ECLI:NL:TAHVD:2026:301 Hof van Discipline 's Gravenhage 260316
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:301 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-09-2026 |
| Datum publicatie: | 21-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260316 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken heeft het aanwijzingsverzoek afgewezen omdat klaagster werd bijgestaan door een advocaat, die nog steeds bereid was om klaagster te blijven bijstaan, terwijl niet was gebleken van een onjuist professionele inschatting van de advocaat en evenmin van structurele onwil of onvermogen van de advocaat om rechtsbijstand te verlenen. Het hof onderschrijft dit oordeel, evenals het besluit van de deken om zijn beslissing niet te herzien nadat de advocaat zich (een maand na hervatting van de werkzaamheden) alsnog onttrok. Inmiddels heeft klaagster een andere advocaat gevonden, die haar wilde bijstaan. Zij heeft er echter zelf voor gekozen om met die advocaat niet in zee te gaan, waarbij (wederom) een verschil van inzicht speelde over de professionele beoordeling van de zaak. Dat klaagster geen bijstand van een advocaat heeft, terwijl de datum van de mondelinge behandeling in de lopende procedure nadert, komt voor klaagsters eigen rekening en risico. Artikel 13 Advocatenwet is voor deze situatie - klaagster wenst een advocaat die bereid is te doen wat zij van die advocaat verlangt - niet bedoeld. |
Beslissing van 21 september 2026
in de zaak 260316
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster
tegen:
mr. E.W.J. de Groot
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Zeeland-West-Brabant
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een
advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 14 juli 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klaagster in de echtscheidingsprocedure werd bijgestaan door een advocaat, dat die advocaat zich niet beroept op een vertrouwensbreuk of die heeft veroorzaakt en dat die advocaat nog steeds bereid is om klaagster te blijven bijstaan. Klaagster is dus niet verstoken van rechtsbijstand.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 31 juli 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken
ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek
- de e-mails van de deken en van klaagster van 7 september 2026.
- de e-mail van klaagster van 10 september 2026.
1.4 Het hof heeft de beslissing genomen op basis van de stukken in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klaagster heeft de [A] nationaliteit en is met haar gezin naar Nederland gekomen. Zij heeft zich in verband met echtscheidingsproblematiek tot een advocaat (hierna: de advocaat) gewend, die haar op basis van een toevoeging is gaan bijstaan. Klaagster wil met de kinderen verhuizen naar A, maar haar echtgenoot (hierna: de man) wil daaraan niet meewerken. Klaagster heeft de advocaat op 4 november 2025 gevraagd de echtscheidingsprocedure zo snel mogelijk in gang te zetten en een verzoek in te dienen dat de man voorlopig uit de echtelijke woning vertrekt.
2.2 Op 10 november 2025 heeft de advocaat klaagster een concept verzoek voorlopige voorzieningen gezonden en daarop onder meer het commentaar van klaagster gevraagd. Zij schreef verder:
“Over de terugkeer naar [A] zal de rechtbank in voorlopige voorziening geen uitspraak doen, tenzij [de man] akkoord geeft, maar dat doet hij niet. Ik kan het formeel ook niet goed rijmen met jouw opleiding op dit moment. Wanneer je wilt dat ik het nu vraag, dan pas ik het verzoekschrift daaraan aan.”
Klaagster heeft per omgaande haar commentaar op het concept gegeven, waarop de advocaat reageerde:
“Verder heb je het niet helemaal begrepen: een voorlopige voorziening is een spoedvoorziening, dus om een snelle maatregel te treffen die niet kan wachten op de definitieve echtscheiding. Dat hij vreemd gaat is dan geen argument; in Nederland gaat de rechtbank hier aan voorbij met als resultaat dat het verzochte wordt afgewezen. Dat moet je niet willen, is zonde van het geld. Ik heb zijn aanwezigheid thuis dus gebruikt voor de oplopende spanningen en die rechtvaardigen wel een spoedvoorziening.”
2.3 Het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen is in januari 2026 behandeld. Uit de beschikking blijkt dat partijen in onderling overleg afspraken hebben gemaakt over het verkooptraject voor de echtelijke woning en dat zij voor de verdere invulling daarvan aan mediation dachten. Uiteindelijk hebben partijen aangegeven dat zij bemiddeling wensten voor alle geschillen, die in het kader van de echtscheiding speelden en heeft de rechtbank partijen naar het mediationbureau van de rechtbank verwezen voor bemiddeling met intrekking van de verzoeken over en weer.
2.4 Uit een bericht van de advocaat aan klaagster van 26 februari 2026 blijkt dat de mediaton door de mediator was beëindigd en dat partijen verder moesten met de echtscheidingsprocedure. De advocaat heeft klaagster erop gewezen dat partijen stap voor stap moesten proberen om afspraken te maken. Ook schreef de advocaat onder meer:
“Ik kan geen voorlopige voorziening meer vragen, wat jij wil hoort in de bodemprocedure thuis en dat kan heel lang wachten. (…)”
Klaagsters onmiddellijke reactie met diverse vragen heeft de advocaat diezelfde dag inhoudelijk beantwoord, waarbij zij onder meer heeft vermeld dat zij diezelfde vragen ook al eerder had beantwoord.
2.5 Op 15 april 2026 heeft klaagster de advocaat haar opmerkingen gezonden op het (aangepaste) concept verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de man in de bodemprocedure. Voorafgaand aan die opmerkingen schreef klaagster onder meer:
“The points below define my legal position and include recent updates. I ask that all of them be incorporated before any further submission is made, and that you confirm this in writing.”
De advocaat reageerde inhoudelijk op alle opmerkingen en schreef onder meer:
“Kinderen:
Er staat al dat jij de verzorging van de kinderen had en dat dit zo blijft.
De kinderen ouder dan 12 worden altijd door de rechtbank gehoord, dit hoef ik niet
apart te vragen, sterker: de rechter zal vragen waarom ik dat niet zou weten. (…)
Dit heb ik jou een aantal keren verteld.
(…)
Huis
Wat je schrijft over die taxatie is verplicht wanneer er een geschil is over de
waarde van de woning. Ik heb echter geschreven dat jij wil dat de woning wordt verkocht.
Wat er in de mediation is gebeurd maakt hiervoor niet uit en bovendien mag hetgeen
in een mediation wordt gezegd niet worden gebruikt in een gerechtelijke procedure.
Partneralimentatie:
Ik heb de berekening bijgevoegd en op grond daarvan is er geen draagkracht om bij
te dragen. Alle draagkrachtruimte van [de man] zit in de kinderalimentatie.
Pensioenen
Dit staat zo vermeld.
Ik zal jouw pensioen alsnog aangeven. Hiervan is te zijner tijd de helft voor [de
man]
Dan de verhuizing.
Ik heb jou eerder uitgelegd dat dit niet in art.1:253a staat. Dit artikel gaat over
een geschil tussen gezaghebbende ouders. De discussie over de verhuizing valt dus
onder artikel 1:253a en de rechter dient hierover een beslissing te geven. Dat gebeurt
ook; dit is onderdeel van de procedure. Het is dus niet zo dat op grond van dit artikel
jij zondermeer naar [A] mag gaan.
Ik zal benadrukken dat je het in het belang van de kinderen vindt dat jullie naar
[A] kunnen verhuizen.
(…)
Gezondheid
Ik zal hierover een opmerking maken maar wat wil je er mee bereiken?
Wanneer de woning moet worden verkocht hebben jullie beiden een probleem dus de
rechter neemt het ter kennisgeving aan.
Tenslotte: voegen de whatsappberichten iets toe?
Er moet gescheiden worden en de gemeenschappelijke boedel, waaronder de woning,
moet worden verdeeld.
(…)”
Daarop heeft klaagster teruggeschreven:
“(…) The legal positions below are mine and supported by evidence.
These points DEFINE my position and must be incorporated before the defence is filed.
These are factual matters, not preferences.
(..)
*Required corrections before filing*
*1. Property – open market sale (with evidence)*
(…)
*2. Partneralimentatie – must remain open*
(…)
His remuneration includes a company car, which must be included in the draagkracht
calculation. Updated payslips post-1 March 2026 must be formally requested.
My right to partneralimentatie must remain explicitly preserved and formally calculated.
I do not waive this right. (…)
*3. My income – correct characterisation*
(…)
*4. Financial disclosure – pensions and assets*
(…)
I request that the court orders full financial disclosure prior to any determination
on division or maintenance.
The estate is not complete without this.
*5. Relocation (Article 1:253a BW)*
Relocation must remain explicitly open and must not be framed as a preference.
This is in the best interests of the children.
It must not be conceded, limited, or omitted in any document, submission, or mediation
record.
This position must not be interpreted as a waiver or limitation of my legal rights.
*6. Children – hearing request*
[De dochter] repeatedly requested to speak to the judge.
This must be formally recorded and actioned under Article 809 Rv.
(…)
*7. Health and employability*
My health issues (chronic migraines, osteoarthritis, psychological support) directly
affect my ability to obtain employment.
This is relevant to both employability and financial capacity.
Most non-Dutch language roles available to me are manual labour, which I cannot
perform. English-speaking administrative roles are extremely limited. This must be
reflected accurately.
*Final clarification*
If the above corrections are not incorporated, I do not consent to filing the defence
in its current form.
All rights and positions are expressly reserved. (…)”
Diezelfde middag heeft de advocaat klaagster geschreven:
“Allereerst excuses voor de toon van mijn telefoongesprek. Ik lees in jouw mails enkel
de opdrachten die juridisch niet mogelijk zijn en waarvan ik je al een paar keer heb
uitgelegd hoe het Nederlandse rechtsstelsel werkt. Weer een mail als reactie leek
me geen goed idee.
Ik heb alle begrip voor jouw situatie en je moet er op vertrouwen dat ik alles voor
je in het werk stel om ervoor te zorgen dat alles goed geregeld wordt.
In bijlage dan het nogmaals aangepaste verweer op de zelfstandige verzoeken. Ik
heb geprobeerd het nog duidelijker aan te geven dat je voor [de man] naar NL bent
gekomen, dat je om die reden geen werk hebt (hoeven) vinden en dat het nu heel moeilijk
is.
De kinderen moeten bij jou blijven en voorlopig komt er dan een omgang van een weekend
per veertien dagen.
Uit de berekening volgt dat hij alleen kinderalimentatie kan betalen. (…) Maar ik
heb wel aangegeven dat je behoefte hebt aan een bijdrage. Dus wanneer hij méér inkomen
krijgt, zal hij alsnog moeten betalen.”
Hierop is het verweer bij de rechtbank ingediend.
2.6 Op 5 mei 2026 heeft klaagster de advocaat onder meer het volgende geschreven:
“(…) I note that the voorlopige voorzieningen were withdrawn in favor of mediation;
at the time, I didn’t fully understand the consequences. As a result, no interim measures
are currently in place.
The situation now is unsustainable: no financial arrangement exists between us,
the joint account is in deficit, and I’m using limited freelance funds for the children’s
basic needs.
You’ve indicated no action is possible while we live under the same roof, but I
don’t fully understand this. To help me stabilize while job hunting, could you please
clarify:
On what basis co-residence prevents filing a verzoek om voorlopige voorzieningen
in this case;
Whether a new verzoek om voorlopige voorzieningen can/will be filed, and if so,
within what timeframe? (…)”
De advocaat heeft op 6 mei 2026 onder meer geantwoord:
“Allereerst: de voorlopige voorzieningen zijn niet ingetrokken De rechter heeft jullie
verwezen naar mediation, welk traject om onduidelijke reden door de mediator is stopgezet.
De rechter moet nu nog een beslissing geven op de verzoeken.
Inzet van deze procedure was het vertrek van [de man] uit de woning, er diende een
regeling te komen voor het gebruik van de woning, zolang daarover geen duidelijkheid
is wanneer die wordt verkocht of toegedeeld. Er is bij de mediator geen regeling afgesproken
maar [de man] heeft nu werk en is overdag afwezig.
(…)
Zolang jullie samenwonen worden jullie geacht om samen alle kosten te dragen. De
beide inkomens dienen daarvoor te worden aangewend.
Ik zal over de financiën zijn advocaat nogmaals een mail sturen zodat dit inzichtelijk
wordt.
Voor wat betreft de sollicitatie: [de man] wil niet dat de kinderen naar [A] gaan.
Jij mag die baan wel accepteren, maar dan blijven de kinderen hier..dat is niet wenselijk.
(...)”
2.7 Op 3 juli 2026 heeft klaagster om aanwijzing van een andere advocaat verzocht, omdat haar advocaat essentiële stappen die klaagster haar had opgedragen heeft geweigerd of niet uitgevoerd. Volgens klaagster was er een onherstelbare vertrouwenscrisis.
2.8 Nadat de deken klaagsters aanwijzingsverzoek op 14 juli 2026 had afgewezen, heeft de advocaat haar werkzaamheden voor klaagster hervat. Op 20 juli heeft klaagster de advocaat bericht dat de situatie thuis was geëscaleerd, dat het niet langer veilig was voor haar en de kinderen en dat ze Veilig Thuis had bericht. Klaagster verzocht de advocaat om voorlopige voorzieningen te vragen. De advocaat heeft daarop geantwoord:
Allereerst: ga meteen aangifte doen en stuur mij hiervan een afschrift. Idem voor
het advies van Veilig Thuis.
Ik zal proberen om woensdag een verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen
op te stellen waarbij ik de rechtbank zal vragen om het allééngebruik van de woning
en een bijdrage voor de kinderen en voor jezelf. Dit verzoek zal over ongeveer 3 weken
worden behandeld.
De mail van dit weekend heb ik ook gelezen en ik wilde aan de hand daarvan voorstellen
dat ik een verzoekschrift 1:253a zal indienen zoals je verzocht en de rechtbank te
vragen dit eveneens in behandeling te nemen.
Zoals ik je eerder heb uitgelegd zou ik wel met een voorlopige voorziening om vervangende
toestemming voor verhuizing naar [A] kunnen vragen maar dan moet ik het spoedeisend
belang aantonen (de baan in [A] die je nog niet hebt). Dit was tot nu toe niet mogelijk.
Ik kan de vervangende toestemming om te verhuizen nu wel verwerken in het verzoekschrift
voorlopige voorzieningen, er is nu een spoedeisend belang. (…)”
2.9 Op 24 juli 2026 heeft klaagster de advocaat onder meer geschreven:
“(…) I agree with the proposed application, but I need confirmation that it will include
all previously discussed requests:
* substituted permission for the children and me to relocate to [A];
* an enforceable open-market sale of the family home, including [de mans] required
cooperation and replacement of his signature if necessary;
* exclusive use of the family home for the children and me pending sale;
* provisional child maintenance and partner maintenance; and
* an enforceable temporary parenting framework covering care schedules, holidays,
travel, work absences, school and medical decisions, and consultation before plans
are presented to the children.
(…)
Please confirm that all of these points will be included.”
De advocaat heeft geantwoord dat zij eerst de advocaat van de man zou benaderen met de vraag of hij bereid was de woning te verlaten en te verkopen. Verder schreef zij:
“Zo nee, dan maak ik een verzoekschrift voorlopige voorziening waarin ik de rechtbank
vraag:
- vervangende toestemming te verlenen voor verkoop woning
- het allééngebruik van de woning door jou (waarbij je wel moet bedenken dat de rechtbank
dit eerder heeft afgewezen omdat [de man] overdag aan het werk is)
- ingeval hij vertrekt: een kinderalimentatie. Een kinderalimentatie kan pas worden
opgelegd wanneer ouders niet meer bij elkaar wonen.
-vervangende toestemming om naar [A] te verhuizen. Waarbij je je wel moet realiseren
dat de rechtbank zal zeggen dat dit niet iets is voor een voorlopige voorziening maar
wel voor de hoofdprocedure. Maar dan is het maar in gang gezet.”
Klaagster reageerde als volgt:
“(…) My instructions are as follows.
1. File a full and substantive relocation application under art. 1:253a BW.
2. Seek all urgent interim measures already discussed: exclusive use of the home,
child maintenance, partner maintenance, and an enforceable temporary parenting arrangement.
3. Seek an enforceable open-market sale of the property, with substitute authority
or other appropriate relief if [de man] does not cooperate.
No substantive request is to be omitted, withdrawn, softened or deferred without
first providing me with written legal advice and obtaining my written agreement.
(…)
Please confirm the precise requests, the procedural route and the filing date.”
2.10 Op 27 juli 2026 heeft de advocaat klaagster een concept verzoekschrift gezonden met verzoeken aan de rechtbank om vervangende toestemming aan klaagster te verlenen om de echtelijke woning te verkopen en de woning ondertussen bij uitsluiting te mogen gebruiken. Verder werd verzocht de kinderen aan de vrouw toe te vertrouwen, een onderhoudsbijdrage voor de kinderen te bepalen en vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing van de kinderen naar A. In de begeleidende e-mail schreef de advocaat:
“Zoals vaker aangegeven zit ik met het probleem van "de ingang bij de rechtbank":
om een vervangende toestemming voor verhuizing naar [A] te krijgen voordat de bodemzaak
is afgehandeld, moet er zowel met een voorlopige voorziening als met een verzoekschrift
1:253a, een spoedeisend belang zijn en wel in die mate dat de bodemzaak niet kan worden
afgewacht. Dus moet de baan in [A] zeker zijn en moet duidelijk zijn dat de hulpverlening
van de kinderen dit ondersteunt.
Met een start van de verkoop van de woning wordt dit eenvoudiger: het incident van
2 weken geleden geeft de spoedeisendheid aan voor die maatregel. Vandaar dus alléén
die vraag aan zijn advocaat. Wanneer hij weigert, kan ik een voorlopige voorziening
vragen om vervangende toestemming te krijgen voor de verkoop maar dan tevens vragen
om een vervangende toestemming om naar [A] te verhuizen (de 1:253a).
Gaat hij akkoord met de verkoop, dan moet ik de 253a procedure starten.
In de tussentijd hoop ik dat de rechtbank heel snel overgaat tot het plannen van
een zitting in de bodemzaak.
Ik heb op jouw verzoek al een concept van het verzoekschrift gemaakt en dat tref
je in bijlage aan. Hierbij het verzoek om aan te geven hoe de zorgregeling er uit
moet zien wanneer jullie in [A] wonen, ik heb aangehouden 4 weken zomervakantie, zoals
in jouw ouderschapsplan staat vermeld. Verder nog de alimentatie: Na betaling van
de kinderalimentatie is er geen ruimte meer voor partneralimentatie, dus het maakt
je ongeloofwaardig om die te vragen.
Daarbij is de kinderalimentatie volledig netto en de partneralimentatie bruto (dus
hierover nog belasting betalen). (…)”
In de daaropvolgende e-mailwisseling van dezelfde dag heeft klaagster onder meer zestien onderwerpen aangegeven, waarvan zij vond dat die nog in het verzoekschrift moesten worden opgenomen.
2.11 Op 28 juli 2026 heeft de advocaat klaagster erop gewezen dat verzoekschrift van de dag daarvoor een eerste concept betrof, maar dat de rechtbank inmiddels een datum voor de behandeling van de bodemzaak had doorgegeven. Zij schreef verder:
“Dit betekent dat een ander verzoek niet hoeft te worden ingediend; alles wordt diepgaand
(en waarschijnlijk met 3 rechters) en in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming
behandeld en beoordeeld. Een rechter die eerder zou moeten worden ingeschakeld gaat
niet alléén beslissen.
Dit betekent dat ik geen apart verzoek zal indienen maar in de bodemprocedure de
verzoeken nader zal uiteenzetten.”
Klaagster reageerde met onder meer:
“I do not consent. The draft you sent also confirms that you continue to treat this
as a simple Dutch domestic case, when it never was. The international relocation issues,
the circumstances of my return, the children’s welfare, my lack of support in the
Netherlands, my employment prospects in [A] and the financial consequences are fundamental
to the case.
My attempts to correct this framing have repeatedly been dismissed or shut down,
while my requests have been narrowed, deferred or omitted. This has left me exposed
in the current situation.”
2.12 Op 4 augustus 2026 heeft de advocaat klaagster uitgenodigd om de zaak te bespreken in plaats van te blijven mailen, waarop klaagster de advocaat heeft gevraagd of zij een verzoek bij de rechtbank had ingediend voor vervangende toestemming om te verhuizen. De advocaat antwoordde dat zij geen verzoek had ingediend, omdat klaagster het concept niet had goedgekeurd. Klaagster heeft de advocaat vervolgens bericht als volgt:
“Uw antwoord bevestigt dat er geen formeel verzoek tot vervangende toestemming voor
verhuizing is ingediend.
Ik moet uw verklaring dat dit komt doordat ik geen akkoord heb gegeven op het concept
corrigeren. Ik heb geen akkoord gegeven op een materieel onjuist en onvolledig eerste
concept. Ik heb mijn herhaaldelijk en schriftelijk gegeven opdracht om een correct
opgesteld verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing in te dienen, niet ingetrokken.
De hierdoor ontstane vertraging heeft de kinderen en mij geschaad. De onhoudbare
situatie duurt voort, terwijl de rechtbank nog steeds niet formeel wordt gevraagd
om over de verhuizing te beslissen.
Ik verzoek u daarom nu één vraag duidelijk en schriftelijk te beantwoorden:
Zult u het concept corrigeren en de verhuizing formeel aan de rechtbank voorleggen,
of weigert u deze opdracht uit te voeren?
Indien u de opdracht uitvoert, ontvang ik graag de datum waarop ik het gecorrigeerde
concept ter beoordeling ontvang en de concrete datum waarop het verzoek wordt ingediend.
Indien u weigert deze opdracht uit te voeren, verzoek ik u dit vandaag uitdrukkelijk
schriftelijk te bevestigen, zodat ik onmiddellijk de noodzakelijke vervolgstappen
kan nemen.”
De advocaat antwoordde daarop:
“Om van de rechtbank vervangende toestemming te krijgen moet er onderbouwd worden
waarom u op dit moment naar [A] wil en waarom dit niet langer kan wachten.
Naast de baan zal de rechtbank ook willen weten hoe het nu met de kinderen gaat;
het eerste verslag was van april en nu is het augustus. Is er een behandelplan? Hoe
gaat het op school?
Realiseer u ook dat [de man] een verweerschrift mag indienen en dat hij met deze
argumenten zal komen.
Ik ben op uw verzoek begonnen met een concept verzoekschrift en hierin staan de
grote lijnen die nog nader moeten worden aangevuld en onderbouwd.
Het is dus van belang dat we elkaar persoonlijk spreken en het verdient aanbeveling
om iemand mee te nemen, zodat alles voor iedereen duidelijk is.”
2.13 Klaagster en de advocaat hebben op 10 augustus 2026 een bespreking gevoerd. Dat heeft opnieuw tot een e-mailwisseling tussen klaagster en de advocaat geleid. Uiteindelijk heeft dat ertoe geleid dat de advocaat zich op 19 augustus 2026 als advocaat van klaagster heeft teruggetrokken en dat ook aan de rechtbank heeft doorgegeven.
2.14 Uit de nagekomen stukken van 7 september 2026 blijkt dat klaagster een andere advocaat bereid had gevonden om haar zaak over te nemen en dat de toevoeging in verband daarmee al aan die andere advocaat was overgedragen. Op 2 september 2026 heeft klaagster de andere advocaat evenwel onder meer het volgende bericht:
“Dit zijn geen bijzaken. Ik wil dat de relevante feiten en het bewijs aan de rechtbank
worden voorgelegd en dat de rechtbank daarover beslist.
U heeft mij uw standpunt over de verhuizing gegeven. Ik respecteer dat u recht heeft
op dat standpunt en ik respecteer uw ervaring. U heeft mij ook verteld dat u vóór
ons gesprek met [de advocaat] had gesproken.
Ik neem serieus wat u mij over uw standpunt heeft verteld. Ik vraag u niet om dat
standpunt te heroverwegen of te wijzigen. Ik wil echter geen nieuwe advocaat-cliëntrelatie
op die basis beginnen en ik wil dit traject niet met u voortzetten.
Ik bevestig daarom dat ik u geen opdracht geef om mijn zaak over te nemen en u niet
machtig om namens mij op te treden.
Ik heb ook geen toestemming gegeven voor de overdracht van mijn toevoeging aan u
of uw kantoor. Ik had uitsluitend ingestemd met een gesprek met u en had de voorgestelde
overname niet geaccepteerd. Uit uw eigen e-mail blijkt dat u nog wachtte op mijn schriftelijke
bevestiging voordat u namens mij zou optreden. Die bevestiging is nooit gegeven.”
2.15 De mondelinge behandeling in de bodemprocedure staat gepland op 27 oktober 2026
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen en
heeft in dat kader aangevoerd dat zij erkent dat een advocaat een eigen professionele
verantwoordelijkheid heeft en niet kan worden gedwongen een procedure of proceshandeling
te voeren die zij niet verantwoord acht, maar dat hier meer speelt. Er is sprake van
een langdurige en objectief onderbouwde vertrouwensbreuk en een fundamenteel verschil
over de opdracht, de feitelijke grondslag en de kernverzoeken van de zaak. Daardoor
bestaat feitelijk geen werkbare advocaat-clientrelatie meer.
3.2 Klaagster verwijst naar de uitspraak van het hof van 12 mei 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:79. Net als in die zaak kan van klaagster een voortgezette samenwerking met de advocaat niet worden verwacht. Dat de advocaat zelf bereid zegt te zijn klaagster bij te staan, maakt dit niet zonder meer anders. Er is niet alleen sprake van onvrede over een negatief advies, maar van aantoonbare tegenstrijdigheden over de procedurele stand van zaken, herhaalde wijziging of intrekking van een aangekondigde strategie, onenigheid over wat feitelijk aan de rechtbank kan worden voorgelegd en uitdrukkelijke schriftelijke niet-instemming door klaagster met de gekozen aanpak van de zaak. Volgens klaagster gaat het om meer dan een verschil over processtrategie, het gaat om een structureel ontbreken van een gezamenlijk procesmandaat.
3.3 Zo bestaat verschil van mening over de door klaagster gewenste toestemming voor verhuizing met de kinderen naar A en heeft de advocaat daarover tegenstrijdige informatie verstrekt. Ook over de (mogelijkheden tot het vragen van) voorlopige voorzieningen heeft de advocaat tegenstrijdige informatie vertrekt. Dat betekent dat over de kern van de opdracht geen gedeeld en stabiel uitgangspunt bestond. Na de afwijzing door de deken op 14 juli 2026 bleek het probleem niet voorbij te zijn. Binnen acht dagen veranderde de aangekondigde procesroute opnieuw meerdere malen.
3.4 De deken heeft dan ook ten onrechte gewicht toegekend aan de bereidheid van de advocaat om klaagster te blijven bijstaan. Er speelt meer dan alleen een geschil over de processtrategie en de feiten na 14 juli 2026 bevestigen dat. Klaagster kan geen andere advocaat vinden, die de zaak wil overnemen en bevindt zich precies in de impasse, waarvoor artikel 13 Advocatenwet een aanvullende voorziening biedt. De mondelinge behandeling in de echtscheidingszaak is gepland in oktober 2026 en zij behoeft effectieve vervangende rechtsbijstand.
3.5 Klaagster heeft het hof op 7 september 2026 aanvullend bericht dat zij de andere advocaat geen opdracht heeft gegeven om klaagsters zaak over te nemen en dit schriftelijk aan de andere advocaat heeft bevestigd. Klaagsters bezwaar zag niet op het enkele feit dat de andere advocaat een juridisch standpunt innam dat afweek van klaagsters visie, maar dat klaagster geen nieuwe advocaat-cliëntrelatie wilde aangaan zonder de noodzakelijke vertrouwensbasis en zonder dat zij opdracht had gegeven tot overname. Klaagster weigert geen rechtsbijstand, maar zit nu nog steeds zonder advocaat en drie wezenlijke onderdelen van haar zaak zijn nog steeds niet behoorlijk aan de familierechter voorgelegd. Zij heeft nog steeds belang bij effectieve rechtsbijstand en bij haar beklag.
Verweer
3.6 De deken heeft onder meer verwezen naar de uitspraken van het hof van 26
januari 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:24 en 1 mei 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:135. Een verschil
van inzicht tussen cliënt en advocaat over de procesaanpak of juridische strategie
vormt geen grond voor aanwijzing van een andere advocaat, zo lang de advocaat handelt
binnen de grenzen van de wet en de professionele standaard. Dat klaagster een andere
koers voorstaat, maakt niet dat de advocaat tekortschiet in haar taakuitoefening.
De advocaat meende oorspronkelijk dat een spoedprocedure niet was aangewezen, omdat
het spoedeisende belang ontbrak. Vervolgens constateerde zij dat er een spoedeisend
belang was ontstaan en was zij bereid een spoedprocedure te entameren. Daarvan heeft
zij afgezien toen bleek dat de hoofdzaak op afzienbare termijn werd gepland. Niet
is gebleken dat deze professionele inschatting voor onjuist moet worden gehouden.
De advocaat heeft steeds gereageerd op berichten van klaagster, voorstellen gedaan
en stukken voorbereid. Dat zij bepaalde verzoeken afraadt of een andere juridische
route voorstaat, valt binnen de professionele beoordelingsvrijheid die een advocaat
toekomt. Van structurele onwil of onvermogen van de advocaat om rechtsbijstand te
verlenen is niet gebleken.
3.7 In de dupliek heeft de deken gemeld dat klaagster hem op 19 augustus 2026 heeft bericht dat de advocaat zich inmiddels had onttrokken als klaagsters advocaat, nadat klaagster op 16 augustus 2026 een klacht had ingediend bij het kantoor van de advocaat. De deken verwijst naar de uitspraak van het hof van 3 augustus 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:250. Artikel 13 Advocatenwet is een aanvullende voorziening en geen remedie voor een verschil van inzicht over de professionele beoordeling van de zaak. De deken is van mening dat het aan de opstelling van klaagster te wijten is dat de advocaat zich heeft onttrokken. Voor deze situatie is artikel 13 Advocatenwet niet bedoeld. De deken heeft bij brief van 27 augustus 2026 het verzoek van klaagster afgewezen om zijn besluit van 14 juli 2026 te herzien.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig)
een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door
een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden,
zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan
een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een
dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen
verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans
van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 Het hof overweegt allereerst dat bij de beoordeling van belang is dat de
voorziening van artikel 13 Advocatenwet geen absolute waarborg is voor daadwerkelijke
toegang tot de rechter. Het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht
op toegang tot een rechter is niet absoluut, maar mag aan verschillende beperkingen
worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter
niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten
proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem, waaronder het
betalen van een eigen bijdrage, is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016,
ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert
ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79).
4.3 Het hof volgt klaagster niet in haar standpunt dat deze zaak gelijkenissen vertoont met de door haar genoemde uitspraak van het hof van 12 mei 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:79). In die zaak is het beklag (mede) gegrond verklaard omdat de deken een essentiële brief niet bij zijn beoordeling had betrokken. Daarbij geldt verder dat er in dit geval geen sprake is van de situatie dat de advocaat zich ondanks een eerder gegeven negatief advies (bij gelijk gebleven omstandigheden) alsnog bereid heeft verklaard om de afgeraden procedure te voeren.
4.4 Ook volgt het hof klaagster niet in haar standpunt dat de advocaat herhaaldelijk tegenstrijdige informatie aan klaagster zou hebben verstrekt, in tegendeel. De advocaat is er vanaf het begin heel duidelijk over geweest dat de door klaagster gewenste verhuizing met de kinderen naar A (tegen de wens van de man in) een kwestie is die in principe niet in een voorlopige voorzieningenprocedure door de rechtbank zal worden beslist, maar in de bodemprocedure thuishoort. Na de beëindiging van de voorlopige voorzieningenprocedure en de mediation was er ook geen aanleiding om opnieuw voorlopige voorzieningen te vragen. Dat veranderde toen zich de door klaagster gemelde escalatie in juli 2026 voordeed. Die escalatie opende de mogelijkheid om met een beroep op spoedeisendheid alsnog nieuwe voorlopige voorzieningen te vragen. De advocaat was in dat kader bereid om daarbij alsnog de verhuizing aan de orde te stellen, juist omdat klaagster daar steeds op bleef hameren. Tot meer dan een eerste concept verzoekschrift is het evenwel niet gekomen, omdat klaagster enerzijds niet op concrete vragen van de advocaat voor de verdere invulling van dat verzoekschrift inging en anderzijds een grote hoeveelheid onderwerpen aandroeg, waarvan zij eiste dat die in het verzoek verwerkt zouden worden. Tegelijkertijd bleek dat de bodemzaak op afzienbare tijd kon worden behandeld, waarin - anders dan in de spoedzaak - meerdere van de door klaagster aangedragen onderwerpen wél behandeld konden worden. Op grond van deze omstandigheden was het niet onlogisch dat de advocaat ervan afgezien heeft om nog verder te discussiëren over (de inhoud van) voorlopige voorzieningen.
4.5 Het hof onderschrijft op grond van het voorgaande de opvatting van de deken dat niet is gebleken dat de professionele inschatting van de advocaat voor onjuist moet worden gehouden. Evenmin is gebleken van structurele onwil of onvermogen van de advocaat om rechtsbijstand te verlenen. De deken heeft terecht besloten dat er geen grond was voor aanwijzing van een advocaat omdat klaagster op het moment van het verzoek de bijstand van een advocaat had. Dat was ook op het moment van de beslissing van de deken en gedurende een periode nadien nog steeds het geval.
4.6 De omstandigheden die zich na de beslissing van de deken hebben voorgedaan, zijn voor het hof geen aanleiding om het beklag desondanks gegrond te verklaren. Het feit dat de advocaat van klaagster zich op 19 augustus 2026 heeft onttrokken, heeft de deken terecht geen reden gegeven om zijn beslissing te herzien. De deken heeft er met juistheid op gewezen dat de advocaat ‘dominus litis’ is, wat betekent dat de advocaat bij de behandeling van de zaak de leiding heeft. De deken heeft er in dit verband terecht op gewezen dat artikel 13 Advocatenwet een aanvullende voorziening betreft en niet een remedie is voor een verschil van inzicht over de professionele beoordeling van de zaak, zoals ook is beslist in HvD 3 augustus 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:250 (en voordien onder meer in HvD 30 oktober 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:202).
4.7 Bovendien is inmiddels gebleken dat klaagster een andere advocaat heeft gevonden, die zich bereid heeft verklaard om klaagster in de lopende procedure verder bij te staan. Klaagster heeft er uitdrukkelijk zelf voor gekozen om met die andere advocaat niet in zee te gaan, waarbij (wederom) een verschil van inzicht over de professionele beoordeling van de zaak aan de orde was. Dat klaagster geen bijstand van een advocaat heeft, terwijl de datum van de mondelinge behandeling in de echtscheidingsprocedure nadert, dient dan ook voor haar eigen rekening en risico te komen. Artikel 13 Advocatenwet is voor deze situatie - klaagster wenst een advocaat die bereid is te doen wat zij van die advocaat verlangt - niet bedoeld.
4.8 Het voorgaande betekent dat het beklag van klaagster niet slaagt.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 14 juli 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren
en
G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en
in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 21 september 2026.