ECLI:NL:TAHVD:2026:326 Hof van Discipline 's Gravenhage 260326
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:326 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-10-2026 |
| Datum publicatie: | 15-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260326 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over deken niet verwezen op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Klager is het niet eens is met de aanwijzingsbeslissing van de deken voor zover deze inhoudt dat de aangewezen advocaat dominus litus is en daarmee de leiding in de zaak heeft. De voorzitter wijst erop dat de mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen een aanvullende voorziening is voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem of haar bijstand te verlenen. Deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat. Die ruime beleidsvrijheid brengt ook mee dat de deken niet gehouden is de advocaat te verplichten iedere door een klager gewenste procedure te voeren. Het hof dan wel de voorzitter kan hierin niet interveniëren. Verder is een klacht over een deken geen middel is om de inhoud van een dekenvisie over de klacht tegen een andere advocaat ter discussie te stellen. |
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 15 oktober 2026
in de zaak 260326
naar aanleiding van een klacht van:
klager
over:
mr. A.G. Moeijes
advocaat en deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland
de deken
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar de e-mail, met bijlagen, van 30 juli 2026 van klager. Daarmee heeft klager een klacht ingediend over de deken. De voorzitter begrijpt dat klager verzoekt de klacht te verwijzen naar een deken van een andere orde.
1.2 Uit voornoemde e-mail en de overige van klager ontvangen stukken leidt de voorzitter af dat de klacht van klager tweeledig is. De voorzitter begrijpt dat klager het allereerst niet eens is met het aanwijzingsbesluit van 19 augustus 2025, waarbij de deken op verzoek van klager een advocaat heeft aangewezen om klager bij te staan in een procedure. Dit betrof mr. B. Verder is volgens klager de dekenvisie van 22 juli 2026 naar aanleiding van een door klager over mr. B ingediende klacht onjuist. Het resultaat is, aldus klager, dat hij verstoken is van rechtsvertegenwoordiging.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe in deze zaak echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 De voorzitter begrijpt dat klager het niet eens is met de aanwijzingsbeslissing voor zover deze inhoudt dat mr. B dominus litus is en daarmee de leiding in de zaak heeft, zodat mr. B vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid dient te bepalen met welke aanpak klagers belangen het beste zijn gediend en dat als mr. B van mening is dat een eventuele procedure niet kansrijk is, de consequentie daarvan is dat klager zich daarbij dient neer te leggen. De voorzitter wijst erop dat de mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen een aanvullende voorziening is voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem of haar bijstand te verlenen. Deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat (Hof van Discipline 26 januari 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:24). Die ruime beleidsvrijheid brengt ook mee dat de deken niet gehouden is de advocaat te verplichten iedere door een klager gewenste procedure te voeren. Het hof dan wel de voorzitter kan hierin niet interveniëren. Alleen bij afwijzing van een aanwijzingsverzoek staat daartegen op grond van artikel 13 lid 3 Advocatenwet beklag bij het hof open. Dat is hier niet aan de orde.
2.3 Ten aanzien van de klacht over de dekenvisie overweegt de voorzitter dat een klacht over een deken geen middel is om de inhoud van een dekenvisie over de klacht tegen een andere advocaat ter discussie te stellen. Een klager kan de klacht tegen de andere advocaat, na betaling van het griffierecht, voorleggen aan de Raad van Discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Binnen de kaders van die procedure kan klager naar voren brengen op welke punten de visie van een deken volgens hem niet deugt en dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen. Die gelegenheid heeft klager gehad.
2.4 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht van klager niet verwijzen.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is genomen op 15 oktober 2026 door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin,
plaatsvervangend voorzitter.
De beslissing is verzonden op 15 oktober 2026.