet is nagekomen. 

-    Conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad (A-G) van 17 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:523.
Het betreft een (geanonimiseerde) zaak tegen ARC B.V. In die zaak had mr. L een cassatiedagvaarding uitgebracht op een moment dat hij nog (voorwaardelijk) als “advocaat bij de Hoge Raad” (cassatieadvocaat) stond ingeschreven. De dagvaarding is bij de Hoge Raad aangebracht op 26 mei 2016 en op dat moment was de aantekening van mr. L als cassatieadvocaat vervallen. Aan de A-G is gevraagd om te adviseren over de gevolgen van het verval van de aantekening van cassatieadvocaat. De A-G heeft de Hoge Raad geadviseerd om de procedure als geschorst te beschouwen (totdat een van partijen nadere actie zou ondernemen) of anders (specifiek voor destijds voorwaardelijk ingeschreven cassatieadvocaten) een overgangsregeling te treffen. 

-    Een door mr. L namens klager en zijn echtgenote opgestelde concept-dagvaarding uit maart 2019 en een niet gedateerde (gedeeltelijke) versie van die concept-dagvaarding. Als gedaagde is mr. D genoemd;

-    Aantekeningen van mr. L van 28 oktober 2019 met als titel: “Notities inzake verrekening overbedeling mw. De [V]”;

-    Een op 12 september 2017 gedateerde klacht tegen mr. D.

2.8    De deken heeft in de beslissing van 24 april 2026 onder meer geschreven:

“Zoals uit bovenstaande blijkt, bent u herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld om informatie en stukken toe te sturen. Tot op heden heb ik deze informatie en stukken niet mogen ontvangen. 

Uit uw stukken leid ik af dat u een schadevergoedingsprocedure wenst te starten tegen mr. [L], omdat hij een beroepsfout heeft gemaakt door een arrest van de Hoge Raad niet te betrekken bij uw procedure. U noemt een hoog schadebedrag, maar heeft deze vordering niet (nader) onderbouwd. Een advocaat kan u niet helpen als u hem niet kunt uitleggen wat er precies is gebeurd en waarover u een procedure wil starten. Uit de schriftelijke afwijzing van mr. [J] leid ik af dat hij u heeft gevraagd om een vonnis op te sturen. U heeft in reactie daarop aangegeven dat u alle stukken die u tot uw beschikking heeft al heeft gestuurd. Een advocaat kan u niet helpen als u geen bewijsstukken heeft voor uw stellingen.

Gelet op het feit dat u herhaaldelijk in de gelegenheid bent gesteld om informatie en stukken aan te leveren (door de stafjurist, maar ook door mr. [J]), maar deze stukken niet worden toegezonden, heb ik beperkt vertrouwen dat u de benodigde informatie kan aanleveren aan een eventueel aangewezen advocaat. Zonder de benodigde informatie kan een advocaat u ook niet adviseren over een eventuele procedure. 

Op grond van bovenstaande ben ik van mening dat een procedure geen redelijke kans van slagen heeft.”


3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1    Het beklag luidt als volgt:

“SPOED BEKLAG TEGEN AFWIJZING DEKEN ART13 
WIJ ZIJN CHRONISCHE ZIEKECHTPAAR MORGEN VERLOOPT DE FATALE TERMIJN VOOR MIJN CLAIM 
VAN GESCHAT VAN 15000000 EURO WEGENS BEWEZEN BEDROG DOOR EEN ONBEVOEGD ADVOCAAT MR 
[L] MEI 2016 HEEFT HIJ IN2017 ALS ONBEVOEGD CASSATIE ADVOCAAT 
BIJ GESTAAN 
IN EEN NIETIGE DAGVAARDING DIE DE DEKEN NIET B;GELEZEN HEEFT WIJ VINDEN DAT EEN ONBEVOEGDE 
CASSATIE ADVOCAAT HEEFT ON S BIJ GESTAAN IN2017 TERWIJL HIJ MEI 2016 GESCHRAPT IS 
ALS CASATIE 
ADVOCAAT DIT PROBEERDE HIJ TEVERHULLEN DOORB COLLEGA AANSPRAKELJK TE STELLEN DAGVAARDING IS NIETIG OMDAT HIJ IN 2016 GESCHRAPT IS WIJ EISEN DAT HET HOF VAN DISIPLINE DE DEKEN 
TERUG ROEPT EN EEN ADVOCAAT OP ART 13 TOEWIJST OMDAT WIJ PAS ACHTER 
ZIJN SCHRAPPING ZIJN GEKOMEN ALS U DE UITSPRAAK VAN SEPT 2016 LEEST 
WAAR GEDUPEERDE SCHHADELOOS 
ZIJN GESTELD OMDAT MEN VIA TUSSENPERSOON LEAS CONTRACTEN AFGESLOTEN ZIJN EN MR [L] 
ZIJN SCHRAPPING WILDE VERHULLEN OM COLLEGA AANSPRAKELIJK TESTELLEN VOOR HET LATEN VERJAREN 
VAN DE CLAIM TERWIJL WIJ IN 2007 UP OUT BRIEF HEBBEN VERZONDEN DUS WIJ NIET AAN DE DUISENBERG REGELING GEBONDEN ZIJN EN MR [L] HEEFT BEWUST VOOR EIGEN BELANGGEKOZEN
BOVEN CHRONISCHE ZIKEN HOPEN WIJ DAT U ONZE NIETIGE DAGVAARDING LEEST ECHT LEEST EN UITSPRAAK 
SEPT 2016 ECHT LEEST EN U VERGELIJK DAT MET NIETIGE DAGVAARDING DIE MR [L] HEEFT GESCHREVEN DIE NIETIG IS OMDAT HIJ GEENCASSATIE MEER WAS DAN MOGEN CHRONISCHE ZIEKEN DAAR NIET DE DUPE VAN MOGEN WORDEN VAN WEGE DE 
STRAR HEID VAN DE DEKEN FOUTENMAKEN WIJ ALLEMAAL 
MAAR FOUTEN HERSTELLEN DAAR HEB U DE MACHT TOE OM DE DEKEN TOT DE ORDE TE
ROEPEN EN 
MET SPOED CHRONISCH ZIEKEN IEDEREEN IN NEDERELAND HEEFT HET RECHT OP EERLIJKBEHANDELD TE WORDEN EN LAATSTE ER IS GEEN VONNIS DUS HETB IS NOOIT WI HEBBEN NOOIT EERLIJKE KANS KRIJGT LEES UITSPRAAK SEPT 2016 NAAST NIETIGE DAGVAARDING GEEF U OORDEEL STAATV ER EEN LETTR IN ONZE NIETIGE DAG VAARDING WIJ HEBBEN JURIDISCHE NOOIT EEN EERLIJKE KANS MEER VRAAG IK NIET MINDER GEEF ONS
EERLIJKE KANS MEER HOEF IK NIET IK STUUR UITSPRAAK SEPT 2016 ZIJN SCHRAPPING EN GEEFT U INHOUDELIJK 
EEN EERLIJK KANS 30 APRIL IS HETSLUITINGS DAG DE AFWIJZING HEB IK PAS ONTVANGEN WIJ HOPEN DAT U DE DE UITSPRAKEN INHOUDELIJK WIL BEOORDELEN DOOR UITSPRAAK HOGE RAAD SEPTEMBER 2016 EN NIETIGE 
DAGVAARDING VAN ONS EN DE DAGVAARDING VAN MR [L] DAT ZAL U TOT OORDEEL KOMEN 
DAT DE DEKEN ONS ONREDELIJK BEHANDELD HEEFT MR [A] HEEFT DAGVAARDING GELEZEN DIE ZEI 
MR [L] IS TUSSEN DE REGELS DOOR GEFIETST WIJ MOESTEN DOOR VECHTEN HI J GAF ONS 90 PROCENT KANS NIET DAT WIJ BLIJ ZIJN DAT WIJ CHRONISCHE ZIEK ZIJN MAAR DE ZORGPLICHT VAN BANKEN EN TUSSENPERSONEN WEEGT DE ZORGPLCHT BIJ CHRONISCHE ZIEKEN ZWAARDER ONTNEEMT ONS HET RECHT NIET ALS IK 15 FEBR 2026 ACHTER CORRECTIE REDELIJKHEID EN BILIJKHEID EINDIGT JURIDISCHE 2031 WIJ WILLEN DAT U ALLES EERST LEEST EN DAN U OORDEEL GEEFT ZIE DIT DAT WIJ BIJ DE DEKEN INBEROEP GAAN TEGEN DE BESLISSING VANDE DEKEN MAAR GEEGF U OORDEEL DAT U ALLES GELEZEN HEEFT het spijt me dat ik dit vaak herhaal maar de DEKEN HEEFT NIETS GELEZEN”

Verweer
3.2    De deken heeft aangevoerd dat het beklagschrift moeilijk te doorgronden is en dat klager zijn verwijten niet heeft onderbouwd. Het ligt op de weg van klager om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die hij wil voeren en de gevraagde aanvullende informatie te verstrekken ter onderbouwing van die procedure. Volgens de deken is er voldoende inspanning verricht om klager te begeleiden bij de formulering en onderbouwing van zijn aanwijsverzoek.

3.3    Klager heeft herhaaldelijk een arrest van de Hoge Raad en een Conclusie van een A-G uit 2016 toegestuurd. Met deze stukken heeft klager zijn verzoek nog niet deugdelijk onderbouwd en is klager niet voldoende duidelijk geweest over de inhoud van de procedure. Ook is er geen duidelijkheid met betrekking tot de verjaring van zijn claim. De opt-out-verklaring waar klager herhaaldelijk naar verwijst, ziet namelijk op een claim tegen Dexia en dateert uit 2007. Klager stuurt eveneens stukken die zijn geschreven door mr. L over (laakbaar) handelen van mr. D. Klager heeft niet aangegeven hoe dit relevant is voor de procedure die hij tegen mr. L wil starten, aldus de deken.

4    BEOORDELING

Toetsingskader
4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Beoordeling 
4.2    Ondanks de toelichting tijdens het onderzoek ter zitting door klager is niet goed duidelijk geworden tegen wie hij wil procederen, welke vordering hij wil instellen en wat klager met een procedure denkt te kunnen bereiken. Voor zover klager mr. L aansprakelijk wil stellen is nog steeds niet duidelijk geworden wat klager van hem wil vorderen en op grond waarvan. Klager heeft geen informatie verstrekt en in het bijzonder geen documenten overgelegd, waaruit ook maar iets van een eventuele aansprakelijkheid van of vordering op mr. L op te maken valt. De wel door klager overgelegde stukken geven daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. 

4.3    De deken heeft tijdens haar uitgebreide onderzoek naar aanleiding van klagers verzoek tot aanwijzing van een advocaat herhaaldelijk om nadere informatie van klager gevraagd, maar die niet gekregen. De deken is dan ook terecht en op juiste gronden tot de conclusie gekomen dat een procedure geen redelijke kans van slagen heeft, omdat zij er terecht beperkt vertrouwen in heeft dat klager de benodigde informatie wel zou kunnen verstrekken aan een advocaat. De deken heeft het verzoek van klager wegens gegronde redenen afgewezen. Het beklag is ongegrond.


5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-     verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 24 april 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K. van Dijk en M. van Roosmalen, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026. 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 23 oktober 2026.