ECLI:NL:TAHVD:2026:321 Hof van Discipline 's Gravenhage 260204

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:321
Datum uitspraak: 05-10-2026
Datum publicatie: 05-10-2026
Zaaknummer(s): 260204
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet. Klager niet-ontvankelijk. Nu de datum waarop de gewenste rechtsbijstand is verstreken, heeft klager geen belang meer bij de behandeling van zijn beklag.  Het hof komt om die reden tot de slotsom dat klager niet kan worden ontvangen in zijn beklag. Dit betekent dat de beklaggronden van klager geen verdere bespreking behoeven. Eerdere behandeling van het beklag van klager was om organisatorische redenen niet mogelijk. Echter ook dan was de beslissing van het hof gekomen na de datum waarop de door klager gewenste rechtsbijstand aan de orde was waardoor de uitkomst hetzelfde zou zijn geweest. Het hof merkt ten overvloede op dat de deken het aanwijzingsverzoek van klager wel te lichtvaardig heeft afgewezen.

Beslissing van 5 oktober 2026

in de zaak 260204

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klager

tegen:

mr. M.A.R.C. Padberg

deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam

de deken

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 22 mei 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de schorsing van de advocaat die klager eerder in deze zaak bijstond inmiddels is opgeheven, zodat deze advocaat hem kan bijstaan.

Bij het hof

1.3 Klager heeft op 22 mei 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4 Verder bevat het dossier:

  • het verweer van de deken
  • de repliek
  • de dupliek

1.5 Het hof heeft het verzoek behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Op 20 mei 2026 heeft klager een verzoek tot aanwijzing van een advocaat bij de deken
ingediend in verband met een regiezitting op 29 mei 2026. Klager voert aan dat zijn advocaat
(mr. W) is geschorst en zijn zaakwaarnemer (mr. D), tevens kantoorgenoot van mr. W, betrokken is bij de tegenpartij en dat mr. D het dossier ook heeft ingezien. Verder spelen volgens klager in zijn zaak EVRM-rechten en mr. D doet geen EHRM of cassatiezaken. Met zijn aanwijzingsverzoek heeft klager afwijzingsberichten van zes door hem benaderde advocaten meegestuurd.

2.2 Vanwege het spoedeisende karakter heeft de deken op 22 mei 2026 de afwijzingsbeslissing

afgegeven en aan klager verzonden.

3 BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Volgens klager kan mr. D hem niet meer bijstaan vanwege belangenverstrengeling tussen mr. W en mr. D, die als raadsman optreedt van de aangever in dezelfde strafzaak van klager. Dat is volgens klager in strijd met gedragsregel 15. Mr. W is hierdoor niet langer onafhankelijk en mr. W kan klager geen vertrouwelijkheid meer bieden. Verder is volgens klager het vertrouwen tussen mr. W en klager verstoord omdat klager over mr. D een klacht heeft ingediend bij de deken. Een gedwongen voortzetting van de relatie met mr. W als advocaat van klager is volgens klager in strijd met artikel 6 EVRM.

Verweer

3.2 De deken heeft aangevoerd dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard omdat het de deken ambtshalve bekend is dat de schorsing van mr. W inmiddels is opgeheven. Mr. W kan klager dan ook bijstaan. De deken acht het verder geen beletsel dat mr. D, als waarnemer van mr. W, een wederpartij van klager bijstaat. Dat hoeft volgens de deken niet tot een vertrouwensbreuk tussen klager en mr. W. te leiden. Klager heeft alleen over mr. D een klacht ingediend en niet (ook) over mr. W. Er is volgens de deken ook geen sprake van strijd met artikel 6 EVRM.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Beoordeling

4.2 Klager heeft op het door hem op 20 mei 2026 ingevulde webformulier verzocht om aanwijzing van een advocaat ten behoeve van een regiezitting in een strafzaak op 29 mei 2026. Nu deze datum is verstreken heeft klager geen belang meer bij de behandeling van zijn beklag. Het hof komt om die reden tot de slotsom dat klager niet kan worden ontvangen in zijn beklag. Dit betekent dat de beklaggronden van klager geen verdere bespreking behoeven. Eerdere behandeling van het beklag van klager was om organisatorische redenen niet mogelijk. Echter ook dan was de beslissing van het hof gekomen na de datum waarop de door klager gewenste rechtsbijstand aan de orde was waardoor de uitkomst hetzelfde zou zijn geweest.

4.3 Het hof merkt ten overvloede op dat de deken het aanwijzingsverzoek van klager wel te lichtvaardig heeft afgewezen. Klager had namelijk zes serieuze pogingen gedaan om een advocaat te vinden. Verder had klager in zijn aanwijzingsverzoek aangegeven dat de waarnemer van zijn eigen advocaat de tegenpartij bijstaat en het dossier heeft ingezien. Voor de deken, die ambtshalve ook weet dat de eigen advocaat van klager en diens waarnemer kantoorgenoten zijn, had dit redengevend moeten zijn om nader onderzoek te doen en niet het aanwijzingsverzoek aanstonds af te wijzen.  

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag tegen de beslissing van 22 mei 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam.

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. A.E.H. van der Voort Maarschalk en D. Fontein, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 5 oktober 2026.