We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:32 Hof van Discipline 's Gravenhage 250139

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:32
Datum uitspraak: 30-01-2026
Datum publicatie: 30-01-2026
Zaaknummer(s): 250139
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Het gaat in deze tuchtrechtelijke procedure om een klacht tegen verweerder, die heeft opgetreden als vereffenaar in een nalatenschap. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof onderschrijft dat oordeel en bekrachtigt de beslissing van de raad. Zie ook 250139, de samenhangende klachtzaak tegen de advocaat van de vereffenaar. 

Beslissing van 30 januari 2026

in de zaak 250139

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

gemachtigde: […]

tegen:

verweerster

gemachtigde: […]

1 INLEIDING

1.1 Het gaat in deze tuchtrechtelijke procedure om een klacht tegen verweerster, die als advocaat van de vereffenaar van de nalatenschap van de moeder van klager heeft opgetreden. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof onderschrijft dat oordeel en bekrachtigt de beslissing van de raad. Zie ook 250138, de samenhangende klachtzaak tegen de vereffenaar.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 24-615/DH/DH) een beslissing gewezen op 24 maart 2025. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:57 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 17 april 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

- de stukken van de raad;

- het verweerschrift.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 1 december 2025, tezamen met het hoger beroep van klager in de zaak met zaaknummer 250138. Daar zijn klager en verweerster, beiden bijgestaan door hun gemachtigden, verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. Van de zijde van verweerster is bezwaar gemaakt tegen het in de beschouwing betrekken van de pleitnota van klager, die niet volledig zou zijn voorgelezen. Wat daarvan feitelijk zij, gelet op de hierna te nemen beslissing, heeft verweerster bij haar bezwaar geen belang.

3 FEITEN

3.1 In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht.

3.2 Aan deze klacht ligt een geschil rondom een nalatenschap ten grondslag. Erflaters zijn de ouders van klager. Klagers vader is op 8 maart 2003 overleden. Klagers moeder is op 30 maart 2020 overleden. Erfgenamen zijn klager en vijf broers en zussen. Klagers moeder had klager en één van zijn zussen onterfd.

3.3 Mr. P (hierna: de vereffenaar) is op 9 oktober 2020 door de rechtbank tot vereffenaar van de nalatenschap van moeder benoemd. Verweerster was op dat moment kantoorgenoot van de vereffenaar en verrichtte ook werkzaamheden in het dossier.

3.4 De vereffenaar heeft overbedelingsvorderingen vastgesteld en deze als schulden van de nalatenschap van moeder in de door hem opgestelde boedelbeschrijving en crediteurenlijst opgenomen. Een en ander heeft vanaf 10 april 2021 bij de rechtbankgriffie ter inzage gelegen.

3.5 Op 30 september 2021 heeft de vereffenaar de uitdelingslijst en de rekening en verantwoording ter inzage gelegd. Volgens een overzicht van die datum bedroeg het vereffenaarsloon op dat moment € 30.979,- en de griffierechten € 253,-.

3.6 Klager heeft verzet ingesteld tegen de uitdelingslijst en de rekening en verantwoording. De vereffenaar heeft verweerster gevraagd om op te treden als advocaat van de nalatenschap in de verzetprocedure. Verweerster was op dat moment al niet meer verbonden aan het kantoor van de vereffenaar.

3.7 De kantonrechter heeft het verzet mondeling behandeld. Tijdens de zitting bij de kantonrechter waren verweerster en de vereffenaar aanwezig.

3.8 In de beslissing van 15 maart 2022 heeft de kantonrechter het verzet (voorwaardelijk) ongegrond verklaard.

3.9 Klager heeft vervolgens een inhoudelijke procedure aanhangig gemaakt ter vaststelling van de in het verzet naar voren gebrachte geschilpunten (artikel 4:233 lid 2 BW). In die procedure heeft verweerster ook opgetreden als advocaat van de nalatenschap, op verzoek van de vereffenaar.

3.10 Op 4 april 2023 is de inhoudelijke procedure mondeling behandeld door de rechtbank. Bij de zittingen waren verweerster en de vereffenaar aanwezig. Klager was ook aanwezig, net als drie zussen en een broer. Klager, zijn broer en zijn zussen werden ieder bijgestaan door een eigen advocaat. Tijdens die zitting is een regeling getroffen. De regeling houdt in dat, zakelijk weergegeven, een aantal vorderingen waaronder het vereffenaarsloon, worden voldaan en dat het restant van de nalatenschap gelijkelijk wordt verdeeld onder klager en zijn vijf broers en zussen. Over het vereffenaarsloon is bepaald dat het gaat om alle kosten die de vereffenaar voor zijn werkzaamheden in de nalatenschap van moeder heeft gemaakt en zal moeten maken en dat deze volledig worden betaald.

3.11 De vereffeningskosten die bij de nalatenschap in rekening zijn gebracht bedragen € 58.579,-. Dit bedrag bestaat uit € 37.730,22 aan vereffenaarsloon en € 19.332,57 aan advocaatkosten (€ 14.146,- exclusief btw en kosten advocaat loon en € 2.215,91 aan griffierechten en verschotten). Daarnaast gaat het om € 1.061,78 in verband met de aangifte erfbelasting en om € 455,- aan voorgeschoten begrafeniskosten.

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

a) Verweerster heeft geweigerd om na het bereiken van de schikking op 4 april 2023 inzage te geven in haar kosten. Klager heeft er via zijn advocaat driemaal, maar tevergeefs, om gevraagd.

b) Klager begrijpt niet dat de vereffenaar kosten van een andere advocaat - verweerster - in rekening heeft gebracht bij de nalatenschap.

5 BEOORDELING RAAD

5.1 De raad heeft ten aanzien van klachtonderdeel a) het navolgende overwogen.

5.2 Verweerster trad op als advocaat in opdracht van de vereffenaar. In deze hoedanigheid is verweerster in relatie tot klager (en zijn broers en zussen) niet gehouden om te verantwoorden dat zij de opdracht van de vereffenaar heeft aanvaard. Evenmin is zij in relatie tot klager verplicht om verantwoording af te leggen over haar kosten. Dat zij niet heeft voldaan aan het verzoek van klager om een kostenspecificatie te verstrekken is dus niet onzorgvuldig of onbetamelijk. Klachtonderdeel a is ongegrond.

5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b) heeft de raad het navolgende overwogen.

5.4 De raad begrijpt klachtonderdeel b aldus dat klager verweerster verwijt dat de kosten die zij in opdracht van de vereffenaar heeft gemaakt ten onrechte in rekening zijn gebracht bij de nalatenschap. De advocaatkosten zijn in deze kwestie echter een onderdeel van de vereffenaarskosten en daarmee in de eerste plaats een aangelegenheid tussen de vereffenaar en de kantonrechter. De vereffenaarskosten zijn bovendien als onderdeel van de schikking van 4 april 2023 in rekening gebracht bij de nalatenschap. Het is niet aan verweerster om een en ander jegens de erfgenamen te verantwoorden. Dat zij dat in relatie tot klager niet heeft gedaan is dus niet onbetamelijk. Klachtonderdeel b is ook ongegrond.

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1 Klager voert het navolgende aan. Klager (en zijn familie) dienen de kosten van verweerster te voldoen, maar krijgt daarvan geen specificatie, met een beroep op het beroepsgeheim. Dit druist in tegen alle normen van fatsoen en geloofwaardigheid en is schadelijk zowel voor de maatschappij als voor het vertrouwen in de advocatuur.

6.2 Dat de vereffenaar het nodig vond om zich bij te laten staan door een advocaat, komt voor zijn rekening. De kosten van verweerster dienen derhalve (op basis van de gemaakte afspraken) door hem zelf te worden gedragen en niet te worden afgeschoven op klager (en zijn familie).

Verweer verweerster

6.3 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 In de kwestie rondom de nalatenschappen van de ouders van klager gold verweerster als de advocaat van de vereffenaar en de nalatenschap. Haar rol was niet de behartiging van de belangen van klager (en zijn broers en zussen). Het hof zal daarom bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt nemen dat een advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem goeddunkt. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden begrensd indien de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van andere betrokkenen onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.

Overwegingen hof

7.2 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad heeft gedaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Daaraan voegt het hof toe dat hoewel het hof begrip heeft voor het gevoel van klager - die het redelijk en ook vanzelfsprekend vindt dat hij een specificatie van de door verweerster gemaakte kosten ontvangt, omdat hij degene is die (samen met zijn familie) deze kosten moet voldoen, past dit niet in het wettelijk systeem, waarbij het de vereffenaar vrijstaat om zich in het kader van de uitoefening van de aan hem opgedragen werkzaamheden bij te laten staan door een advocaat en de kantonrechter de vereffeningskosten (waaronder in het onderhavige geval begrepen de kosten van verweerster) vaststelt.

7.3 De conclusie is dat het hoger beroep van klager wordt verworpen. Het hof zal de beslissing van de raad bekrachtigen.

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

8.1 bekrachtigt de beslissing van 24 maart 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 24-615/DH/DH.

Deze beslissing is gewezen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. D. Wachter en M. van Roosmalen , leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.

griffier                                                                                                              voorzitter             

De beslissing is verzonden op 30 januari 2026 .