ECLI:NL:TAHVD:2026:323 Hof van Discipline 's Gravenhage 250439W
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:323 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-10-2026 |
| Datum publicatie: | 08-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250439W |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking |
| Beslissingen: | Wraking |
| Inhoudsindicatie: | Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond. Misbruik van recht. De wrakingskamer oordeelt dat de enkele stelling van verzoeker dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt omdat verweerders in eerdere zaken mogelijk onwelgevallige beslissingen hebben genomen, geen uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat verweerders ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid koesteren, noch dat de bij verzoeker kennelijk bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Gelet op de lichtvaardige wijze waarop verzoeker (wederom) het wrakingsmiddel heeft ingezet, bepaalt de wrakingskamer met toepassing van artikel 7.3 van het wrakingsprotocol dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak wegens misbruik van recht niet in behandeling wordt genomen. |
Beslissing van 8 oktober 2026
in de zaak 250439W
naar aanleiding van het wrakingsverzoek van:
verzoeker
tegen:
mr. J. Blokland, mr. J.W.M. Tromp en mr. D. Fontein
leden van het hof van discipline
verweerders
1 DE PROCEDURE BIJ DE RAAD EN HET HOF
1.1 Bij het hof is een zaak van verzoeker aanhangig, waarvan de mondelinge behandeling
op vrijdag 9 oktober 2026 om 11:00 uur staat geagendeerd
1.2 Verzoeker heeft op 6 oktober 2026 de zittingsagenda op de website van het hof gezien en heeft geconstateerd dat de behandeling van zijn zaak tegen mr. [B] (250439) is toegewezen aan een kamer bestaande uit verweerders.
1.3 Verzoeker heeft de leden van de behandelend kamer op 6 oktober 2026 gewraakt.
1.4 Verweerders hebben niet berust in het wrakingsverzoek. Op 7 oktober 2026 heeft de voorzitter namens verweerders een verweerschrift ingediend.
1.5 De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek behandeld op basis van de stukken
in het dossier.
2 BEOORDELING
wrakingsgronden
2.1 Verzoeker heeft de volgende wrakingsgronden naar voren gebracht.
1. Betrokkenheid en partijdigheid vanuit eerdere wrakingsprocedures
De leden Blokland en Tromp hebben in het recente verleden (in de hoedanigheid van
wrakingsrechter dan wel voorzitter) reeds volstrekt onbegrijpelijke en sturend partijdige
beslissingen genomen in dossiers van verzoeker. Door deze voorgeschiedenis ontbreekt
bij deze rechters de vereiste professionele distantie en onbevangenheid om nu, in
de onderhavige hoofdzaak, nog objectief en onpartijdig over de klachten van verzoeker
te oordelen. Hun eerdere besluitvorming bewijst een objectieve vooringenomenheid jegens
zijn persoon en zijn zaken, hetgeen in frontale strijd is met Uitgangspunt 2 van uw
eigen Leidraad Onpartijdigheid en Integriteit (betrokkenheid bij de feiten of personen),
aldus verzoeker.
2. Ontoelaatbare verwevenheid en eerdere wraking (Fontein & Blokland)
Mr. D. Fontein is op 31 juli 2026 formeel gewraakt in een direct gerelateerde tuchtprocedure
(260231) wegens begunstiging van de deken. Die wraking werd vervolgens door voorzitter
mr. J. Blokland buiten de onafhankelijke wrakingskamer om afgedaan om zijn collega
af te schermen. Het feit dat mr. Blokland destijds mr. Fontein de hand boven het hoofd
hield, en zij nu gezamenlijk op deze zaak worden gezet, creëert een ontoelaatbare
verwevenheid en levert een zware, objectief gerechtvaardigde vrees op voor partijdigheid
en collusie.
3. Actieve facilitering en collaboratie met sturende, partijdige griffiers (mw. Uri
c.s.)
Deze wraking ziet tevens op de corrupte verstrengeling tussen de genoemde rechters
en de griffie. Genoemde rechters (en in het bijzonder voorzitter Blokland) liggen
in bed met partijdige griffiers, zoals mevrouw Uri, en laten zich door hen actief
sturen. Deze griffiers treden niet slechts administratief op, maar onderhouden aantoonbaar
partijdig contact met dekens, maken achterkamerafspraken en reframen zelfstandig klachten.
Dit handelen wordt doelbewust door deze rechters afgedekt en overgenomen, aldus nog
steeds verzoeker.
4. Het corrumperen van de term "misbruik van recht" ten eigen bate
Om partijdig optreden en de omzeiling van de eigen reglementen te verbergen, forceert
voorzitter Blokland stelselmatig uitspraken waarin verzoekers legitieme volharding
valselijk wordt geframed als "misbruik van klachtrecht". Het doel is evident: door
de acties van verzoeker als misbruik te framen, redden deze rechters hun eigen hachje
en dat van de deken, en voorkomen zij dat er een daadwerkelijke, onafhankelijke tuchtrechtelijke
toetsing plaatsvindt. Dit bewijst een stelselmatige en welbewuste corruptie van het
eerlijke proces.
Samenvattend concludeert verzoeker dat het willens en wetens samenbrengen van drie tuchtrechters met dit specifieke, jegens klager gecompromitteerde trackrecord, de eerlijkheid van de gehele procedure (art. 6 EVRM) aantast.
verweer
2.2 De gewraakte tuchtrechters berusten niet in het verzoek. In reactie op het
verzoek hebben zij de volgende opmerkingen gemaakt:
1. Uitgangspunt is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Er is geen algemene regel aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden zoals hiervoor vermeld. Het hiervoor vermelde uitgangspunt geldt ook voor een lid-beroepsgenoot van een tuchtcollege (zie ECLI:NL:HR:2025:87, Hoge Raad, 24/02772).
2. Het EHRM maakt onderscheid tussen een subjectieve en een objectieve toetsing. Bij de subjectieve toetsing is de persoonlijke overtuiging of het persoonlijke belang van een bepaalde rechter in een bepaalde zaak ter toets; bij de objectieve toetsing wordt nagegaan of een rechtsprekend orgaan voldoende waarborgen biedt om elke legitieme twijfel over de persoonlijke overtuiging of het persoonlijke belang van de rechter(s) uit te sluiten. Tussen de subjectieve en de objectieve toetsing bestaat geen duidelijke scheidslijn, aangezien het gedrag van een rechter niet alleen objectieve twijfel over diens onpartijdigheid vanuit het perspectief van een externe waarnemer kan oproepen (de objectieve toetsing), maar ook blijk kan geven van de persoonlijke overtuiging van de rechter (de subjectieve toetsing) (zieECLI:NL:PHR:2024:858, Parket bij de Hoge Raad, 24/02772).
3. Noch op grond van de subjectieve toets noch op grond van de objectieve toets kan het door verzoeker gestelde leiden tot de vrees dat er jegens verzoeker een vooringenomenheid is in de klachtzaak van verzoeker tegen zijn voormalig advocaat, mr. [B].
4. Er is geen enkele concrete aanwijzing dat de gewraakte tuchtrechters een persoonlijke overtuiging of persoonlijk belang hebben in de zaak die op 9 oktober aanstaande op de zittingsagenda staat. De zaken die verzoeker aanhaalt en waarbij de gewraakte tuchtrechters betrokken zijn geweest, zijn zaken van een geheel andere aard. Ook objectief is er geen enkele concrete aanwijzing dat de gewraakte rechters vooringenomen zouden zijn jegens verzoeker. Gelet op het aantal zaken dat verzoeker bij het hof van discipline heeft gehad en het beperkte aantal leden van het hof maakt dat het onvermijdelijk is dat leden al eerder met een zaak van verzoeker te maken hebben gehad. Maar dat enkele feit is onvoldoende om tot een wraking op grond van vooringenomenheid te kunnen komen. De klachtzaak tegen mr. [B] staat geheel los van de eerdere zaken waarbij de gewraakte tuchtrechters betrokken zijn geweest.
5. Kortom, er is geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor vooringenomenheid, dan wel een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.
6. Verzocht wordt om het verzoek (kennelijk) ongegrond te verklaren.
toetsingskader
2.3 Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt het hof voorop dat een lid
van het hof kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de
rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit volgt uit het bepaalde
in artikel 56 lid 6 Advocatenwet in verbinding met de artikelen 512 tot en met 519
Wetboek van Strafvordering (Sv), die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
Het hof moet dus onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoeker
zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden. Uitgangspunt daarbij is dat een lid van
het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming/verkiezing onpartijdig te
zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing
opleveren voor het oordeel dat het lid ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid
koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd
is. (HvD 23 september 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:164).
Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van een lid van het hof bestaat, is het standpunt van verzoeker belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van verzoeker aan de onpartijdigheid van het lid van het hof door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.
Daarnaast geldt dat het niet aan de wrakingskamer is om een door een lid van het hof / het hof gegeven beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.
oordeel
2.4 De wrakingskamer oordeelt dat de enkele stelling van verzoeker dat de rechterlijke
onpartijdigheid schade lijdt omdat verweerders in eerdere zaken mogelijk onwelgevallige
beslissingen hebben genomen, geen uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende
aanwijzing oplevert dat verweerders ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid koesteren,
noch dat de bij verzoeker kennelijk bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd
is.
2.5 Het wrakingsverzoek zal als kennelijk ongegrond worden afgewezen. De wrakingskamer van het hof ziet daarin aanleiding ook geen mondelinge behandeling over het wrakingsverzoek te bepalen, ondanks het verzoek van verzoeker daartoe.
2.6 Gelet op de lichtvaardige wijze waarop verzoeker (wederom) het wrakingsmiddel heeft ingezet, bepaalt de wrakingskamer met toepassing van artikel 7.3 van het wrakingsprotocol dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak wegens misbruik van recht niet in behandeling wordt genomen.
3 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
3.1 verklaart het wrakingsverzoek van 6 oktober 2026 van verzoeker kennelijk ongegrond.
3.2 bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. M.S.A. van
Dam en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het
openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 8 oktober 2026.