ECLI:NL:TAHVD:2026:329 Hof van Discipline 's Gravenhage 260228
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:329 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-10-2026 |
| Datum publicatie: | 19-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260228 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 ongegrond. Herhaald verzoek. Geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden. |
Beslissing van 19 oktober 2026
in de zaak 260228
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. I. Aardoom-Fuchs
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft op 8 juni 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 12 juni 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het verzoek een hernieuwd verzoek betreft in dezelfde zaak waarin klager reeds eerder om een advocaat heeft verzocht.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 16 juni 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek
1.5 Het hof heeft het beklag van klager schriftelijk behandeld op basis van de stukken in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager heeft bij zijn verzoek om aanwijzing van een advocaat van 8 juni 2026 het volgende opgemerkt:
‘Mijn verzoek betreft meerdere samenhangende procedures waarin ik ondanks herhaalde pogingen geen advocaat bereid heb gevonden mij rechtsbijstand te verlenen. Het betreft onder meer:
• Raad van State, zaaknummer 202600004/1/A2; (Bestuursrecht)
• Herzieningsverzoek gerechtshof, zaaknummer 200.339.831; (Burgelijk procesrecht)
• Artikel 12 Sv-procedure bij het Gerechtshof Den Haag, zaaknummer K26/220126. (Strafrecht)
In deze procedures spelen vragen omtrent de rechtmatigheid van eerdere rechterlijke beslissingen, de gevolgen daarvan voor mijn rechtspositie en de beoordeling van door mij overgelegde bewijsstukken. Mijn belang is dat ik effectieve toegang krijg tot juridische bijstand om mijn rechtspositie in deze complexe procedures adequaat te kunnen behartigen. Hieronder kan ik maar 1 keuze van rechtsgebied invullen maar mijn zaken raken 3 rechtsgebieden zoals hierbij vermeld. SPOED: Er lopen momenteel procedures waarin tijdige en deskundige rechtsbijstand noodzakelijk is. Zonder rechtsbijstand wordt mijn mogelijkheid om mijn standpunten adequaat naar voren te brengen ernstig beperkt.’
2.2 De deken heeft erop gewezen dat klager zich op 14 juli 2025 met eenzelfde verzoek tot de deken heeft gewend. Dit verzoek is bekend onder nummer AA073 2025. Bij beslissing van 4 augustus 2025 heeft de deken dit verzoek afgewezen. De reden voor de afwijzing was dat voor de procedures waarvoor klager een advocaat heeft gevraagd (een procedure bij de Raad van State en art 12 procedure) geen sprake is van verplichte vertegenwoordiging door een advocaat en omdat de herzienings- of herroepingsprocedure in de civiele hoger beroepszaak met nummer 200.339.831 onvoldoende kans van slagen heeft.
2.3 Bij e-mail van 24 september 2025 heeft klager bij de deken bezwaar gemaakt tegen die afwijzing. In reactie daarop heeft de stafjurist aan klager bericht dat klager tegen de beslissing van de waarnemend deken van 4 augustus 2025 binnen 6 weken beklag kon instellen bij het Hof van Discipline. Vervolgens heeft klager op 25 april 2026 een e-mail gestuurd waarin hij te kennen gaf dat hij zijn verzoek handhaaft. Daarop heeft de stafjurist nogmaals aan klager bericht dat hij beklag had kunnen instellen bij het Hof van Discipline en dat de deken geen reden ziet om tot heroverweging over te gaan.
2.4 Omdat het verzoek van klager van 8 juni 2026 een herhaald verzoek betreft, in dezelfde zaak als waarvoor klager eerder om een advocaat heeft verzocht, heeft de deken het verzoek met de beslissing van 12 juni 2026 afgewez en. De deken overweegt daarbij ook dat nieuwe feiten of omstandigheden gesteld noch gebleken zijn.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek om aanwijzing van een advocaat onvoldoende zorgvuldig heeft beoordeeld en het verzoek ten onrechte heeft aangemerkt als een herhaling van een eerder verzoek uit 2025. De deken heeft nieuwe feiten, nieuwe procedures en nieuwe procesontwikkelingen onvoldoende bij de beoordeling betrokken. Sinds augustus 2025 hebben zich volgens klager belangrijke ontwikkelingen voorgedaan:
“a) Registratie artikel 12 Sv-procedure
Het gerechtshof Den Haag heeft op 9 maart 2026 bevestigd dat mijn klaagschrift op grond van artikel 12 Sv op 2 maart 2026 is ontvangen en geregistreerd onder kenmerk K26/220126
Deze procedure bestond ten tijde van de beslissing van 4 augustus 2025 nog niet.
b) nieuwe procedure bij de Raad van State
Bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State loopt een herzieningsprocedure onder zaaknummer 202600004/1/A2. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat hierover in 2026 nog correspondentie en behandeling plaatsvonden.
Ook deze procedure bestond niet ten tijde van de eerdere beslissing.
c) nieuwe processtukken en bewijsstukken
Sinds 2025 zijn aanvullende stukken beschikbaar gekomen die relevant zijn voor mijn rechtspositie en die niet konden worden betrokken bij het eerdere verzoek.”
3.2 Klager heeft in zijn repliek een overzicht van de voorgeschiedenis van de procedures die hij voert en wil voeren gegeven. Hij heeft aangevoerd dat de deken zij verzoek onvoldoende heeft beoordeeld in het licht van de actuele omvang van het dossier, de nieuwe procedures, de inspanningen om rechtsbijstand te verkrijgen en de overgelegde stukken.
Verweer
3.3 De deken heeft gewezen op de beslissing van 12 juni 2026 waarin reeds uitgebreid is aangegeven wat de reden is dat het verzoek van klager om een advocaat aan te wijzen is afgewezen.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 Het hof stelt voorop dat een herhaald verzoek in beginsel wordt afgewezen en dat een daartegen gericht beklag in beginsel ongegrond verklaard zal worden (zie hof 3 april 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:54, en hof 2 oktober 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:169). Dit kan anders zijn als sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Klager stelt dat daarvan sprake is.
4.3 Klager heeft bij het beklag stukken ingediend ter onderbouwing van zijn stelling dat er sprake is van meerdere samenhangende procedures op civielrechtelijke, bestuursrechtelijk en strafrechtelijk terrein, alsmede van nieuwe feiten en omstandigheden die zich sinds het vorige verzoek om aanwijzing van een advocaat in 2025 hebben voorgedaan. Volgens klager is sprake van nieuwe procedurele ontwikkelingen sinds augustus 2025 waarvoor een advocaat nodig is. Voor zover daarvan sprake is het hof van oordeel dat voor die procedures of geen bijstand van een advocaat is voorgeschreven (art. 12 Sv procedure en de procedure bij de Raad van State, kantongerecht procedure tegen Haagrecht Advocaten en de Stichting Geschillencommissie Advocatuur) of dat geoordeeld moet worden dat de gewenste procedure geen redelijke kans van slagen heeft (de herzieningsprocedure op grond van een ‘vervalst arrest’ en een aansprakelijkheidsprocedure jegens de deurwaarder wegens het tenuitvoerleggen van ondeugdelijke executoriale titel (naar het hof begrijpt een ‘vervalste uitspraak’). De gestelde nieuwe ontwikkelingen leiden er dan ook niet toe dat het beklag gegrond moet worden verklaard en dat er aanleiding is voor herbeoordeling door de deken.
Conclusie
4.4 Het beklag van klager tegen de beslissing van de deken zal op grond van het voorgaande ongegrond worden verklaard.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 14 juni 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026 .
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 19 oktober 2026.