ECLI:NL:TAHVD:2026:340 Hof van Discipline 's Gravenhage 260339

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:340
Datum uitspraak: 22-10-2026
Datum publicatie: 22-10-2026
Zaaknummer(s): 260339
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen:
  • Voorzittersbeslissing
  • Verwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht over deken niet verwezen op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. De voorzitter begrijpt uit de van klaagster ontvangen stukken dat zij in feite een herbeoordeling van de onderliggende klachtzaak wenst, nadat haar klacht door de raad vanwege overschrijding van de termijn waarbinnen een klacht over een advocaat kan worden ingediend niet-ontvankelijk is verklaard en klaagsters verzet daartegen ongegrond. Om dat te bereiken stelt klaagster dat sprake is van nieuw aan het licht gekomen tuchtrechtelijke misstanden aan de zijde van de betrokken advocaat. Nu is gebleken dat de deken de klacht niet opnieuw in behandeling zal nemen, dient klaagster een klacht over de deken in. De voorzitter van het hof is van oordeel dat klaagster daarmee op een oneigenlijke manier dezelfde tuchtprocedure tegen een advocaat nogmaals probeert te starten, wat misbruik van klachtrecht oplevert.

Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
    
van 22 oktober 2026
in de zaak 260339

    
naar aanleiding van een klacht van:
        
 

klaagster
    
over:

mr. M.A.R.C. Padberg
advocaat en deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam
    

de deken

1    HET VERZOEK

1.1    De voorzitter van het hof verwijst naar de e-mail van 4 augustus 2026 van klaagster. Daarmee heeft klaagster een klacht ingediend over de deken. Bij e-mail van 11 augustus 2026, met bijlagen, heeft klaagster haar klacht aangevuld.

1.2    Uit de van klaagster ontvangen stukken begrijpt de voorzitter dat klaagster een tuchtklacht heeft ingediend over het handelen van advocaat mr. G als bewindvoerder in een schuldsaneringstraject. Deze klacht is door de Raad van Discipline (hierna: de raad) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de klacht is ingediend buiten de daarvoor geldende termijn van drie jaren. Het tegen die beslissing door klaagster ingestelde verzet is door de raad ongegrond verklaard. Klaagster is het met die beslissing niet eens en daarom heeft zij bij de deken een nieuwe klacht over mr. G ingediend, die volgens klaagster is “gericht op de zware, nieuw aan het licht gekomen tuchtrechtelijke misstanden” van mr. G. Klaagster klaagt erover dat de deken weigert deze klacht over mr. G in behandeling te nemen. Klaagster voert aan dat de deken niet eigenhandig als tuchtrechter mag optreden door een zaak definitief te blokkeren, zeker niet zonder schriftelijke motivering. Zij verzoekt het hof, vanwege de weigering van haar klacht, alsmede bagatelliseren door de deken en eventuele belangenverstrengeling, de klacht te verwijzen naar een andere deken. In dat verband verzoekt zij het hof ook de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, omdat naar de mening van klaagster het maatschappelijk belang bij de klacht zwaarder dient te wegen dan de termijnoverschrijding.  


2    DE BEOORDELING

2.1    Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe in deze zaak echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2    De voorzitter begrijpt uit de van klaagster ontvangen stukken dat zij in feite een herbeoordeling van de onderliggende klachtzaak wenst, nadat haar klacht door de raad vanwege overschrijding van de termijn waarbinnen een klacht over een advocaat kan worden ingediend niet-ontvankelijk is verklaard en klaagsters verzet daartegen ongegrond. Om dat te bereiken stelt klaagster dat sprake is van nieuw aan het licht gekomen tuchtrechtelijke misstanden aan de zijde van mr. G. Nu is gebleken dat de deken de klacht niet opnieuw in behandeling zal nemen, dient klaagster een klacht over de deken in. De voorzitter van het hof is van oordeel dat klaagster daarmee op een oneigenlijke manier dezelfde tuchtprocedure tegen een advocaat nogmaals probeert te starten, wat misbruik van klachtrecht oplevert. Daarbij merkt de voorzitter op dat het hof niet de bevoegdheid heeft om de termijn waarbinnen een klacht over een advocaat moet worden ingediend te verruimen. Om deze redenen wijst de voorzitter het verzoek tot verwijzing af.

3    BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

wijst het verzoek tot verwijzing af.

Deze beslissing is genomen op 22 oktober 2026 door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 22 oktober 2026.