ECLI:NL:TAHVD:2026:318 Hof van Discipline 's Gravenhage 260179
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:318 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-10-2026 |
| Datum publicatie: | 05-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260179 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 lid 3 Advocatenwet ongegrond. De aanwijzingsbevoegdheid van de deken is een vangnetvoorziening, die pas in werking treedt als de rechtzoekende eerst zelf (aantoonbare) initiatieven heeft genomen om een advocaat te vinden. Een gegronde reden tot afwijzing kan daarom zijn dat de verzoeker niet kan aantonen dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. Dit betekent dat de deken mocht verzoeken om toezending van de afwijzingsberichten van de zes door klager benaderde advocaten. Daarmee heeft de deken volgens het hof de inspanningsverplichting van klager om zelf een advocaat te vinden niet verkeerd uitgelegd. Onder verwijzing naar de uitspraak van het hof van 1 mei 2026 (ECLI:NL:TAHVD:2026:132) overweegt het hof verder dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan verschillende beperkingen mag worden onderworpen. Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is. |
Beslissing van 5 oktober 2026
in de zaak 260179
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. M.A.R.C. Padberg
advocaat en deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Rotterdam
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 19 mei 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager onvoldoende inspanningen heeft verricht om een advocaat te vinden.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 19 mei 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek.
1.5 Het hof heeft het verzoek behandeld op basis van de stukken in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Op 26 maart 2026 heeft klager een verzoek tot aanwijzing van een advocaat ingediend
bij de
deken. Klager heeft daarin aangegeven dat hij voornemens is een civiele procedure
te starten in kort geding danwel bodemprocedure tegen een cryptocurrency-platform
strekkende tot onmiddellijke vrijgave en teruggave van XRP-assets.
2.2 Het verzoek van klager is aanvankelijk doorgezonden naar de Orde van Advocaten Den Haag omdat op het webformulier was ingevuld dat de zaak zou dienen bij de Rechtbank Den Haag. Het verzoek is in april 2026 aan de deken teruggezonden omdat uit de stukken bleek dat een eventuele procedure toch bij de Rechtbank Rotterdam zou moeten dienen.
2.3 Op 21 april 2026 is klager door de deken verzocht de schriftelijke afwijzingen
van de door hem
benaderde advocaten over te leggen. Het was voor klager evenwel niet duidelijk om
welk verzoek het ging.
2.4 De deken heeft 22 april 2026 in een e-mail aan klager laten weten welke zaak het betrof.
2.5 Op 22 april 2026 heeft klager in vier e-mails laten weten geen schriftelijke afwijzingen
te kunnen
sturen omdat de zes door hem benaderde advocaten die niet hebben gestuurd. Klager
geeft daarbij aan dat hij niet verplicht is om schriftelijke afwijzingen over te leggen.
2.6 Op 19 mei 2026 heeft de deken het verzoek van klager afgewezen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen en voert daartoe (samengevat) aan dat de beslissing van de deken onvoldoende is gemotiveerd, onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, is gebaseerd op een te strenge uitleg van artikel 13 Advocatenwet en de beslissing leidt tot een onevenredige belemmering van de toegang tot het recht (artikel 6 EVRM).
3.2 Volgens klager is er geen duidelijke wettelijke norm over het minimumaantal advocaten dat benaderd moet worden. Ook heeft de deken onvoldoende onderzoek gedaan naar de aard van de zaak en de praktische moeilijkheid om gespecialiseerde rechtsbijstand te verkrijgen. Volgens klager had de deken zelf contact moeten opnemen met de door klager benaderde advocaten en moeten onderzoeken of zij over de vereiste expertise beschikken en of zij bereid zouden zijn om de zaak van klager te behandelen.
Verweer
3.3 De deken heeft het hof verzocht het beklag ongegrond te verklaren. De deken heeft daartoe aangevoerd dat hij van mening blijft dat klager met het versturen van één e-mailbericht aan zes advocaten, waarop geen reactie is gekomen, zich onvoldoende heeft ingespannen om een advocaat te vinden. Het uitblijven van een reactie van een advocaat had klager volgens de deken niet mogen opvatten als een afwijzing. Verder stelt de deken geen minimumaantal afwijzingen te hebben gevraagd aan klager; er is hem verzocht de schriftelijke afwijzingen toe te sturen van de advocaten die klager had benaderd. De deken is niet verplicht om onderzoek te doen naar de aard van de zaak en de moeilijkheid om een advocaat te vinden en evenmin om contact op te nemen met de advocaten die klager had benaderd. Onder verwijzing naar een uitspraak van het hof van 1 mei 2026 (ECLI:NL:TAHVD:2026:132) voert de deken ten slotte aan dat zijn afwijzingsbeslissing niet de toegang tot het recht (artikel 6 EVRM) belemmert.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 De aanwijzingsbevoegdheid van de deken is een vangnetvoorziening, die pas in werking treedt als de rechtzoekende eerst zelf (aantoonbare) initiatieven heeft genomen om een advocaat te vinden. Een gegronde reden tot afwijzing kan daarom zijn dat de verzoeker niet kan aantonen dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. Dit betekent dat de deken mocht verzoeken om toezending van de afwijzingsberichten van de zes door klager benaderde advocaten. Daarmee heeft de deken volgens het hof de inspanningsverplichting van klager om zelf een advocaat te vinden niet verkeerd uitgelegd. Evenals de deken is het hof van oordeel dat klager niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan met het enkel sturen van een e-mail aan zes advocaten. Het uitblijven van een reactie van de door klager benaderde advocaten mocht klager ook niet opvatten als een bewijs van afwijzing klager bij te willen staan. Klager had na het versturen van zijn e-mail telefonisch contact op kunnen nemen met de betreffende advocaten en/of andere advocaten kunnen raadplegen. Uit het dossier blijkt niet dat klager dit heeft gedaan en evenmin dat klager anderszins voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden.
4.3 Onder verwijzing naar de uitspraak van het hof van 1 mei 2026 (ECLI:NL:TAHVD:2026:132) overweegt het hof verder dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan verschillende beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel.
4.4 Het Nederlandse wettelijke systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.
4.5 Het voorgaande leidt ertoe dat het hof het beklag van klager ongegrond zal verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 19 mei 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. A.E.H. van der Voort Maarschalk en D. Fontein, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 5 oktober 2026.