ECLI:NL:TAHVD:2026:327 Hof van Discipline 's Gravenhage 260331

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:327
Datum uitspraak: 15-10-2026
Datum publicatie: 15-10-2026
Zaaknummer(s): 260331
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Klacht over deken niet verwezen op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. De klacht van klager houdt in dat de deken de klachten van klager over (juristen van) DAS rechtsbijstand ten onrechte niet in behandeling neemt. De voorzitter schaart zich achter de reactie van de deken. Het tuchtrecht zoals beschreven in de Advocatenwet is alleen van toepassing op advocaten. Er is daarom geen grondslag voor een onderzoek door de deken naar juristen werkzaam bij DAS.  De voorzitter wijst het verzoek tot verwijzing dan ook af.

Beslissing van de voorzitter van

het Hof van Discipline

van 15 oktober 2026

in de zaak 260331

naar aanleiding van een klacht van:

klager

over:

mr. I. Aardoom-Fuchs

advocaat en deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag

de deken

1 HET VERZOEK

1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar de e-mail, met bijlagen, van klager van 6 augustus 2026. Daarmee heeft klager een klacht ingediend over de deken. De voorzitter begrijpt dat klager verzoekt de klacht te verwijzen naar een deken van een andere orde. Bij e-mail van 10 augustus 2026, met bijlagen, heeft klager zijn klacht aangevuld.

1.2 De klacht van klager houdt - kort gezegd - in dat de deken de klachten van klager over (juristen van) DAS rechtsbijstand ten onrechte niet in behandeling neemt, net als alle andere instanties waar klager tot nu toe mee te maken heeft gehad. Volgens klager behoort het tot het takenpakket van de deken om de klacht in behandeling te nemen, en verschuilt de deken zich achter regeltjes die de Orde van Advocaten zelf heeft opgesteld.

2 DE BEOORDELING

2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe in deze zaak echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2 In haar reacties aan klager van 13 en 22 mei 2026 heeft de deken aangegeven dat zij de regels niet heeft bedacht, maar dat er voor haar bevoegdheden als deken een wettelijke basis is. De deken heeft uitgelegd dat zij toezicht moet uitoefenen op de advocatuur en meer specifiek op de advocaten die zijn ingeschreven in het arrondissement Den Haag. De medewerkers van DAS die klager in zijn klacht noemt zijn echter juristen en staan niet ingeschreven als advocaat. Deze juristen vallen als gevolg daarvan niet onder het toezicht van de deken. De deken heeft dan ook aangegeven dat zij niet de bevoegdheid heeft om klager op de door hem gewenste manier te helpen.

2.3 De voorzitter schaart zich achter de reactie van de deken. Het tuchtrecht zoals beschreven in de Advocatenwet is alleen van toepassing op advocaten. Er is daarom geen grondslag voor een onderzoek door de deken naar juristen werkzaam bij DAS.  De voorzitter wijst het verzoek tot verwijzing dan ook af.

2.4 Daarbij overweegt de voorzitter ten overvloede dat klager voor een oplossing van het geschil met DAS gebruik kan maken van de geschillenregeling van DAS. Dat traject is aangevangen, maar ligt kennelijk stil. De deken heeft, ondanks dat zij in deze klachtzaak op grond van haar wettelijke bevoegdheden geen rol heeft, aangeboden om met een gesprek bij haar op kantoor met klager en DAS te proberen tot een oplossing te komen. De deken is klager daarmee tegemoetgekomen. Klager heeft daarvan echter geen gebruik gemaakt. De voorzitter benadrukt dat de geschillenregeling de aangewezen manier is om tot een oplossing van het conflict met DAS te komen. Het indienen van een klacht over de deken is daartoe niet het geƫigende middel.

3 BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

wijst het verzoek tot verwijzing af.


Deze beslissing is genomen op 15 oktober 2026 door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter.

De beslissing is verzonden op 15 oktober 2026.