ECLI:NL:TAHVD:2026:322 Hof van Discipline 's Gravenhage 260433
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:322 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-10-2026 |
| Datum publicatie: | 08-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260433 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Afwijzing verzoek tot verwijzing (artikel 46c lid 5 Advocatenwet). Uit de toelichting van klaagster op haar klacht over de deken leidt de voorzitter af dat deze klacht betrekking heeft op de wijze waarop de deken de klacht van klaagster over mr. Van der V in onderzoek heeft. Het klachtrecht is evenwel niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens een klachtonderzoek neemt en/of de wijze waarop de deken zijn onderzoek uitvoert. Klaagster kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, haar klacht over mr. Van der V laten toetsen door de raad van discipline. Binnen de kaders van die procedure kan klaagster al haar bezwaren over het klachtonderzoek door de deken en de daarin door de deken genomen procedurele beslissingen onder de aandacht van de raad van discipline brengen. |
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 8 oktober 2026
in de zaak 260433
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
mr. A.J.G. van Strien
advocaat en deken van de Orde van Advocaten Oost-Brabant
de deken
1 HET VERZOEK
De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht inclusief bijlagen van 25 september 2026 waarin klaagster het hof verzoek haar klacht over de deken op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet voor verdere behandeling te verwijzen naar een deken in een ander arrondissement. Tevens verzoekt klaagster het hof om haar klacht over mr. van der V ook te verwijzen naar de door het hof aan te wijzen deken (naar de voorzitter begrijpt: voor nader onderzoek).
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 Uit de toelichting van klaagster op haar klacht over de deken leidt de voorzitter af dat deze klacht betrekking heeft op de wijze waarop de deken de klacht van klaagster over mr. Van der V in onderzoek heeft. Het klachtrecht is evenwel niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens een klachtonderzoek neemt en/of de wijze waarop de deken zijn onderzoek uitvoert. Klaagster kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, haar klacht over mr. Van der V laten toetsen door de raad van discipline. Binnen de kaders van die procedure kan klaagster al haar bezwaren over het klachtonderzoek door de deken en de daarin door de deken genomen procedurele beslissingen onder de aandacht van de raad van discipline brengen.
2.3 Gelet op het voorgaande zal de voorzitter de klacht van klaagster over de deken niet verwijzen. Het hof heeft verder geen bevoegdheid te bepalen dat de klacht van klaagster over mr. Van der V door een deken in een ander arrondissement wordt onderzocht.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
- wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is genomen op 8 oktober 2026 door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin,
plaatsvervangend voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 8 oktober 2026.