ECLI:NL:TAHVD:2026:336 Hof van Discipline 's Gravenhage 260341
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:336 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-10-2026 |
| Datum publicatie: | 22-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260341 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Klacht over deken niet verwezen op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Het klachtrecht is niet bedoeld om het hof te verzoeken te interveniëren in een lopend klachtonderzoek van een deken. Het hof heeft daartoe ook geen wettelijke bevoegdheid. Klager kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, zijn klacht over de deken laten toetsen door de raad. Binnen de kaders van die procedure kan klager al zijn bezwaren over het klachtonderzoek door de deken onder de aandacht van de raad brengen en aanvoeren dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan de deken. |
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 22 oktober 2026
in de zaak 260341
naar aanleiding van een klacht van:
klager
over:
mr. I. Aardoom-Fuchs
advocaat en deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
de deken
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar de e-mail van 11 augustus 2026 van
klager. Bij de e-mail is als bijlage een brief van klager van 7 augustus 2026 gevoegd,
waarmee klager een klacht heeft ingediend over de deken.
1.2 Uit voornoemde brief van klager en de overige van klager ontvangen stukken
leidt de voorzitter af dat klager bij de deken een klacht heeft ingediend over een
advocaat, mr. S, en dat de deken zich op voorhand heeft uitgelaten over de al dan
niet gegrondheid van de klacht. Het standpunt van klager is dat de deken, door zonder
nader onderzoek en hoor bij de wederpartij en zonder inhoudelijke beoordeling van
de nieuwe verwijten te concluderen dat de klacht kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk
is, heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe in deze zaak echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 Met zijn e-mail van 11 augustus 2026 heeft klager een e-mail van een stafjurist van de Orde van Advocaten Den Haag meegestuurd. Door de stafjurist is aan klager meegedeeld dat mr. S thans aan zet is om op de klacht van klager te reageren, en dat het dossier daarna - al dan niet na bijstelling van het dekenstandpunt - naar de Raad van Discipline (hierna: de raad) zal worden gestuurd. De stafjurist concludeert dat de klachtprocedure dus nog loopt.
2.3 Het klachtrecht is niet bedoeld om het hof te verzoeken te interveniëren in een lopend klachtonderzoek van een deken. Het hof heeft daartoe ook geen wettelijke bevoegdheid. Klager kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, zijn klacht over de deken laten toetsen door de raad. Binnen de kaders van die procedure kan klager al zijn bezwaren over het klachtonderzoek door de deken onder de aandacht van de raad brengen en aanvoeren dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan de deken. Daarom zal de voorzitter de klacht tegen de deken niet verwijzen.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is genomen op 22 oktober 2026 door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 22 oktober 2026.