ECLI:NL:TAHVD:2026:324 Hof van Discipline 's Gravenhage 250326W

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:324
Datum uitspraak: 09-10-2026
Datum publicatie: 09-10-2026
Zaaknummer(s): 250326W
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking
Beslissingen: Wraking
Inhoudsindicatie: Wrakingsverzoek. Aanvullende wrakingsgrond in repliek over het proces-verbaal (nog) tijdig ingediend, maar ongegrond. Het proces-verbaal is minder gedetailleerd dan de weergave van verzoekster, maar verschilt inhoudelijk weinig. Ook de overige wrakingsgronden zijn ongegrond nu zij met name gaan over de wijze waarop de voorzitter de regie heeft gevoerd op de zitting. Verzoekster heeft een onjuiste opvatting over hoor en wederhoor op de zitting. Hoor en wederhoor betreft het debat tussen partijen, niet een debat tussen één partij en het hof. Ook heeft verzoekster een verkeerd beeld van de wijze waarop een rechter de feiten vaststelt. De (tucht)rechter onderzoekt niet zelf actief wat de feiten zijn, maar hij stelt feiten vast op basis van wat partijen aanvoeren en wat door partijen als bewijs wordt aangevoerd. De (tucht)rechter is geen onderzoeksrechter. Verzoekster heeft tijdens de zitting over het wrakingsverzoek twee wrakingsverzoeken ingediend, die zijn afgewezen. Beide verzoeken kwamen er in de kern op neer dat de zitting niet verliep zoals verzoekster wenste en zagen dus op de gang van zaken op zitting. Omdat verzoekster elke keer een verzoek tot wraking indient om haar zin door te drijven over de regie op de zitting is sprake van misbruik van recht en bepaalt de wrakingskamer dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.

Beslissing van 9 oktober 2026

in de zaak 250326W

naar aanleiding van het wrakingsverzoek van:

verzoekster

tegen:

voorzitter, kroonlid en advocaat-lid van het hof van discipline

tuchtrechters van wie de wraking wordt verzocht

(hierna ook wel: de rechter(s))

1 PROCEDURE BIJ DE RAAD EN HET HOF

Bij de raad

1.1 Het Hof van Discipline (hierna steeds: het hof) verwijst naar de beslissing van 25 augustus 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag met zaaknummer 24-896/DH/DH. In deze beslissing is de klacht van verzoekster tegen de verweerder in de hoofdzaak (verder: de verwerend advocaat) ongegrond verklaard.

1.2 De beslissing van de raad is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:169 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.

Bij het hof

1.3 Verzoekster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld, welk beroep bij het hof in behandeling is onder zaaknummer 250326.

1.4 Het beroep is mondeling behandeld op 9 februari 2026. Verzoekster heeft tijdens die behandeling een verzoek tot wraking ingediend tegen de rechters. Van deze behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.5 De rechters hebben niet berust in het wrakingsverzoek. Zij hebben op 12 februari 2026 schriftelijk gereageerd op het verzoek tot wraking.

1.6 Verder bevat het dossier van het hof:

  • de repliek van verzoekster van 19 februari 2026 met een aanvullende wrakingsgrond;
  • de dupliek van de rechters;
  • correspondentie over de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

1.7 Het wrakingsverzoek is mondeling behandeld op 14 augustus 2026. Daar zijn verzoekster en mr. Streefkerk namens de rechters verschenen.

1.8 Na aanvang van het onderzoek op de zitting heeft verzoekster een verzoek tot wraking ingediend tegen de wrakingskamer. De grond daarvoor was dat de voorzitter bij aanvang van de behandeling vier keer meldde dat de huisregels niet toestaan dat er geluids- en beeldopnamen worden gemaakt van de zitting. Het hof heeft de zitting geschorst en zich teruggetrokken voor beraad. Na hervatting van de zitting heeft het hof het ter zitting door verzoekster gedane wrakingsverzoek buiten behandeling gesteld op grond van artikel 3.1 onder g en h van het wrakingsprotocol van het hof van 31 maart 2026 (het wrakingsverzoek is gericht tegen de wrakingskamer en het verzoek voldoet niet aan de in de artikelen 1 en 2 van het wrakingsprotocol vermelde vereisten, omdat het verzoek de voorgehouden huisregels betreft en daarmee de regie van de zitting en dus niet feiten of omstandigheden betreft waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden).

1.9 Vervolgens is de behandeling van het wrakingsverzoek van verzoekster hervat en zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunt toe te lichten.

1.10 Aan het einde van de zitting heeft verzoekster een verzoek tot wraking ingediend tegen de voorzitter van de wrakingskamer. De gronden daarvoor waren talrijk, waaronder: ongelijke behandeling, buiten behandeling stellen van een wrakingsverzoek waarvoor geen wrakingsgronden zijn genoemd of gevraagd, procesorde niet tijdig besproken, verzoekster voelt zich niet veilig, maar geïntimideerd en vernederd, niet luisteren naar vragen van verzoekster, niet weten welke vragen verweerster heeft gesteld en die vragen niet beantwoorden zodat er geen sprake is van hoor en wederhoor, geen kritische vragen aan de wederpartij, dus geen hoor en wederhoor, conclusies zonder feitenonderzoek, meten met twee maten, vooringenomen kwalificaties en een onjuiste voorstelling van zaken.

1.11 Het hof heeft de zitting opnieuw geschorst en zich teruggetrokken voor beraad. Na hervatting van de zitting heeft het hof ook het ter zitting door verzoekster gedane tweede wrakingsverzoek buiten behandeling gesteld, ditmaal op grond van artikel 3.1 onder g, h en i van het wrakingsprotocol van het hof. Ten eerste is het wrakingsverzoek gericht tegen een lid van de wrakingskamer. Ten tweede voldoet het verzoek niet aan de in de artikelen 1 en 2 van het wrakingsprotocol vermelde vereisten, omdat het verzoek voor het overgrote deel (wederom) de regie van de zitting betreft (namelijk de eerder aan de orde gestelde huisregel, het wel of niet stellen van vragen aan partijen en het wel of niet beantwoorden van vragen van partijen). De beschuldiging van vijandigheid, vernedering en vooringenomenheid is gebaseerd op het verloop van de zitting en de wijze waarop de voorzitter daarbij de regie heeft gevoerd, waaronder het aan de orde stellen van een huisregel. De door verzoekster ervaren vijandigheid en vernedering is subjectief en wijst niet op vooringenomenheid. Verzoekster wenst niet te accepteren dat het hof niet ter zitting, maar pas in de beslissing – voor zover dat voor die beslissing nodig is – zal ingaan op haar inhoudelijke vragen aan het hof. Ten derde maakt verzoekster door voor de regie die op zitting wordt gevoerd opnieuw te wraken evident misbruik van recht.

1.12 Aansluitend is de behandeling ter zitting gesloten.

2 BEOORDELING

Wrakingsgronden

2.1 De wrakingsgronden zijn:

-      u bent mij aan het onderbreken;

-      u vertelt pas over de procesorde aan het einde van de zitting;

-      u onderbreekt mij wel en verweerder niet;

-      u weet niet wat er in de gedragsregels staat. Of u bent niet voldoende onderlegd om de zaak te doen of u bent vooringenomen.

2.2 In repliek heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de inhoud van het proces-verbaal. Zij stelt dat meerdere passages door elkaar lopen en/of niet compleet zijn opgenomen. In het proces-verbaal zijn ook de wrakingsgronden niet juist (niet letterlijk) weergegeven en ontbreekt het voorwoord (pleidooi) van verzoekster. Zij dient hierover een aanvullende wrakingsgrond in.

2.3 Verder heeft verzoekster gesteld dat de zittingsduur minder dan een half uur was en niet “bijna 45 minuten”. De rechters stellen dat verzoekster “allerlei vragen” ging stellen, maar het waren geen nieuwe vragen. Het waren essentiële dossierpunten, die door de verwerend advocaat niet beantwoord waren en waarnaar het hof geen onderzoek wilde doen. De rechters wekken de indruk dat verzoekster wraakte vanwege “het vragen stellen”. Zij wraakte echter nadat zij werd onderbroken tijdens haar toelichting, toen de behandeling niet langer eerlijk leek te gaan. De wederpartij is geen enkele keer onderbroken. Verzoekster meerdere keren. Het ging om een inhoudelijke en procedurele escalatie tijdens haar toelichting.

Schriftelijke reactie rechters

2.4 De rechters hebben aangegeven dat met de “u” in de wrakingsgronden in feite de voorzitter is bedoeld.

2.5 De voorzitter van de kamer die de klachtzaak behandelt, voert de regie op de zitting en zorgt ervoor dat de zitting ordelijk verloopt en tijdig eindigt. Verzoekster en de verwerend advocaat hebben hun standpunten kunnen toelichten, waarna de kamer vragen heeft gesteld en verzoekster heeft mogen reageren op de verwerend advocaat. Verzoekster wilde dat de verwerend advocaat allerlei vragen van haar beantwoordde. Ofschoon geen onderdeel van de klacht is verzoekster in de gelegenheid gesteld die vragen aan hem voor te houden en is de verwerend advocaat in de gelegenheid gesteld daarop te antwoorden. Op enig moment heeft de voorzitter de regie gepakt en aangegeven dat het hof zich dient te beperken tot de klacht en dat eventuele vragen (aan het hof) in de verdere beoordeling worden meegenomen. Voorts is na bijna drie kwartier aan partijen voorgehouden dat de standpunten waren gewisseld, de vragen waren gesteld, de zaak inhoudelijk was behandeld en dat het hof op de vragen van verzoekster een beslissing zal nemen nadat erover is nagedacht. Vervolgens werd de kamer gewraakt.

2.6 Er zijn geen omstandigheden gebleken die een zwaarwegende aanwijzing zijn dat de kamer jegens verzoekster vooringenomen zou zijn. Het feit dat niet alle gedragsregels uit het hoofd bekend zijn, levert zo’n aanwijzing niet op. Er is op een adequate wijze regie gevoerd en toegewerkt naar een inhoudelijke afronding van de zitting. Verzoekster had nog allerlei vragen aan de verwerend advocaat, die buiten de klachtomschrijving vielen en die hij kennelijk niet naar wens van verzoekster had beantwoord. Aan verzoekster is toen voorgehouden dat zij het met die antwoorden moest doen. Dat zij haar vragen verder niet kon afmaken betekent niet dat de kamer daardoor de schijn van vooringenomenheid op zich heeft geladen. Het enige wat op het moment van de wraking nog aan partijen moest worden voorgehouden was de datum waarop de beslissing zou worden uitgesproken.

2.7 De rechters hebben in dupliek nog betoogd dat voor het aanvullen van wrakingsgronden geen plaats is. Het proces-verbaal van de zitting is geen woordelijk verslag, maar een zakelijke weergave van het verloop van de zitting. Daarbij hebben de rechters de indruk dat verzoekster, in strijd met artikel 5.1 van het procesreglement van het hof, de zitting heeft opgenomen zonder toestemming van het hof.

Toetsingskader

2.8 Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt het hof voorop dat een lid van het hof kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 56 lid 6 Advocatenwet in verbinding met de artikelen 512 tot en met 519 Wetboek van Strafvordering (Sv), die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Het hof moet dus onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoekster zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden. Uitgangspunt daarbij is dat een lid van het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming (Kroonlid) of verkiezing (advocaat-lid) onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het lid ten opzichte van verzoekster vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoekster bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is (HvD 23 september 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:164).

2.9 Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van een lid van het hof bestaat, is het standpunt van verzoekster belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van verzoekster aan de onpartijdigheid van het lid van het hof door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

2.10 Daarnaast geldt dat het niet aan de wrakingskamer is om een door het hof gegeven (processuele) beslissing inhoudelijk te toetsen (HvD 21 juli 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:241). Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.

Overwegingen

2.11 Op het wrakingsverzoek van 9 februari 2026 is het wrakingsprotocol van het hof van 10 december 2019, zoals dit gold tot 7 april 2026, van toepassing. Uit artikel 2.1 van dat wrakingsprotocol volgt dat het wrakingsverzoek moet worden ingediend zodra de verzoeker bekend is geworden met de feiten en omstandigheden die de reden vormen voor het wrakingsverzoek. Het proces-verbaal van de zitting van 9 februari 2026 is verzoekster op 12 februari 2026 toegezonden. Verzoekster heeft bij haar repliek van 19 februari 2026 een aanvullende grond tot wraking naar voren gebracht. Deze grond is gebaseerd op het proces-verbaal van de zitting van 9 februari 2026 dat verzoekster op 12 februari 2026 is toegezonden. Anders dan de rechters betogen, moet deze aanvullende grond tot wraking niet buiten beschouwing blijven, omdat deze niet terstond is ingediend. Verzoekster kon namelijk niet eerder dan na ontvangst van het proces-verbaal een op dat proces-verbaal gebaseerde grond tot wraking formuleren. Dat zij niet per ommegaande, maar in de repliek op 19 februari 2026 die aanvullende grond naar voren heeft gebracht, valt te billijken (HvD 21 juli 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:241).

2.12  De wrakingsgrond slaagt echter niet. Een proces-verbaal van een zitting is - anders dan verzoekster kennelijk veronderstelt - geen letterlijke weergave van wat daar is gebeurd en verklaard, maar een zakelijke en beknoptere weergave. Verzoekster heeft een aantal voorbeelden gegeven van hoe zij vindt dat van de zitting verslag had moeten worden gedaan in het proces-verbaal, waarover de rechters in dupliek overigens schrijven dat zij de indruk krijgen dat verzoekster zonder toestemming van het hof in strijd met artikel 5.1 van het Procesreglement de zitting heeft opgenomen. Wat verzoekster beschrijft aan discrepanties tussen het proces-verbaal en haar weergave maakt duidelijk dat het proces-verbaal minder gedetailleerd is dan de weergave van verzoekster, maar inhoudelijk is het verschil niet zodanig dat de twijfel van verzoekster aan de onpartijdigheid van de rechters door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

2.13 De overige wrakingsgronden van verzoekster betreffen overwegend de (processuele) gang van zaken tijdens de zitting an 9 februari 2026 en dan vooral de wijze waarop de voorzitter de regie heeft gevoerd op de zitting. Het feit dat de voorzitter niet aan het begin van de zitting uitleg heeft gegeven over de behandeling ter zitting (in de woorden van verzoekster ‘procesorde’), maar pas op een later moment, levert geen aanwijzing op van vooringenomenheid. Bovendien zijn beide partijen gelijktijdig op dezelfde wijze geïnformeerd. Daarnaast is het aan de voorzitter om te bepalen hoeveel ruimte en tijd partijen krijgen om naast de gebruikelijke toelichtingen over en weer en het beantwoorden van vragen van leden van het hof nog andere zaken aan de orde te stellen. Verzoekster erkent in haar repliek dat zij meerdere vragen had, die zij al vaker had gesteld en die door de verwerend advocaat niet - althans niet naar genoegen van verzoekster - waren beantwoord. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat verzoekster ruimschoots de gelegenheid heeft gekregen om die vragen (nogmaals) aan de verwerend advocaat voor te leggen. Dat de voorzitter daaraan op enig moment een halt heeft toegeroepen (en klaagster daarbij heeft onderbroken), is een processuele beslissing, waartegen het middel van een wrakingsverzoek niet kan worden ingezet. Verder beslist het hof pas over de zaak na afloop van het onderzoek op de zitting en kan daarom op inhoudelijke vragen aan het hof ter zitting niet worden geantwoord. Daarbij merkt de wrakingskamer op dat verzoekster een onjuiste opvatting heeft over hoor en wederhoor op de zitting. Hoor en wederhoor betreft het debat tussen partijen, niet een debat tussen één partij en het hof. Ook heeft verzoekster een verkeerd beeld van de wijze waarop een rechter de feiten vaststelt. De (tucht)rechter onderzoekt niet zelf actief wat de feiten zijn, maar hij stelt feiten vast op basis van wat partijen aanvoeren en wat door partijen als bewijs wordt aangevoerd. De (tucht)rechter is geen onderzoeksrechter. 

2.14 Op grond van het voorgaande is niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechters ten opzichte van verzoekster vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoekster bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het feit dat de voorzitter ter zitting geen concreet antwoord kon geven op een vraag van verzoekster over de gedragsregels is niet gelukkig, maar maakt het voorgaande niet anders. Het wrakingsverzoek is ongegrond.

2.15 Tijdens het onderzoek op zitting van 14 augustus 2026 met betrekking tot het wrakingsverzoek heeft verzoekster tot tweemaal toe een verzoek tot wraking ingediend, éénmaal gericht tot de leden van de wrakingskamer en éénmaal gericht tot de voorzitter. De beide wrakingsverzoeken komen er in de kern op neer dat de zitting niet verliep zoals verzoekster wenste en de wrakingsverzoeken zien dus beide op de gang van zaken op zitting. Gelet hierop en gelet op het proces-verbaal van de zitting bij de hoofdkamer op 9 februari 2026 is het beeld ontstaan dat verzoekster wil bepalen hoe de zitting verloopt en dat zij een verzoek tot wraking indient zodra de rechter niet doet wat verzoekster wil. Daarvoor is het instrument van wraking niet bedoeld. De behandelend rechter bepaalt de regie op zitting, hij neemt daartoe bepaalde processuele beslissingen en hij laat zich daarbij niet dwingend leiden door de wens van één van partijen, in dit geval verzoekster, om de zitting volgens de wensen van één partij te laten verlopen. Omdat verzoekster elke keer een verzoek tot wraking indient om haar zin door te drijven met betrekking tot de regie op de zitting is sprake van misbruik van recht. Op grond van artikel 7.3 van het wrakingsprotocol van 10 december 2019 zal de wrakingskamer bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in de hoofdzaak (zaaknummer 250326) niet in behandeling zal worden genomen.

3 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

3.1 wijst het wrakingsverzoek van verzoekster van 9 februari 2026 af;

3.2 bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van verzoekster in de hoofdzaak (zaaknummer 250326) wegens misbruik van recht niet in behandeling zal worden genomen;

en

3.3 bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K. van Dijk en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026.

griffier        voorzitter  

De beslissing is verzonden op 9 oktober 2026.