ECLI:NL:TAHVD:2026:320 Hof van Discipline 's Gravenhage 260203

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:320
Datum uitspraak: 05-10-2026
Datum publicatie: 05-10-2026
Zaaknummer(s): 260203
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 lid 3 Advocatenwet ongegrond. Met de deken is het hof van oordeel dat klaagster haar verzoek om aanwijzing van een advocaat onvoldoende heeft onderbouwd en toegelicht – ook nadat zij daarover expliciet is bevraagd door de deken. De onderbouwing van het aanwijzingsverzoek is de verantwoordelijkheid van de aanvrager, in dit geval klaagster. Dat klaagster dit heeft nagelaten te doen, ligt in haar risicosfeer. Dit nalaten heeft ertoe geleid dat de deken gegronde redenen had om geen advocaat aan te wijzen aan klaagster (HvD 8 december 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:255).

Beslissing van 5 oktober 2026

in de zaak 260203

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klaagster

tegen:

mr. F.A. ten Berge

advocaat en deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland

de deken

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 23 april 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de deken niet heeft kunnen vaststellen of het gaat om een kwestie waarbij bijstand of vertegenwoordiging door een advocaat verplicht is.

Bij het hof

1.3 Klaagster heeft op 3 juni 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4 Verder bevat het dossier:

  • het verweer van de deken
  • de repliek
  • de dupliek

1.5 Het hof heeft het verzoek behandeld op basis van de stukken in het dossier.

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Op 6 februari 2026 heeft klaagster een verzoek om aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet bij de deken ingediend.

2.2 Op 8 februari 2026 heeft de deken per post een brief met twee bijlagen ontvangen van klaagster (gedateerd 30 januari 2026).

2.3 Klaagster verzoekt om rechtsbijstand op basis van een toevoeging voor het uitbrengen van een dagvaarding tegen de gemeente in een procedure voor de civiele rechter wegens schending van de zorgplicht. Klaagster heeft dit verzoek als volgt toegelicht:

“De gemeente heeft in een aanvraagprocedure in het kader van een verlenging een WMO PGB aanvraag geen eindbesluit willen nemen. Bij eerdere gelegenheid heeft klaagster een bezwaarprocedure tegen de gemeente gewonnen. De gemeente is aansprakelijk gesteld door klaagster wegens schending van de zorgplicht. De gemeente heeft de aansprakelijkheid niet aanvaard. Er is sprake van een onnodig geschil met een langdurig karakter.
De gemeente heeft een zakelijk geschil geheel onnodig laten verworden tot een persoonlijk conflict. Er is zonder rechtsbijstand voor klaagster een juridische procedure voor de bestuursrechter in Utrecht gevoerd in eerste instantie en in tweede instantie over een klacht van ondergetekende welke door de gemeente tot bezwaar is verklaard.”

2.4 Per e-mail van 10 februari 2026 heeft de stafjurist van het Ordebureau van de deken klaagster geïnformeerd over de voorwaarden om in aanmerking te komen voor aanwijzing van een advocaat en verzocht om nadere informatie en stukken. Ook heeft de stafjurist klaagster gevraagd toe te lichten wat voor soort procedure zij wenst te voeren en, in het geval het een procedure tegen de gemeente betreft, toe te lichten waarom klaagster van mening is dat dan bijstand of vertegenwoordiging door een advocaat verplicht is.

2.5 Op 3 maart 2026 heeft klaagster een groot aantal stukken op het kantoor van de deken afgegeven.

2.6 Eveneens op 3 maart 2026 heeft de stafjurist de ontvangst van deze stukken bevestigd.
De stafjurist heeft daarin aan klaagster uitgelegd dat een groot deel van de stukken niet relevant is voor het beoordelen van haar verzoek om aanwijzing van een advocaat omdat de stukken te algemeen zijn gesteld. De stafjurist heeft aangegeven dat de navolgende stukken deel uitmaken van het dossier van de deken:

- overzicht van de besluitvorming van de gemeente Gooise Meren (pag. 1 t/m 5);

- verkort proces-verbaal van de zitting van de bestuursrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 9 september 2022;

- uitspraak van de bestuursrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 december 2022;

- proces-verbaal van de zitting van de Centrale Raad van Beroep op 27 maart 2024;

- proces-verbaal van de zitting van de Centrale Raad van Beroep op 3 juli 2024;

- uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 juli 2024.

2.7 Op 23 april 2026 is de afwijzingsbeslissing door de deken aan klaagster verzonden.

3 BEKLAG EN VERWEER 

Gronden van het beklag

3.1 Klaagster stelt (samengevat) dat de deken het verzoek om na te noemen redenen ten onrechte heeft afgewezen:

- er heeft geen (mondelinge) hoor en wederhoor plaatsgevonden;

- de deken heeft verkeerde uitgangspunten gehanteerd en een beslissing genomen op basis van een incompleet feitenrelaas;

- schending van de informatieplicht, onderzoeksplicht, vergewisplicht, dossierplicht en zorgplicht door de deken;

- de deken is onzorgvuldig geweest en heeft in haar hoedanigheid van advocaat onbehoorlijk en onbetamelijk gehandeld jegens klaagster.

Verweer

3.2 De deken heeft aangevoerd dat zij niet heeft kunnen vaststellen bij welke instantie klaagster de door haar gewenste procedure wil voeren. De stafjurist heeft op 10 februari 2026 specifiek gevraagd wat voor soort procedure klaagster wil voeren. Klaagster heeft die vraag niet beantwoord. Volgens de deken wil klaagster een civiele procedure voeren maar blijkt niet uit de stukken dat klaagster de gemeente aansprakelijk heeft gesteld. Verder zou volgens de deken op basis van de door klaagster overgelegde stukken ook sprake kunnen zijn van een bestuursrechtelijke procedure. De deken voert verder aan dat er door klaagster geen stukken zijn overgelegd die inzicht geven in de haalbaarheid van de vordering van klaagster. Dat klaagster niet de gevraagde informatie heeft overgelegd komt volgens de deken voor haar rekening en risico. Omdat de beslissing is genomen op basis van door klaagster verstrekte stukken bestond er voor de deken geen verplichting om klaagster te horen. Ten slotte stelt de deken dat klaagster haar beklaggronden verder niet concreet heeft onderbouwd en zij daar geen specifiek verweer op kan voeren.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Beoordeling

4.2 Met de deken is het hof van oordeel dat klaagster haar verzoek om aanwijzing van een advocaat onvoldoende heeft onderbouwd en toegelicht – ook nadat zij daarover expliciet is bevraagd door de deken. De onderbouwing van het aanwijzingsverzoek is de verantwoordelijkheid van de aanvrager, in dit geval klaagster. Dat klaagster dit heeft nagelaten te doen, ligt in haar risicosfeer. Dit nalaten heeft ertoe geleid dat de deken gegronde redenen had om geen advocaat aan te wijzen aan klaagster (HvD 8 december 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:255).

4.3 Het voorgaande leidt ertoe dat het hof het beklag van klaagster ongegrond zal verklaren.

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 23 april 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter,  mrs. A.E.H. van der Voort Maarschalk en D. Fontein, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 5 oktober 2026.