ECLI:NL:TAHVD:2026:331 Hof van Discipline 's Gravenhage 260121

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:331
Datum uitspraak: 16-10-2026
Datum publicatie: 19-10-2026
Zaaknummer(s): 260121
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Beklag tegen beslissing raad van toezicht houdende verzet tegen de inschrijving
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Klager heeft op 22 februari 2026 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van de Orde. De raad heeft primair besloten het verzoek tot inschrijving buiten behandeling te laten omdat dit nieuwe verzoek is ingediend binnen een jaar nadat een eerder verzoek van klager van 8 juli 2025 definitief is geweigerd. Op grond van artikel 2 lid 9 Advocatenwet (hierna: Advw) wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van de inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. De beslissing van de raad, d.d. 23 september 2025, op het eerdere verzoek van klager van 8 juli 2025 is met de uitspraak van dit hof van 13 februari 2026 onherroepelijk geworden, zodat het herhaalde verzoek van klager van 22 februari 2026 binnen een jaar na 23 september 2025 is ingediend. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving op grond van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw, echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw.

Beslissing van 16 oktober 2026
in de zaak 260121

    

naar aanleiding van het beklag van:

        
klager

    
tegen:


de raad van de orde

1    INLEIDING 

1.1    Klager heeft op 22 februari 2026 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van de Orde in het arrondissement Rotterdam (hierna: de raad). De raad heeft primair besloten het verzoek tot inschrijving buiten behandeling te laten omdat dit nieuwe verzoek is ingediend binnen een jaar nadat een eerder verzoek van klager van 8 juli 2025 definitief is geweigerd. Op grond van artikel 2 lid 9 Advocatenwet (hierna: Advw) wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van de inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. De beslissing van de raad, d.d. 23 september 2025, op het eerdere verzoek van klager van 8 juli 2025 is met de uitspraak van dit hof van 13 februari 2026 onherroepelijk geworden, zodat het herhaalde verzoek van klager van 22 februari 2026 binnen een jaar na 23 september 2025 is ingediend. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving op grond van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw, echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk.
Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw.

1.2     Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad van de orde en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof de feiten en het verzoek en de weigering op een rij. Daarna volgen de gronden van het beklag en hoe het hof tot zijn oordeel komt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van de orde

2.1     Klager heeft op 22 februari 2026 bij de raad een herhaald verzoek ingediend tot inschrijving op het tableau als advocaat zoals bedoeld in artikel 2 Advw.
 
2.2    De raad heeft bij beslissing van 24 maart 2026 primair besloten het verzoek tot inschrijving niet in behandeling te nemen op grond van het feit dat dit nieuwe verzoek is ingediend binnen een jaar nadat klagers eerdere verzoek om inschrijving van 8 juli 2025 definitief is geweigerd (artikel 2, lid 9 Advw). Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. Volgens de raad is er anders dan klager heeft gesteld geen sprake van nieuwe omstandigheden. 

Bij het hof van discipline

2.3    Klager heeft op 25 maart 2026 op grond van artikel 5 Advw een beklag tegen de beslissing van de raad van de orde ingediend bij het hof.

2.4    Verder bevat het dossier het verweerschrift van de raad van de orde;

2.5    Het hof heeft het beklag van klager schriftelijk behandeld op basis van de stukken in het dossier. 
 

3    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast. 

3.1    Klager heeft zich op 16 september 2016 van het tableau laten schrappen.

3.2      Klager heeft op 12 juli 2021 bij de raad een verzoek in gediend tot inschrijving op het tableau. De raad heeft bij beslissing van 11 november 2021 geweigerd dit verzoek in behandeling te nemen. Op 21 november 2021 heeft klager een beklag op grond van artikel 5 Advw ingediend bij het hof. Bij beslissing van 4 april 2022 heeft het hof het beklag ongegrond verklaard (ECLI:NL:TAHVD:2022:79).

3.3    Klager heeft op 28 april 2023 wederom een verzoek bij de raad ingediend tot inschrijving op het tableau. Bij beslissing van 16 november 2023 is met toepassing van artikel 4 lid 1 onder a Advw geweigerd dit verzoek in behandeling te nemen. Op 24 november 2023 heeft klager tegen deze beslissing een beklag op grond van artikel 5 Advw ingediend bij het hof. Bij beslissing van 1 juli 2024 heeft het hof het beklag ongegrond verklaard (ECLI:NL:TAHVD:2024:190). Klager heeft vervolgens een herzieningsverzoek ingediend. Het hof heeft op 13 februari 2026 het herzieningsverzoek van klager afgewezen (ECLI:NL:TAHVD:2026:50).

3.4     Klager heeft op 1 juli 2024 wederom een verzoek bij de raad ingediend tot inschrijving op het tableau. De raad heeft bij beslissing van 8 augustus 2024 primair besloten het verzoek buiten behandeling te laten (op grond van artikel 2 lid 9 Advw) en subsidiair het verzoek geweigerd, op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. Op 10 augustus 2024 heeft klager tegen deze beslissing van 8 augustus 2024 een beklag als bedoeld in artikel 5 Advw ingediend. Dit beklag, met nummer 240221, is op 13 februari 2026 door het hof niet ontvankelijk verklaard (ECLI:NL:TAHVD:2026:49). 

3.5  Klager heeft op 8 juli 2025 wederom een verzoek bij de raad ingediend tot inschrijving op het tableau. De raad heeft op 23 september 2025 primair beslist om het verzoek tot inschrijving buiten  behandeling te laten en subsidiair geweigerd in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. Op 24 september 2025 heeft klager een beklag als bedoeld in artikel 5 Advw ingediend. Dit beklag, met nummer 250337, is met de beslissing van het hof van 13 februari 2026 niet-ontvankelijk verklaard (ECLI:NL:TAHVD:2026:48).


4    HET VERZOEK EN DE WEIGERING

4.1    Klager heeft op 22 februari 2026 opnieuw een verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de raad.

4.2    De raad heeft op het verzoek van klager bij beslissing van 24 maart 2026 beslist. De raad heeft overwogen dat het verzoek van klager van 22 februari 2026 primair op grond van artikel 2, lid 9 Advw buiten behandeling moet worden gelaten. Volgens de raad is het verzoek ingediend binnen een jaar nadat klagers eerdere verzoek van 8 juli 2025 om inschrijving definitief was geweigerd. Het hof heeft immers op 13 februari 2026 uitspraak gedaan in die zaak.

4.3    Ten overvloede heeft de raad overwogen dat er geen sprake is van nieuwe omstandigheden. Het tijdverloop is nog steeds hetzelfde. In dit verband heeft de raad aangegeven dat de laatste klacht tegen klager in de beslissing van het hof van 24 augustus 2020 (gedeeltelijk) gegrond is verklaard en dat het hof daarbij als maatregel een voorwaardelijke schorsing van (het hof begrijpt) 26 weken heeft opgelegd (ECLI:NL:TAHVD:2020:151). Het verzoek zou op grond van artikel 4 lid 1b Advw nog altijd moeten worden afgewezen op gelijke gronden als die op 23 september 2025 aan klager bekend zijn gemaakt. Dat de deken een opmerking heeft gemaakt dat de terugkijktijd niet onbeperkt is, maakt niet dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. De zienswijze van de raad is niet gewijzigd. 

4.4    De raad heeft primair besloten het verzoek tot inschrijving buiten behandeling te laten en subsidiair geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. 

5    DE BEOORDELING

Beklag

5.1    Klager heeft in het beklagschrift aangevoerd dat uit bestuursrechtelijke rechtspraak volgt dat een buitenbehandelingstelling géén afwijzing van de aanvraag is. Een hernieuwde poging om de aanvraag in te dienen is daarom juridisch gezien geen herhaalde aanvraag. De raad had daarom wel inhoudelijk moeten oordelen over het standpunt van klager dat de tuchtrechtelijke feiten zich zodanig lang geleden hebben afgespeeld dat zij niet meer mogen worden meegewogen bij zijn verzoek tot inschrijving op het tableau als advocaat.

5.2    Klager heeft verder uitdrukkelijk verzocht om zijn beklag uitsluitend schriftelijk af te doen om vertraging te voorkomen. Klager heeft in één van zijn vorige procedures bijna anderhalf jaar moeten wachten op een louter pro forma beslissing tot niet-ontvankelijkheid en voelt zich daardoor geminacht en heeft daardoor – naar zijn zeggen - onevenredig nadeel ondervonden. Klager stelt zich daarbij op het standpunt dat het hof niet de competente en integere rechter is waar hij volgens het EVRM recht op heeft. Klager twijfelt aan de deskundigheid van de behandelende rechters van het hof op het gebied van het bestuursrecht. Een buitenbehandelingstelling is géén materiële afwijzing en een nieuw verzoek is geen “herhaalde aanvraag” in de zin van artikel 4:6 Awb. De bevoegdheid en plicht tot heroverweging wordt hiermee onterecht genegeerd en het hof weigert inhoudelijk recht te spreken, aldus klager. De door het hof gegeven uitleg van artikel 2 lid 9 Advw, waarbij de jaartermijn pas gaat lopen ná het onherroepelijk worden van de weigering, is taalkundig onjuist, straft klager voor het indienen van rechtsmiddelen en creëert – met de trage besluitvorming van het hof – een staat van eeuwige niet-ontvankelijkheid. Klager is voornemens om de weigering via de doorbraakjurisprudentie alsnog aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor te leggen en/of het Europees Hof. 

Verweer 
5.3    De raad heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep. 


6    BEOORDELING HOF

Ontvankelijkheid van het beklag

6.1     Artikel 2 lid 9 Advw bepaalt dat indien een beslissing van de raad tot weigering van het in behandeling nemen van een verzoek tot inschrijving als bedoeld in artikel 4, eerste lid, Advw onherroepelijk is geworden, een nieuw verzoek dat is ingediend binnen een jaar na het geweigerde verzoek, buiten behandeling wordt gelaten. Naar het oordeel van het hof kan deze bepaling niet anders worden uitgelegd dan dat ná de beslissing van de raad tot weigering van het in behandeling nemen van een verzoek tot inschrijving als bedoeld in artikel 4, eerste lid, Advw een jaar moet zijn verstreken én dat daarnaast de beslissing van de raad tot weigering van het in behandeling nemen van het verzoek onherroepelijk moet zijn geworden.

6.2    De beslissing van de raad op het eerdere verzoek van klager van 8 juli 2025 van 23 september 2025 is met de uitspraak van dit hof van 13 februari 2026 onherroepelijk geworden, zodat het herhaald verzoek van klager van 22 februari 2026 binnen een jaar na 23 september 2025 is ingediend. De raad mocht het verzoek buiten behandeling laten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving op grond van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advocatenwet, niet de mogelijkheid van beklag open (zie HvD 30 mei 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:93). Het hof zal het beklag dan ook niet-ontvankelijk verklaren. 

6.3     Omdat de raad het verzoek van klager van 22 februari 2026 reeds terecht primair op grond van artikel 2 lid 9 Advw buiten behandeling heeft gelaten, komt het hof niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. 


7    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 24 maart 2026 van de Raad van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam niet-ontvankelijk. 

Deze beslissing is genomen door J.D. Streefkerk, voorzitter, en mrs. R. van der Hoeven en P.J.G. van den Boom, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.
                                                    

griffier    voorzitter    
  
De beslissing is verzonden op 16 oktober 2026.