ECLI:NL:TAHVD:2026:339 Hof van Discipline 's Gravenhage 260455

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:339
Datum uitspraak: 22-10-2026
Datum publicatie: 22-10-2026
Zaaknummer(s): 260455
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen:
  • Voorzittersbeslissing
  • Verwijzing
Inhoudsindicatie: Afwijzing verzoek tot verwijzing (artikel 46c lid 5 Advocatenwet). Uit de toelichting op zijn klacht over de deken leidt de voorzitter af dat klager bij de deken een klacht heeft ingediend over zijn advocaat. De klacht van klager over de deken heeft betrekking op het onderzoek door de deken van die klacht en – naar de voorzitter begrijpt – de door de deken daarop gegeven visie. Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens een klachtonderzoek neemt en evenmin om de inhoud van de dekenvisie op de klacht van klager over zijn advocaat ter discussie te stellen. Klager kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, zijn klacht over zijn advocaat laten toetsen door de raad van discipline. Binnen de kaders van die procedure kan klager al zijn bezwaren over het klachtonderzoek door de deken naar voren brengen. Ook kan klager toelichten op welke punten de dekenvisie niet deugt en de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan de deken.

Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
    
van 22 oktober 2026 
in de zaak 260455

    

naar aanleiding van de klacht van:
    
    
    
klager 
    

gemachtigde: [G]
    

tegen:


mr. A.G. Moeijes
advocaat en deken van de Orde van Advocaten Noord-Holland 
    
de deken 

1    HET VERZOEK

De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht (inclusief bijlage) van de deken van 
30 september 2026. Hierin verzoekt de deken om de klacht, die klaagster over de deken via het daartoe bestemde webformulier bij de Orde van Advocaten Noord-Holland heeft ingediend, op grond van artikel 12 Procesreglement van het hof te verwijzen naar een andere deken voor verdere behandeling.  


2    DE BEOORDELING

2.1    Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2    Uit de toelichting op zijn klacht over de deken leidt de voorzitter af dat klager bij de deken een klacht heeft ingediend over zijn advocaat. De klacht van klager over de deken heeft betrekking op het onderzoek door de deken van die klacht en – naar de voorzitter begrijpt – de door de deken daarop gegeven visie.   

2.3    Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens een klachtonderzoek neemt en evenmin om de inhoud van de dekenvisie op de klacht van klager over zijn advocaat ter discussie te stellen. Klager kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, zijn klacht over zijn advocaat laten toetsen door de raad van discipline. Binnen de kaders van die procedure kan klager al zijn bezwaren over het klachtonderzoek door de deken naar voren brengen. Ook kan klager toelichten op welke punten de dekenvisie niet deugt en de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan de deken. 

2.4    Gelet op het voorgaande zal de voorzitter de klacht van klager over de deken niet verwijzen.


3    BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

- wijst het verzoek tot verwijzing af.


Deze beslissing is genomen op 22 oktober 2026 door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 22 oktober 2026.