ECLI:NL:TAHVD:2026:337 Hof van Discipline 's Gravenhage 260377
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:337 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-10-2026 |
| Datum publicatie: | 22-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260377 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Klacht over deken niet verwezen op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Het hof stelt voorop dat afwijzing van een - kort gezegd - verwijzingsverzoek slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn. Het is echter vaste jurisprudentie van het hof dat afwijzing aan de orde is wanneer er een andere procedure voor behandeling van de klacht openstaat. De klacht van klager heeft betrekking op de procedure in het kader van het aanwijzingsverzoek van klager op grond van artikel 13 Advocatenwet. Klager kan zijn bezwaren daarom in de lopende beklagprocedure naar voren brengen. Het klachtrecht is er niet voor bedoeld om buiten die lopende procedure separaat een klacht over de deken aanhangig te maken. |
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 22 oktober 2026
in de zaak 260377
naar aanleiding van een klacht van:
klager
over:
mr. G.H.H. Kerkhof
advocaat en deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel
de deken
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar de e-mail van 25 augustus 2026, met bijlagen, van klager. Daarmee heeft klager, mede namens [G], een klacht ingediend over de deken. In de bij de e-mail gevoegde brief van klager van 25 augustus 2026 heeft klager zijn klacht over de deken nader onderbouwd.
1.2 Zoals ook blijkt uit de van klager ontvangen stukken, heeft klager beklag ingesteld tegen de beslissing van de deken van 9 juli 2026, waarbij klagers hernieuwde verzoek om aanwijzing van een advocaat is afgewezen. Dit beklag is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 260280 (hierna: de beklagzaak). In de beklagzaak heeft de deken op 25 augustus 2025 haar reactie in dupliek ingediend. Volgens klager bevat de dupliek nieuwe, door de deken zelf vastgelegde feiten en standpunten die een zelfstandig integriteits- en toezichtsvraagstuk zichtbaar maken. Klager verzoekt daarom om een afzonderlijke registratie en onafhankelijke verwijzing overeenkomstig artikel 46c lid 5 Advocatenwet en artikel 12 van het Procesreglement van het hof.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe in deze zaak echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 Het hof stelt voorop dat afwijzing van een - kort gezegd - verwijzingsverzoek slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn. Het is echter vaste jurisprudentie van het hof dat afwijzing aan de orde is wanneer er een andere procedure voor behandeling van de klacht openstaat. De klacht van klager heeft betrekking op de procedure in het kader van het aanwijzingsverzoek van klager op grond van artikel 13 Advocatenwet. Klager kan zijn bezwaren daarom in de lopende beklagprocedure naar voren brengen. Het klachtrecht is er niet voor bedoeld om buiten die lopende procedure separaat een klacht over de deken aanhangig te maken. Daarom zal de voorzitter de klacht over de deken niet verwijzen. Voor een beslissing op de overige door klager in zijn brief van 25 augustus 2026 onder 7 gedane cumulatieve verzoeken is - voor zover daaraan op grond van het vorenstaande niet wordt voldaan - in deze procedure geen plaats.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is genomen op 22 oktober 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 22 oktober 2026.