ECLI:NL:TAHVD:2026:338 Hof van Discipline 's Gravenhage 260387
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:338 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-10-2026 |
| Datum publicatie: | 22-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260387 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Afwijzing verzoek tot verwijzing (artikel 46c lid 5 Advocatenwet). De onderhavige klacht van klager is de derde klacht van klager die gaat over het onderzoek van de deken van de klacht van klager over mr. D. (terwijl daarover een onherroepelijke tuchtrechtelijke beslissing is genomen) en de tweede klacht over de aanwijzing van de deken van mr. S als advocaat ten behoeve van klager. Door over beide kwesties opnieuw een klacht in te dienen, zonder dat er sprake is van nieuwe feiten, zal deze klacht niet worden verwezen. De voorzitter is voorts van oordeel dat klager misbruik maakt van zijn klachtrecht in de zin van de Advocatenwet. Klager is hierop reeds gewezen in de beslissing van 11 juni 2026. Aan dit handelen van klager moet thans paal en perk worden gesteld. Indien verzoeker een volgende klacht indient over de deken die verband houdt met mr. D en/of mr. S zal die klacht niet in behandeling worden genomen. |
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 22 oktober 2026
in de zaak 260387
naar aanleiding van de klacht van:
klager
tegen:
mr. I. Aardoom-Fuchs
advocaat en deken van de Orde van Advocaten Den Haag
de deken
1 HET VERZOEK
De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht (inclusief bijlage) van
klager van
2 oktober 2026 waarin klager een klacht indient over de deken. Samengevat gaat de
klacht van klager over het onderzoek van de deken van de klacht van klager over mr.
D en een eerder genomen aanwijzingsbesluit van de deken waarin de deken mr. S heeft
aangewezen ten behoeve van klager.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 Klager heeft in februari 2024 bij de deken een klacht ingediend over mr. D. Naar aanleiding van het onderzoek van die klacht door de deken heeft klager in november 2024 een klacht ingediend over de deken. Die klacht is, na verwijzing door het hof, onderzocht door de deken Oost-Brabant. Na betaling van het griffierecht door klager is de klacht ter behandeling voorgelegd aan de raad van discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad). De voorzitter van de raad heeft de klacht van klager over de deken kennelijk ongegrond verklaard. Het tegen die beslissing door klager ingestelde verzet is bij beslissing van de raad van 7 april 2026 ongegrond verklaard (ECLI:NL:TADRSHE:2026:44).
2.3 Op 5 mei 2026 heeft klager bij het hof een klacht ingediend die opnieuw gaat over het onderzoek van de deken van de klacht van klager over mr. D. Die klacht is door de voorzitter van het hof bij beslissing van 11 juni 2026 wegens het ontbreken van nieuwe feiten niet verwezen (ECLI:NL:TAHVD:2026:178). Daarbij is door de voorzitter overwogen dat klager misbruik maakt van het klachtrecht.
2.4 Op 26 februari 2026 heeft klager bij het hof een klacht ingediend over de deken die betrekking heeft op het aanwijzingsbesluit van de deken van 22 augustus 2025. In dit besluit heeft de deken mr. S als advocaat aan klager aangewezen. Die klacht is door de voorzitter van het hof bij beslissing van 19 maart 2026 niet verwezen omdat het klachtrecht niet is bedoeld als middel om een aanwijzingsbeslissing van een deken ter discussie te stellen (ECLI:NL:TAHVD:2026:100).
2.5 De onderhavige klacht van klager is de derde klacht van klager die gaat over
het onderzoek van de deken van de klacht van klager over mr. D. (terwijl daarover
een onherroepelijke tuchtrechtelijke beslissing is genomen) en de tweede klacht over
de aanwijzing van de deken van mr. S als advocaat ten behoeve van klager. Door over
beide kwesties opnieuw een klacht in te dienen, zonder dat er sprake is van nieuwe
feiten, zal deze klacht niet worden verwezen.
De voorzitter is voorts van oordeel dat klager misbruik maakt van zijn klachtrecht
in de zin van de Advocatenwet. Klager is hierop reeds gewezen in de beslissing van
11 juni 2026. Aan dit handelen van klager moet thans paal en perk worden gesteld.
Indien verzoeker een volgende klacht indient over de deken die verband houdt met mr.
D en/of mr. S zal die klacht niet in behandeling worden genomen.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
- wijst het verzoek tot verwijzing af;
en
- bepaalt dat een volgende klacht van klager over de deken die verband houdt met mr. D en/of mr. S niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is genomen op 22 oktober 2026 door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend
voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 22 oktober 2026.