ECLI:NL:TAHVD:2026:325 Hof van Discipline 's Gravenhage 250255
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:325 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-10-2026 |
| Datum publicatie: | 09-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250255 |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over (voormalig) eigen advocaat. Raad verklaart deels gegrond, maar legt geen maatregel op aangezien verweerder is getroffen door een hersenbloeding en al is uitgeschreven van het tableau. Hof constateert dat datgene dat zijdens verweerder is aangevoerd niet als namens hem kan worden aangemerkt zodat het ervoor gehouden wordt dat geen verweer is gevoerd. Volgt bekrachtiging. |
Beslissing van 9 oktober 2026
in de zaak 250255
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Het gaat om een klacht over de kwaliteit van de dienstverlening door de (voormalig) eigen advocaat. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de klacht deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Hoewel verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, heeft de raad geen maatregel aan hem opgelegd. De raad weegt hierin mee dat verweerder in 2023 is getroffen door een hersenbloeding. Verweerder is inmiddels uitgeschreven als advocaat.
1.2 Het Hof van Discipline (hierna: het hof) zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-907/A/A) een beslissing gewezen op 23 juni 2025. In deze beslissing is de klacht van klager gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Aan verweerder is geen maatregel opgelegd. Verweerder is veroordeeld tot betaling van het griffierecht.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:109 op tuchtrecht.nl gepubliceerd
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 23 juli 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift ingediend door mr. [X], advocaat te Amsterdam;
- nagezonden stukken.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 16 februari 2026. Daar verschenen klager en mr. [X] en mr. [V] (zijdens verweerder). Zij hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht.
3 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voorzover in beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij:
a) (..);
b) (..);
c) plots – zonder aankondiging, overleg en dwingende reden – zijn taak heeft neergelegd;
d) ongevraagd, zonder overleg en reden, vertrouwelijke dossiers naar een derde heeft gestuurd;
e) (..);
f) (..);
g) (..);
h) (..);
i) (..);
j) (..);
k) (..).
4 BEOORDELING RAAD
4.1 Met betrekking tot het algemeen verweer van de gemachtigde van verweerder, mr. [X], heeft de raad overwogen dat verweerder sinds 22 juli 2023 als gevolg van een hersenbloeding niet meer in staat is om zijn praktijk uit te voeren. Verweerder is inmiddels uitgeschreven als advocaat. Mr. [X] heeft gelet op deze psychische toestand van verweerder geen overleg met verweerder kunnen voeren over de aard en strekking van deze klachtzaak.
Klachtonderdeel c) verweerder heeft plots – zonder aankondiging, overleg en dwingende reden – zijn taak neergelegd
4.2 De raad heeft overwogen dat als beoordeeld moet worden of een advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zijn opdracht neer te leggen en zich terug te trekken uit de zaak, mede acht moet worden geslagen op gedragsregel 14 lid 3. Daarin is bepaald dat, als een advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, hij dat op zorgvuldige wijze dient te doen en er voor zorg dient te dragen dat zijn cliënt(e) daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt.
4.3 De raad stelt vast dat in de voorliggende zaak uit de aan de onttrekking voorafgaande correspondentie tussen klager en verweerder veel onderlinge irritatie naar voren komt. Voor klager moet het hoe dan ook duidelijk zijn geweest dat verweerder en hij, in zowel de aanpak van de zaak, als ook de wijze van communicatie, niet op één lijn zaten. Dat verweerder zich uiteindelijk op 15 februari 2023 als advocaat van klager heeft onttrokken, kan voor klager dan ook geen verrassing zijn geweest. Daarbij heeft verweerder dit schriftelijk en op de juiste wijze in een e-mailbericht, met daarbij een toelichting aan klager, aan klager kenbaar gemaakt. De raad heeft geoordeeld dat verweerder hierin geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Klachtonderdeel c) is daarom ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel d) ) verweerder heeft ongevraagd, zonder overleg en reden, vertrouwelijke dossiers naar een derde gestuurd
4.4 De raad heeft vastgesteld dat verweerder de dossiers op 15 februari 2023 aan het kantooradres van JvG heeft gestuurd. JvG was blijkens de verdere inhoud van het klachtdossier volledig op de hoogte van de inhoud van alle procesdossiers. Hij was -als zakenpartner van klager- steeds betrokken bij de mailwisselingen tussen klager en verweerder en hij trok blijkens de verdere inhoud van het dossier in alles op met klager. Van het door verweerder verstrekken van de dossiers aan een “willekeurige” derde en het hiermee mogelijk schenden van de vertrouwelijkheid door verweerder, is daarom naar het oordeel van de raad geen sprake. Klachtonderdeel d) is daarom ongegrond verklaard.
5 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
Klachtonderdeel c)
5.1 Klager heeft aangevoerd dat de raad onvoldoende heeft onderzocht of aan de cumulatieve vereisten van gedragsregel 14 lid 2 is voldaan: (1) gegronde reden per individuele zaak, en (2) voorafgaand overleg. Vooral in zaak 1 en zaak 3 werd aan beide vereisten volgens klager niet voldaan.
5.2 Klager heeft deze beroepsgrond als volgt toegelicht. Er speelden drie zaken:
Zaak 1 betrof het hoger beroep in de schadestaatprocedure. Een dag voor het verstrijken van
de termijn legde verweerder zijn taak neer en liet klager weten niet bereid te zijn hoger beroep in te
stellen. Het feit dat verweerder dit zonder inhoudelijk advies en op het laatste moment deed, is volgens klager onzorgvuldig. Het oordeel van de raad dat het voor klager duidelijk moet zijn geweest dat verweerder en hij, in zowel de aanpak van de zaak, als ook de wijze van communicatie, niet op één lijn zaten is volgens klager niet gefundeerd. Klager stelt dat hij geen idee had wat het standpunt van verweerder was ten aanzien van de punten waarover hij in hoger beroep wenste te gaan. Nadat klager advies had ontvangen, heeft hij het betreffende hoger beroep ingetrokken.
Zaak 2 ging over een aantal schilderijen. Klager stelt dat hij verweerder heeft verzocht om een brief aan de advocaat van de wederpartij te sturen. Verweerder wilde de brief die hij had opgesteld (nog) niet versturen, omdat hem een aantal zaken nog onduidelijk waren. Verweerder gaf aan dat het klager vrij stond de brief zelf te versturen. Dit heeft klager gedaan en het probleem was daarmee opgelost.
Zaak 3 betrof het hoger beroep in de zaak L. Verweerder had kort voor zijn onttrekking de grieven ingediend. Er waren daarbij 42 ordners met 845 producties aan het hof overgelegd. Verweerder heeft zijn taak in deze kwestie neergelegd zonder opgave van reden. Er was in die kwestie geen verschil van mening. Nu er geen causaal verband bestaat tussen deze zaak en de onderlinge irritaties waarnaar de raad verwijst, kan niet gesproken worden van een gegronde reden. Een meningsverschil in zaak 1 en/of zaak 2 rechtvaardigt niet het neerleggen van zaak 3. Dit schendt volgens klager het proportionaliteitsbeginsel.
Klager stelt dat verweerder in strijd met gedragsregel 14 lid 2 nergens overleg heeft gepleegd over de beëindiging. Voor zaak 3 ontbrak zelfs elke reden, wat volgens klager een tuchtrechtelijke schending op zich is.
Klachtonderdeel d)
5.3 De raad heeft volgens klager ten onrechte geconcludeerd dat de dossieroverdracht op deze wijze zonder toestemming gerechtvaardigd was. Dit oordeel gaat eraan voorbij dat artikel 9 van de AVG en gedragsregel 3 lid 5 die ondubbelzinnige toestemming vereisen – zelfs bij betrokkenheid van de derde.
5.4 De raad heeft zich volgens klager gebaseerd op een onjuist uitgangspunt: de betrokkenheid van JvG bij eerdere mailwisselingen maakt hem niet gemachtigd voor dossierontvangst. Ook is hij niet in alle correspondentie gekend en omvat het dossier meer dan enkel e-mailcorrespondentie. Zo maakten ook medische gegevens deel uit van klagers dossier. De overdracht van dergelijke bijzondere persoonsgegevens (art. 9 AVG) vereist expliciete schriftelijke toestemming, die nooit is verleend. Dit is een zelfstandige schending. Kortom: voor overdracht van klagers dossier is ondubbelzinnige toestemming vereist. Deze expliciete toestemming ontbrak. Dit is strijdig met artikel 9 AVG en gedragsregel 3 lid 5. Vermeende bekendheid met het dossier is volgens klager geen rechtvaardiging en er was bovendien geen enkele noodzaak om het dossier op dat moment over te dragen.
Reactie zijdens verweerder
5.5 Mr. [X] heeft te kennen gegeven dat verweerder zijn praktijk niet meer zal hervatten en dat zijn gesteldheid niet van dien aard is dat hij in staat zal zijn verweer te voeren in deze beroepsprocedure. Het is op uitdrukkelijk verzoek van de Orde van Advocaten dat mr. [X] waar mogelijk probeert op basis van het beschikbare dossier te reageren op de standpunten van klager. Naar aanleiding van het beroepschrift hebben mr. [X] en mr. [Y] de beschikbare informatie nogmaals doorgelopen en een reactie gegeven op het beroep.
6 BEOORDELING HOF
Maatstaf
6.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Overwegingen hof
6.2 Het hof stelt vast dat verweerder in reactie op de klacht tijdens het dekenonderzoek verweer heeft gevoerd op 14 juni 2023 en op 4 juli 2023. Uit het dossier komt naar voren dat daarna zijdens verweerder is medegedeeld dat deze sinds 22 juli 2023 als gevolg van medische problematiek niet langer bij machte is om de procedure te volgen. Hij is niet ter zitting verschenen.
6.3 Ter zitting bij het hof zijn door het hof en door klager vragen gesteld over de procesbekwaamheid van verweerder en rol van mr. [X] (die in de tuchtprocedure namens verweerder stukken heeft ingediend en ter zitting is verschenen) dan wel zijn bevoegdheid om verweerder te vertegenwoordigen. Gelet hierop is de behandeling van de zaak ter zitting van 16 februari 2026 aangehouden en heeft het hof vragen gesteld om duidelijkheid te krijgen over de eventuele handelingsonbekwaamheid van verweerder en de status van mr. [X] in deze procedure. Mr. [X] heeft laten weten dat hij niet de gemachtigde is van verweerder, maar dat hij slechts op verzoek van de deken heeft gereageerd op het beroep. Gelet hierop stelt het hof vast dat mr. [X] geen status heeft als vertegenwoordiger van verweerder in deze tuchtprocedure. Zijn reactie kan dan ook niet als verweer worden meegenomen. Het hof stelt daarom vast dat er in hoger beroep geen verweer is gevoerd.
6.4 Verweerder is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. Het hof zal daarom op basis van het beroepschrift van klager, het procesdossier en de door klager tijdens de zitting naar voren gebrachte standpunten een oordeel geven over de zaak.
Klachtonderdelen c) en d)
6.5 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden gericht tegen deze klachtonderdelen, die een herhaling van de eerder door klager ingenomen standpunten inhouden, en het onderzoek in hoger beroep, geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de raad. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de raad met betrekking tot klachtonderdelen c) en d) en neemt die over. Het hof verwerpt het hoger beroep van klager en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
7 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- bekrachtigt de beslissing van 23 juni 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-907/A/A, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort – de Bruin, voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 9 oktober 2026 .