ECLI:NL:TAHVD:2026:335 Hof van Discipline 's Gravenhage 260092

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:335
Datum uitspraak: 16-10-2026
Datum publicatie: 20-10-2026
Zaaknummer(s): 260092
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over eigen advocaat. Klaagster heeft verweerder bijgestaan bij het indienen van klachten tegen de politie. Onder verantwoordelijkheid van verweerster is een beroepsfout gemaakt door een termijn te laten verlopen. De raad heeft geoordeeld dat niet iedere beroepsfout tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert en heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Hof van Discipline oordeelt dat de beroepsfout van verweerster wel tuchtrechtelijk verwijtbaar is, maar dat er gronden zijn om af te zien van het opleggen van een maatregel. Het hof heeft hierbij meegewogen dat verweerster zich als een redelijk handelend advocaat heeft ingespannen om de gemaakte fout te herstellen. Zo heeft zij onder meer haar excuses heeft aangeboden, getracht om de klacht alsnog behandeld te krijgen en haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar op de hoogte gebracht van de fout. 


Beslissing van 16 oktober 2026
in de zaak 260092

naar aanleiding van het hoger beroep van:


klager

gemachtigde mr. R. Tamourt, advocaat te Burgum, 

tegen:

verweerster

1    INLEIDING

1.1 Klaagster heeft verweerder bijgestaan bij het indienen van klachten tegen de politie. Onder verantwoordelijkheid van verweerster is een beroepsfout gemaakt door een termijn te laten verlopen. Hierdoor is de klacht van klager over het optreden van de politie op 11 mei 2023 te laat ingediend. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna de raad) heeft geoordeeld dat niet iedere beroepsfout tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert en heeft de klacht ongegrond verklaard. Verweerster heeft gedaan wat zij in de ontstane situatie als een redelijk handelend advocaat behoorde te doen. Klager is gecompenseerd in de kosten en het is de raad niet gebleken dat klager verder nadelige gevolgen heeft ondervonden van het handelen van verweerster. Klager is in beroep gekomen. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) oordeelt dat de beroepsfout van verweerster wel tuchtrechtelijk verwijtbaar is, maar dat er gronden zijn om af te zien van het opleggen van een maatregel. Het hof heeft hierbij meegewogen dat verweerster zich als een redelijk handelend advocaat heeft ingespannen om de gemaakte fout te herstellen. Zo heeft zij onder meer haar excuses heeft aangeboden, getracht om de klacht alsnog behandeld te krijgen en haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar op de hoogte gebracht van de fout. 

1.2  Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt. 

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 25-680/A/A) een beslissing gegeven op 2 maart 2026. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2026:45 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 16 maart 2026 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad;
-    een e-mail van klager van 21 juni 2026 met bijlagen (waaronder een aanvullende memorie van 23 april 2026 en een reactie op dupliek van 7 maart 2025);
 
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 21 augustus 2026. Daar zijn klager, de gemachtigde van klager en verweerster verschenen. Klager en verweerster hebben hun standpunten nader toegelicht. 


3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2     In februari 2024 heeft klager aan verweerster en mr. K, destijds juridisch medewerker op het kantoor van verweerster, gevraagd om hem juridische bijstand te verlenen. Klager wilde bij de Politie Eenheid Amsterdam klachten indienen, omdat hij naar zijn zeggen bij twee incidenten - op 11 mei 2023 en 4 september 2023 - door de politie is mishandeld.

3.3    Bij beslissing van 22 maart 2024 heeft de Raad voor Rechtsbijstand de toevoegingsaanvraag voor klager afgewezen. Verweerster heeft tegen deze beslissing bezwaar aangetekend.

3.4    In een e-mailbericht van 2 april 2024 heeft klager aan mr. K geschreven, voorzover relevant: 

“(…) Regarding the decision of the Raad on the toevoeging. I have looked at the data, I don't agree with their decision but I do not want to waste time waiting for the appeal process. That's     why I have assured you that I will pay for it myself and I will so that you can continue it for now.  (…)”

3.5     Verweerster en mr. K hebben de klacht over het incident van 11 mei 2023 op 14 mei 2024 bij de politie ingediend.

3.6    In een e-mailbericht van 10 juli 2024 heeft de klachtbehandeling van de politie aan mr. K bericht dat de klacht wegens een termijnoverschrijding niet in behandeling wordt genomen.

3.7     In een e-mailbericht van 30 juli 2024 heeft mr. K aan klager geschreven, voor zover relevant: 

“Of course this was not sabotage work.
We find it very unfortunate. I had contact with [verweerster] and the request is that you complete the additional questions as soon as possible so that she ([verweerster]) can make an assessment of whether the actions of the reporting officers involved on the 4th of September are worthy of complaint. That is a judgement made by the police.
If the police action of September 4 has indeed proven to be worthy of a complaint, then there is a possibility that the action on May 11 will be included in this. But then again, this is a judgement made by the police.
 It depends on what the police will do with the most recent complaint. I would very kindly ask you to fill in the questionnaire so that [Verweerster] can handle the procedure further. You can also contact her if you have any     questions.”

3.8     Klager heeft hierop dezelfde dag gereageerd met, voor zover relevant: 
“(…) I will focus on the 11 May 2023 as an individual case that needs to be investigated and dealt with properly. I'm not counting on any luck for 4th september 2023. There are already too many cover up stories. I will put this narative out in the media if I have to.”

3.9     In een e-mailbericht van 2 augustus 2024 heeft verweerster aan klager geschreven, voor zover relevant: 

“(…) Once again, I would like to emphasise that we deeply regret the course of events and I once again offer you my apologies for this. We previously offered, due to this course of events, not to have you pay the remainder of the outstanding invoices. In addition, I would like to propose to you to refund the already paid portion of the invoices to you. Also, I would like to point out the internal complaints procedure of our office. This procedure means that you can     submit a complaint to our complaints officer due to missing the deadline within which the complaint regarding the incident of 11 May 2023 should have been submitted. Our complaints officer will then handle this complaint.

Finally, I would like to inform you about the possibility - given the missed deadline for filing the complaint regarding the incident of 11 May 2023 - to make a claim under our professional liability insurance. The insurer with whom our insurance was taken out can assess the professional error made (missing the deadline) and determine whether you have suffered financial damage as a result. If so, this damage can be compensated by the insurer. I would like to hear from you  whether you wish to make use of this possibility. (…)”

3.10     Klager heeft hierna de klachtenprocedure bij het kantoor van verweerster (en mr. K) doorlopen. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.

3.11     Bij beslissing van 19 september 2024 heeft de Raad voor Rechtsbijstand een verzoek van verweerster om peiljaarverlenging toegewezen en de toevoeging voor klager ontvangen.

3.12     In een e-mailbericht van 5 december 2024 heeft een medewerker van het kantoor van verweerster aan klager geschreven, voor zover relevant: 

“Thank you for confirming that the refunded amount has been received in good order.
As far as we are concerned, we have offered a more than reasonable compensation and the matter is now closed.

If you believe that you have suffered damage, you are requested to substantiate this with documents and reasons and the amount in which you would have suffered damage.
We will then forward this email to our insurer. I would like to point out that you cannot derive any rights from this.

I trust that I have informed you sufficiently.”

3.13     Klager heeft op 17 december 2024 bij de deken klachten ingediend over verweerster en mr. K.

3.14      De deken heeft na een gezamenlijk onderzoek naar deze klachten, de klachten met één aanbiedingsbrief aan de raad gestuurd. In deze beslissing wordt uitsluitend beslist op de klacht over verweerster (25-680/A/A).

3.15     De klacht tegen mr. K is bij voorzittersbeslissing van 17 november 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de klacht ziet op gedragingen van mr. K op het moment dat hij nog geen advocaat was en het advocatentuchtrecht niet op hem van toepassing was (ECLI:NL:TADRAMS:2025:211). Het verzet tegen deze beslissing is door de raad op 20 april 2026 ongegrond verklaard (ECLI:NL:TADRAMS:2026:88)

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat verweerster (en mr. K) de klacht van klager over het optreden van de politie op 11 mei 2023 opzettelijk te laat heeft ingediend.

5    BEOORDELING RAAD

5.1    De raad heeft – na uiteenzetting van het toetsingskader – op grond van het klachtdossier vastgesteld dat verweerster een fout heeft gemaakt. Onder haar verantwoordelijkheid is een klacht van klager tegen de politie te laat ingediend en heeft de politie wegens deze termijnoverschrijding de klacht niet in behandeling genomen. De raad heeft daarnaast vastgesteld dat verweerster nadat zij de fout had geconstateerd, contact heeft opgenomen met de politie en heeft voorgesteld de klacht samen met een andere, later ingediende klacht van klager, in behandeling te laten nemen. De politie stond niet onwelwillend tegenover dit voorstel. Klager is op 30 juli 2024 (door mr. K) per e-mail over deze mogelijkheid geïnformeerd. Klager heeft dezelfde dag in reactie hierop aan mr. K laten weten hiermee niet akkoord te gaan, gesteld dat hij de klachten separaat behandeld wilde hebben en heeft de aanvullende vragen van de politie niet beantwoord. Bij e-mailbericht van 2 augustus 2024 heeft verweerster (nogmaals) haar spijt richting klager betuigd. Klager is aangeboden om het reeds door hem betaalde bedrag te restitueren, hetgeen ook is gebeurd. Ook is klager gewezen op de interne klachtenregeling van kantoor. Daarnaast is klager door verweerster geïnformeerd over de mogelijkheid tot het aanspreken van haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar voor het vaststellen van de mogelijk door klager geleden schade, aldus de raad.

5.2    De raad heeft gelet op het voorgaande geoordeeld dat er geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster. Volgens de raad levert niet iedere beroepsfout tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Verweerster heeft gedaan wat zij in de ontstane situatie als een redelijk handelend advocaat behoorde te doen. Zij heeft haar excuses aangeboden en daarna de noodzakelijke inspanningen verricht om de gemaakte fout te doen herstellen. Klager is gecompenseerd in de kosten en het is de raad niet gebleken dat klager verder nadelige gevolgen heeft ondervonden van het handelen van verweerster, aldus de raad. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. 


6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1    Klager richt zich in zijn beroepschrift tegen het oordeel van de raad dat er door klaagster weliswaar een fout is gemaakt, maar dat deze fout niet leidt tot tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. Volgens klager is dit oordeel onjuist, omdat het bewaken van procedurele termijnen tot de kernverantwoordelijkheden van een advocaat behoort. In de tuchtrechtelijke jurisprudentie van het hof is herhaaldelijk overwogen dat het missen van een fatale termijn in beginsel tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Door de klacht pas op 14 mei 2024 in te dienen, heeft verweerster een termijn overschreden, hetgeen ertoe heeft geleid dat de klacht inhoudelijk niet meer werd behandeld. Hierdoor is klager de mogelijkheid ontnomen om zijn klacht over politieoptreden inhoudelijk te laten beoordelen, aldus klager. Dat verweerster na ontdekking van de fout excuses heeft aangeboden en een deel van de kosten heeft terugbetaald, is weliswaar positief, maar kan de beroepsfout niet ongedaan maken. 

6.2    Dat klager een voorstel van verweerster zou hebben geweigerd om de klachten te combineren, geeft volgens klager een onvolledig beeld van de feitelijke gang van zaken. Klager stelt dat hij vanaf het begin van de opdracht uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de klachten niet gecombineerd mochten worden. Juist omdat klager bezorgd was dat het combineren van de klachten zou kunnen leiden tot het missen van de klachttermijn, heeft hij verweerders herhaaldelijk verzocht om de klacht betreffende het incident van 11 mei 2023 vóór 11 mei 2024 in te dienen. Ook de vaststelling van de raad dat klager niet heeft gereageerd op aanvullende vragen van de politie is volgens klager feitelijk onjuist. Klager heeft zowel bij de politie als bij de deken duidelijk gemaakt dat hij wel degelijk heeft gereageerd op de vragen van de politie. Volgens klager heeft hij zelf contact opgenomen met de politie om de voortgang van de klacht te volgen. 

6.3    Tijdens de mondelinge behandeling heeft klager nog nader toegelicht dat hij verweerster (en mr. K) met name verwijt dat zij nadat de beroepsfout was gemaakt, hem niet meer heeft willen bijstaan in de (klacht)procedure bij de politie. Bij e-mail van 30 juli 2024 heeft mr. K aan klager bericht dat klager alleen zou worden bijgestaan bij het indienen van de klacht, maar niet verder zou worden bijgestaan in de rest van de procedure bij de politie (waaronder het beantwoorden van de vragen van de politie). Het hof begrijpt dat klager van mening is dat verweerster hiertoe - tegen de achtergrond van de door haar gemaakte fout – wel gehouden was. Klager verwijt verweerster daarnaast dat zij onvoldoende kennis heeft van het recht en dat de termijnoverschrijding daarom opzettelijk is. Uit de e-mail van 30 juli 2024 volgt dat er door mr. K onderzoek is gedaan naar de termijn waarbinnen de klacht moest worden ingediend. Desondanks is de termijn niet bewaakt. Dit kan verweerster onder wiens verantwoordelijkheid mr. K werkzaam was, eveneens worden verweten, aldus klager. 

Verweer verweerster

6.4    Verweerster heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep. 

7    BEOORDELING HOF

Omvang van het hoger beroep

7.1    Het hof stelt voorop dat in deze procedure slechts de klacht die tegen verweerster is ingediend aan de orde is. De klacht tegen mr. K is bij voorzittersbeslissing van 17 november 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het verzet hiertegen is op 20 april 2026 ongegrond verklaard. Voorzover klager in zijn beroepschrift en zijn nader toegezonden memories zijn klachten tegen mr. K handhaaft, liggen deze niet ter beoordeling bij het hof voor. 

Maatstaf 
 
7.2    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.3    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

Overwegingen hof

7.4     Vast staat dat onder verantwoordelijkheid van klaagster een klacht van klager tegen de politie te laat is ingediend. Het hof is van oordeel dat dit een fout betreft waar verweerster verantwoordelijk voor was. Verweerster heeft de gemaakte fout ook erkend. Het hof is, anders dan de raad, van oordeel dat verweerster op dit punt wel een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Het bewaken van termijnen behoort tot de kerntaken van een advocaat. Door onder haar verantwoordelijkheid een termijn te laten verstrijken, waardoor de politie de klacht van klager niet in behandeling heeft genomen, heeft verweerster niet gehandeld als een redelijk advocaat betaamd en heeft zij de norm van artikel 46 Advocatenwet geschonden. De klacht van klager is daarom gegrond.

8    MAATREGEL

8.1    Hoewel een gegronde klacht in beginsel het opleggen van een maatregel rechtvaardigt, ziet het hof in deze zaak geen aanleiding om een maatregel op te leggen en volstaat het hof met een gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel. 

8.2    Het hof heeft hierbij meegewogen dat verweerster niet zelf de fout heeft begaan, maar dat deze onder haar verantwoordelijkheid door een juridisch medewerker is gemaakt. Toen verweerster op de hoogte raakte van de gemaakte fout heeft zij niet alleen (meermaals) haar excuses aangeboden, maar ook zich ingespannen om de gemaakte fout te herstellen. Verweerster heeft contact opgenomen met de politie en voorgesteld om de klacht samen met een andere, latere klacht van klager, in behandeling te laten nemen. Hierdoor zou de klacht mogelijk alsnog door de politie bij de andere klachtprocedure kunnen worden ‘meegenomen’. De politie stond ook niet onwelwillend tegenover dit voorstel. Klager heeft vervolgens zelf aan verweerster laten weten niet met dit voorstel akkoord te gaan en aangegeven dat hij de klachten separaat behandeld wilde zien. Dat klager – naar zijn eigen stelling – vanaf het begin duidelijk had aangegeven dat het hem te doen was om de klacht over het incident van 11 mei 2023, maakt het voorgaande niet anders, omdat ten tijde van het voorstel de beroepsfout al gemaakt was en de separate behandeling van de klacht over het incident op 11 mei 2023 op dat moment al een gepasseerd station was. 

8.3    Het hof acht daarnaast van belang dat verweerster heeft aangeboden om het reeds door klager betaalde bedrag te restitueren, hetgeen ook is gebeurd, en het resterende bedrag niet bij klager in rekening heeft gebracht. Daarnaast heeft zij klager gewezen op de interne klachtenregeling van haar kantoor en heeft zij klager geïnformeerd over de mogelijkheid van het aanspreken van haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en het incident bij haar verzekeraar gemeld. Het hof is in zoverre met de raad van oordeel dat verweerster in de ontstane situatie heeft gedaan wat een redelijk handelend advocaat behoorde te doen. Tegen die achtergrond is het hof van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om aan verweerster een maatregel op te leggen. 

9    PROCESKOSTEN

9.1    Omdat het hof geen maatregel oplegt, is er geen grond voor een proceskostenveroordeling. 


10    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1     vernietigt de beslissing van 2 maart 2026 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-680/A/A;

en doet opnieuw recht:

10.2     verklaart de klacht gegrond zonder oplegging van een maatregel.

Deze beslissing is genomen door J.D. Streefkerk, voorzitter, en mrs. R. van der Hoeven en P.J.G. van den Boom, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.


griffier    voorzitter       

De beslissing is verzonden op 16 oktober 2026.