ECLI:NL:TAHVD:2026:333 Hof van Discipline 's Gravenhage 260218
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:333 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-10-2026 |
| Datum publicatie: | 20-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260218 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. |
Beslissing van 19 oktober 2026
in de zaak 260218
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster
tegen:
de deken
1 HET BEKLAG
1.1 Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. De deken heeft dit verzoek afgewezen bij beslissing van 7 mei 2026. Klaagster heeft tijdig een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.2 De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag dat klaagster ondanks herhaald schriftelijk verzoek van de stafjurist van de deken niet heeft voldaan aan haar verzoek om nadere informatie te verstrekken en stukken te overleggen, zodat de deken dientengevolge niet kan beoordelen of de door haar gewenste procedure een redelijke kans van slagen heeft. Klaagster heeft volgens de deken ook niet aangetoond dat zij er niet in is geslaagd om zelf een advocaat te vinden.
2 DE PROCEDURE BIJ HET HOF
2.1 Het beklag is op 7 juni 2026 ontvangen door de griffie van het hof.
2.2 Verder bevat het dossier het verweer van de deken, met bijlagen.
2.3 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. De e-mail van klaagster van 24 juli 2026 is niet aan het dossier toegevoegd daar deze buiten de gestelde termijn in de brief van 26 juni 2026 van het hof, is ontvangen.
3 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.1 Op 26 februari 2026 heeft klaagster een verzoek om aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 van de Advocatenwet ingediend in verband met het starten van een procedure tot vernietiging van het door haar op 3 november 2022 ondertekende echtscheidingsconvenant, omdat er volgens klaagster sprake is van dwaling en misbruik van omstandigheden. Klaagster heeft daartoe aangevoerd dat zij ten tijde van de ondertekening van het convenant ernstig ziek en bedlegerig was, niet beschikte over een eigen advocaat en niet in staat was haar belangen zelfstandig te behartigen. Bij beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 23 november 2022 is de echtscheiding tussen klaagster en haar ex-partner uitgesproken; het echtscheidingsconvenant maakt deel uit van de beschikking.
3.2 Per e-mail van 26 februari 2026 heeft de stafjurist van deken klaagster geïnformeerd over de voorwaarden om in aanmerking te komen voor aanwijzing van een advocaat en klaagster verzocht nadere informatie en stukken te verstrekken over het wilsgebrek (dwaling dan wel misbruik van omstandigheden). De stafjurist heeft klaagster daarbij onder meer gevraagd of er medische stukken beschikbaar zijn, waaruit haar slechte gezondheidstoestand blijkt. Ook heeft de stafjurist klaagster gevraagd waaruit blijkt dat zij is uitgegaan van verkeerde informatie die door haar ex-echtgenoot is verstrekt en verzocht aan te geven om welke informatie het gaat. Voorts heeft de stafjurist klaagster gevraagd naar de wijze waarop zij destijds contact heeft gehad met de gezamenlijke echtscheidingsadvocaat en gevraagd om correspondentie van de gezamenlijke echtscheidingsadvocaat. De stafjurist heeft de reden van die verzoeken toegelicht. De stafjurist heeft klaagster er ook op gewezen dat de vordering tot vernietiging van het convenant mogelijk is verjaard. Tot slot heeft de stafjurist klaagster verzocht om vijf schriftelijke afwijzingen van advocaten die zij benaderd heeft.
3.3 Per e-mail van 4 maart 2026 heeft klaagster aan de stafjurist medegedeeld dat zij bezig is met het verzamelen van alle relevante documenten en stukken die haar standpunt onderbouwen en dat aangegeven dat zij de verzochte informatie tijdig zal verstrekken.
3.4 Op 22 april 2026 heeft de stafjurist gerappelleerd en klaagster daarbij een termijn van twee weken gesteld om nadere informatie te verstrekken en stukken te overleggen.
3.5 Bij beslissing van 7 mei 2026 heeft de deken het verzoek tot aanwijzing van een advocaat afgewezen.
4 BEOORDELING
Beklag
4.1 Klaagster voert het volgende aan.
Ten onrechte heeft de deken gesteld dat klaagster niet heeft voldaan aan de verzoeken van de stafjurist om nadere informatie en stukken te verstrekken. De deken is bij de beoordeling van het verzoek uitgegaan van onjuiste en onvolledige feiten.
Toelichting
Klaagster heeft tijdig, binnen de gestelde termijn, relevante informatie, documenten en bewijsstukken aan verweerder heeft verstrekt. Zo heeft klaagster op 5 mei 2026 haar medisch dossier aan verweerder verstrekt. Ook heeft klaagster een overzicht verstrekt van advocaten die zij heeft benaderd, maar die haar niet konden bijstaan. Verweerder heeft die informatie niet op zijn juiste merites heeft beoordeeld. Verweerder heeft ook geen rekening gehouden met de klemmende situatie waarin klaagster zich bevindt.
Verweer deken
4.2 Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
Toetsingskader
4.3 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling
4.4 Het hof overweegt allereerst dat bij de beoordeling van belang is dat de voorziening van artikel 13 Advocatenwet geen absolute waarborg is voor daadwerkelijke toegang tot de rechter. Het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter is niet absoluut, maar mag aan verschillende beperkingen worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem, waaronder het betalen van een eigen bijdrage, is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79).
4.5 Uit het dossier komt naar voren dat de stafjurist - om vast te kunnen stellen dat een procedure tot vernietiging van het echtscheidingsconvenant een redelijke kans van slagen - klaagster heeft gevraagd om een aantal concrete gegevens te verstrekken, waaronder medische stukken en informatie waaruit blijkt dat zij is uitgegaan van verkeerde informatie die door haar ex-echtgenoot is verstrekt.
4.6 Het hof is met de deken van oordeel dat klaagster onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen om de kans van slagen van een juridische procedure te kunnen beoordelen. Klaagster heeft ondanks de gelegenheid die de deken heeft geboden, niet voldoende relevante informatie verstrekt en/of schriftelijke stukken overgelegd ter onderbouwing van haar verzoek. Verder is gebleken dat klaagster ook niet de gestelde vragen van de stafjurist afdoende beantwoord. Aldus beschikte de deken niet over de benodigde informatie. De deken heeft het verzoek dan ook terecht afgewezen. Ook in deze beklagprocedure heeft klaagster bij haar beklag geen nadere stukken in het geding gebracht die een eventuele vernietiging van het echtscheidingsconvenant kunnen onderbouwen.
4.7 Het hof zal daarom het beklag ongegrond verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 7 mei 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland ongegrond.
Deze beslissing is gewezen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 19 oktober 2026.