ECLI:NL:TAHVD:2026:319 Hof van Discipline 's Gravenhage 260167V

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:319
Datum uitspraak: 05-10-2026
Datum publicatie: 05-10-2026
Zaaknummer(s): 260167V
Onderwerp: Tuchtprocesrecht
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet tegen voorzittersbeslissing ongegrond. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de verwijzingsverzoeken van klager van diens klachten over verweerders 1 t/m 3 te komen dan die van de voorzitter. De klachten van klager over verweerders 1 en 2 hebben betrekking op het klachtonderzoek van verweerder 2 naar de klacht van klager over verweerder 1. Klager had na afronding van het onderzoek en na betaling van het griffierecht, zijn klacht over verweerster 1 ter beslissing aan de raad van discipline kunnen voorleggen. In die procedure had klager ook al zijn bezwaren mee kunnen nemen over de wijze waarop het klachtonderzoek is uitgevoerd door verweerder 2, de duur van het klachtonderzoek en de door verweerder 2 genomen procedurele beslissingen. Verweerster 3 is geen advocaat zodat het advocatentuchtrecht op haar niet van toepassing is.

Beslissing van 5 oktober 2026

in de zaak 260167V

naar aanleiding van het verzet

tegen de beslissing van de voorzitter van het hof

van 28 mei 2026 in de klacht van:

klager

over:

1. mr. F.A. ten Berge

advocaat en deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland

2. mr. E.J.M. Rosier

advocaat en deken van de Orde van Advocaten Limburg

3. mr. B.

stafjurist Orde van Advocaten Midden-Nederland  

gezamenlijk te noemen verweerders

1 DE PROCEDURE

  1.  

1.1 Met de beslissing van 28 mei 2026 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klager tot verwijzing van de klacht over verweerders afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2026:165 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2 Het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter is op 31 mei 2026 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Het dossier bevat daarnaast:

- verweerschrift verweerders 1 en 3
- verweerschrift verweerder 2
- repliek
- dupliek (verweerders 1 en 3).

1.3 Het hof heeft het verzet behandeld op basis van de stukken in het dossier.  

2 FEITEN

2.1 Klager heeft in een e-mailbericht met bijlagen van 7 mei 2026 bij het hof klachten ingediend over verweerders met het verzoek aan het hof om op grond van artikel 46c Advocatenwet zijn klachten in behandeling te nemen, de klachten zelf te behandelen, een andere deken aan te wijzen die zijn klacht over verweerster 1 verder onderzoekt, vast te stellen dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is overschreden, de Orde van Advocaten danwel verweerders in de kosten van deze procedure te veroordelen en passende tuchtrechtelijke maatregelen jegens verweerders op te leggen.

2.2 Volgens klager heeft verweerster 1 haar wettelijke verplichting om mee te werken aan een deugdelijk dekenonderzoek geschonden door niet tijdig te reageren op de klachtomschrijving van verweerder 2, een laattijdig en ondeugdelijk uitstelverzoek in te dienen en het gelijkheidsbeginsel te schenden.

2.3 Klager verwijt verweerder 2 dat hij te kort is geschoten in zijn wettelijke plicht (artikel 46c Advocatenwet) om een onderzoek in te stellen naar elke bij hem ingediende klacht door volstrekte passiviteit, het niet naleven van een gerechtelijke beslissing en schending van het gelijkheidsbeginsel.

2.4 Uit de toelichting op zijn klachten over verweerders 1 en 2 heeft de voorzitter begrepen dat deze klachten betrekking hebben op de wijze waarop verweerder 2 onderzoek doet naar de klacht die klager over verweerster 1 heeft ingediend. Bij beslissing van 28 mei 2025 van de voorzitter van het hof is verweerder 2 aangewezen om de klacht van klager over verweerster 1 te onderzoeken.

2.5 De voorzitter heeft overwogen dat het klachtrecht niet bedoeld is om het hof te verzoeken te interveniëren in een lopend klachtonderzoek van een deken (waartoe het hof heeft ook geen wettelijke bevoegdheid heeft). Evenmin is het klachtrecht bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens het klachtonderzoek neemt (zoals het hanteren van termijnen). Klager kan, na afronding van het klachtonderzoek door verweerder 2 en na betaling van het griffierecht, zijn klacht over verweerster 1 laten toetsen door de raad van discipline. Binnen de kaders van die procedure kan klager al zijn bezwaren over het klachtonderzoek door verweerder 2 en de daarin door verweerder 2 genomen procedurele beslissingen onder de aandacht van de raad van discipline brengen.

2.6 De klacht over verweerster 3 is niet verwezen door de voorzitter omdat het klachtrecht in de Advocatenwet uitsluitend van toepassing is op advocaten. Verweerster 3 is werkzaam als stafjurist bij de Orde Midden-Nederland maar staat niet ingeschreven als advocaat op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten.

3 HET VERZET

De gronden van verzet

3.1 Klager heeft aan het verzet (samengevat en voor zover relevant in het kader van deze procedure) het navolgende ten grondslag gelegd.

3.2 Volgens klager heeft de voorzitter zijn klachten over de dekens (verweerders 1 en 2) ten onrechte samengevoegd. Het gaat volgens klager niet alleen om de wijze van onderzoek van verweerder 2 maar ook om:

-           het structureel niet tijdig reageren door de deken Midden-Nederland op een duidelijke
            klachtomschrijving;
-           het indienen van een laattijdig en ondeugdelijk uitstelverzoek;
-           het schenden van het gelijkheidsbeginsel door beide dekens;
-           de volstrekte passiviteit van verweerder 2, ondanks een gerechtelijke aanwijzing van het hof
            van 28 mei 2025.

3.3 Deze punten zijn volgens klager niet louter ‘procedurele beslissingen tijdens een lopend onderzoek’, maar raken aan fundamentele beginselen van behoorlijk klachtonderzoek. Door ze samen te voegen tot één ‘lopend dekenonderzoek’ geeft de voorzitter een onvolledig en simplistisch oordeel.

3.4 Er is verder sprake van schending van artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn). Het klachtonderzoek loopt sinds mei 2025 zonder zicht op een deugdelijke afronding. Het beginsel van effectieve rechtsbescherming vereist dat het hof bij een vastgelopen klachtonderzoek zijn bevoegdheid gebruikt en niet verwijst naar een toekomstige procedure bij de raad van discipline. Volgens klager kan het hof als toezichthouder op de deken in uitzonderlijke gevallen, zoals in dit geval, ingrijpen.

3.5 De klacht over verweerder 3 is ten onrechte niet verwezen omdat volgens klager het klachtrecht ruim dient te worden uitgelegd, mede gelet op artikel 13 EVRM (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel). De klacht over verweerder 3 had de voorzitter voor onderzoek moeten verwijzen naar een deken met het verzoek te beoordelen of hier sprake is van feitelijk handelen onder de verantwoordelijkheid van een advocaat-deken.

3.6 Klager verzoekt het hof de bestreden beslissing te vernietigen en de klachten over verweerders 1 t/m 3 te verwijzen naar een andere deken voor onderzoek en verdere afhandeling. Subsidiair verzoekt klager het hof om de klachten in behandeling te nemen gelet op de spoedeisendheid en de overschrijding van de redelijke termijn, een voorlopige voorziening te treffen op straffe van een dwangsom, vast te stellen dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is geschonden en dat deze schending voortduurt, en de Orde van Advocaten dan wel verweerders hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de verzetprocedure.

Het verweer

3.7 Door verweerders 1 en 3 is tegen het verzet aangevoerd dat de voorzitter in zijn beslissing de juiste maatstaf heeft toegepast. De klacht van klager over verweerster 1 is binnen een redelijke termijn onderzocht door verweerder 2: de klacht is op 28 mei 2025 door het hof verwezen naar verweerder 2 die op 4 november 2025 zijn dekenvisie heeft gegeven. Klager kon vervolgens zijn klacht laten toetsen door de raad van discipline na betaling van het griffierecht. Dat heeft klager niet gedaan. Uit artikel 46c lid 5 Advocatenwet volgt volgens verweerders 1 en 3 niet dat het hof de toezichthouder op de lokale deken is. Het klachtrecht is uitsluitend bedoeld voor advocaten.Verweerder 3 is niet als advocaat ingeschreven. 

3.8 Door verweerder 2 is tegen het verzet aangevoerd dat na de verwijzingsbeslissing van het hof van 28 mei 2025 het klachtonderzoek door verweerder 2 is afgerond op 4 november 2025.  Klagers stelling dat het onderzoek nog steeds loopt en dat er geen zicht zou zijn op een deugdelijke afronding, is feitelijk onjuist. Klager is in totaal viermaal in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verweerschrift van verweerster 1 maar heeft dit niet gedaan. Van enige passiviteit van de zijde van verweerder 2 is geen sprake.

3.9 Verder voert verweerder 2 aan dat het hof terecht heeft overwogen dat het klachtrecht niet is bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken neemt tijdens een klachtonderzoek. Het stond klager vrij om, na betaling van het griffierecht, zijn bezwaren over het klachtonderzoek neer te leggen bij de raad van discipline. Dat heeft klager niet gedaan.

4 BEOORDELING

Verzet mogelijk?
4.1 De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advw. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten over dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te onderzoeken en af te handelen.

4.2 De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter/het hof het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.

Maatstaf

4.3 Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.4 Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de verwijzingsverzoeken van klager van diens klachten over verweerders 1 t/m 3 te komen dan die van de voorzitter. De klachten van klager over verweerders 1 en 2 hebben betrekking op het klachtonderzoek van verweerder 2 naar de klacht van klager over verweerder 1. Klager had na afronding van het onderzoek en na betaling van het griffierecht, zijn klacht over verweerster 1 ter beslissing aan de raad van discipline kunnen voorleggen. In die procedure had klager ook al zijn bezwaren mee kunnen nemen over de wijze waarop het klachtonderzoek is uitgevoerd door verweerder 2, de duur van het klachtonderzoek en de door verweerder 2 genomen procedurele beslissingen. Verweerster 3 is geen advocaat zodat het advocatentuchtrecht op haar niet van toepassing is.

4.5 Het voorgaande leidt ertoe dat het hof het verzet ongegrond zal verklaren. Het hof wijst de overige (subsidiaire) verzoeken van klager af omdat het hof geen wettelijke bevoegdheid heeft daarop te beslissen.

5  BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. A.E.H. van der Voort Maarschalk en D. Fontein, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter             

De beslissing is verzonden op 5 oktober 2026 .